Zeven-en-twintigste Jaarvergadering VAN DE VEREENIGING VOOR HOOGER ONDERWIJS OP GEREFORMEERDEN GRONDSLAG,
gehouden te UTREOHT, op 3 en 4 Juli.
I.
Ditmaal de jaarvergadering in het hart des lands. Verleden jaar waren we te Middelburg saam, en hoewel het nuttig en noodig is, dat ook de provinciën in het noorden en in het zuiden des lands de jaarvergadering op hun erve üen komen, de opkomst wint altijd door haar zoo veel mogelijk in het centrum te houden. Dat bleek ook nu weer te Utrecht, waar onze Calvinistische mannen en vrouwen in bijzonder grooten getale opkwamen, teneinde onzen landdag bij te wonen. Dankbaar en blij nog onder den indruk van den zegen, dien de jongste stembus worsteling ons bracht. Daar kunnen we niet van loskomen; 't is een deel van ons leven. Toen we nu twee jaar geleden naar Den Haag gingen, schreven we; „Ja, we zijn geslagen, maar z/erslAgen niet"; en nu reeds blijkt het door Gods gunst, dat de beginselen, waarvoor onze Hoogeschool zoo energievol ijvert, in ons land nog naam hebben en plaats.
Dankbaar dus togen we Woensdagavond op naar de ruime Oosterkerk in Utrecht, waar de
URE DES GEBEDS
ter inleiding van onze jaarvergadering werd gehouden.
De leiding van deze samenkomst was door heeren directeuren opgedragen aan den heer Ds. C. L. F. van Schelven van Wageningen, die de aandachtige schare voorging. Gezongen werd psalm 102 : 16; gelezen Zacharia 10; daarna hief de schare psalm 77 : 6, 9 en 11 aan en ging de leeraar voor in gebed. Vervolgens richtte hij zich volgender wij se tol de opgekomenen:
Naar goede gewoonte tot een ure des gebeds bijeen, worde met ernst gestaan naar de vruchi welke zulk samenzijn kan opleveren. In navolging van de Leidsche Universiteit, goed als zij was bij haar oprichting; om bewaard te blijven af te glijden als de Leidsche; maar ook om al 't zondige te belijden en af te leggen, en in ware verootmoediging versterking des geloofs te zoe ken in het gebed.
Een behoefte te grooter, daar de uitbreiding onzer^ school met zoo groote verbeurte van weldaden hand aan hand ging.
Ia kleinheid, afhankelijkheid en vertrouwen kenmerkt zich de ware bidder en in het harte lijk bidden geraakt het geloof in de grootste actie.
Aan de beloften des Heeren klemt zich het geloof van den 'bidder vast, en zuigt alle levens kracht uit het woord der beloften.
Een dier beloften beantwoordt aan het eigen aardig karakter van onze tijdsomstandigheden, en wel Psalm 125 : 3:
De schepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de recht vaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht.
Gods bergen zijn als alle Gods creaturen als zoovele letters in het boek der Schepping om den naam des Heeren groot te maken.
De blinde heiden beschouwde ze als altaren der goden, door henzclven gebouwd om daar van de menschen gediend te worden.
Voor Israël ontcijferde de Heere dit onleesbaar geworden schrift. Zij prediken de onveranderlijkheid en onbewegelijkheids Gods. '
In Sion bovenal doet God dat zien.
Naar boven wijzen al die bergen, naar God zelf, die zweert dat waar bergen mogen wijken, Hij en zijn verbond des vredes nochtans zullen blijven bestaan in eeuwigheid.
Ook hier schiet de taal tekort om de beteekenende zaak te omschrijven.
Gods bergen om Sion, dat zelf onwankelbaar en onveranderlijk bleef, wat er ook om en op haar voorviel, wijzen èn op Gods onbewegelijkheid èn op Zijn bescherming en bewaking; maar geen bescherming wordt beloofd teniij dreigend gevaar is te onderstellen.
Zoo prediken de bergen om het heilig Sion ook den strijd, die Israel wachtte, en de beschermende kracht Gods bij de aanvallen der vijanden.
Maar ons Schriftwoord zegt nog nceer.
Sion zou herhaaldelijk belegerd, maar ook ingenomen worden; en de overwinnaar zou zich nestelen op Sion, en zijn goddelooze schepter op Gods volk willen laten rusten. s d z
Maar reeds de betiteling van Zijn volk als „het lot der rechtvaardigen" herinnert aan een Goddelijk bestel bij zijn ontstaan, uitbreiding, bewaring en leiding. t o md
Zelf is Israel als door 't heilig lot verkregen; maar ook wat het bezat is door datzelfde bestel des Heeren verworven. V D t
Op dat lot der rechtvaardigen zal de schepter der goddeloosheid niet „rusten". z k
Voor een tijd ir.ogen andere vorsten, dan die o uit Davids huis, de heerschappij bemachtigd g hebben over het erfdeel des Heeren, — als de e nood en de tirannie zóó hoog loopt dat ook d de rechtvaardigen gevaar loopen met de wereld d God te verlaten, dan komt de Heere, naar i ijne belofte, Zijn volk te hulp. j o
Die toezegging is telkens vervuld. | g Die verlossingen waren zoovele voorbeelden n voorsmaken van Israels volkomene verlossing n het laatst der dagen.
Dan, als de ichepter der goddeloosheid ZQO iets ontziende zal optreden, dat als de Heere iet tusschenbeide komt en die dagen niet erkort worden, geen vleeseh behouden zal lijven, en de uitverkorenen zelfs dreigen vereid te zullen worden.
Deze belofte is ook voor de Nieuw Testamentische bedeeling; dit wordt door de historie herhaaldelijk bewezen.
Als Gods volk, als schapen te midden der wolven, van het heidendom werd verstrooid drukt de schepter der goddeloosheid zwaar • maar de Heeie gaf verlichtiog in de vervulling der belofte, toen keizer Constantijn tot het Christendom zich bekeerde.
En zoo aldoor.
Hier is sprake van de macht der „goddeloosheid", d. i. dip macht, die God buiten Zijn wereld wil houden, op alle terrein van het leven de rede stellen in plaats van de openbaring.
Niet van de vervolgingin in de i6e eeuw.
Niet het Roomsche Christendom, maar het Humanisme is hier geteekend.
Die lijn die bij den strijd in het paradijs aanvangt en door alle eeuwen voortloopt, is hier bedoeld.
Paganist en Christen, Libertijn en Cs-lvijn. Niet Jood en Christen. Niet Rome en Luther.
In de laatste jaren is nog hetjelfde te zien.
Bij de oprichting van de Vereeniging voor Hooger Onderwijs op Gereformeerden Grondslag; maar ook niet minder bij de aanvankelijke vrijmaking van het Hooger Onderwijs door de bekende novelle.
Uit wat de bloem der natie in de Stalen Generaal en op meetings zoo al te hooren gaf, kan gemakkelijk opgemaakt wat koorknaap, houthakker en waterputter in den tempel der godin der Rede in ruwer vormen dorsten bestaan in woord en daad.
De oplichting onzer School en baar voortbestaan, vrijmaking en uitbreiding zijn blijken dat Gods Woord van kracht blijft, en Hij zijn volk, opdat het niet der wereld gelijkvormig worden zou, van de schepter der goddeloosheid bevrijdt.
Doch niemand meene, in overmoed, dat als de politieke strijd tegen onze School eens uitgestreden mocht raken, de groote strijd geëindigd is.
Die blijft.
Dat is de strijd niet tegen vleesch en bloed, machten en overheden; maar tegen de geestelijke boosheden in de lucht. Dat is de strijd.
Maar de Heere staat aan onze zijde.
En als wij Gods beloften hebben en gelooven, «ijn wij sterker dan wanneer vurige en stalen muren ons omgeven.
Doch hoe is de werkelijkheid thans?
Veel van wat mee moest kampen, keert zich van ons af.
Allerlei redenen werken hiertoe mee. Niet 't minst eer-gunst-en winstbejag. Alles voortkomende uit gebrek aan geloof. Wij blijven een klein kuddeken. Zoo worden wij tegen overmoed gewaarschuwd, Ea dreigen tot onmoed te vervallen.
Herinnerd wordt telkens, dat onze voormannen oud worden.
God roept ons niet te veel rechts te zien, te letten op kracht of wijsheid of op het succes; noch teveel links op teleurstelling, smaad en vervolging, maar naar boven, van waar onze hulpe en ons heil komen zal, omdat daar troont een God die sprak, en spreekt:
„De schepter der goddeloosheid zal niet rusten op het lot der rechtvaardigen, opdat de rechtvaardigen hunne handen niet uitstrekken tot onrecht."
Nadat van psalm 74 de verzen 10, 20 en 2 2 gezongen waren, ging de leeraar voor in ijebed.
Nadat de aanwezigen nog hadden E angeheven palm 79 : 7, verliet men onder den indruk der bezielende rede het bedehuis.
Na de gebedsure vereenigden zich de leden en begunstigers in Buitenlust, waar hun door de regelingscommissie, aan wier hoofd de heer Van Beeck Calkoen stond, de gelegenheid werd geschonken, eenige uren gezellig bijeen te zijn. Deze recepties dragen altijd een intiem karakter; ze worden op hoogen prijs gesteld, dat blijkt wel. Ook nu weer was het er recht aangenaam, men bleef er tot laat in den avond bijeen, in de hoop op een gezegende jaarvergadering, die ons den volgenden dag wachtte.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907
De Heraut | 4 Pagina's