Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

7 minuten leestijd

In het Gereformeerd Weekblad wordt de artikelenreeks over den invloed van den tijd geest op het gemeenteleven voortgezet. Ni eerst er op gewezen te hebben, dat het materialisme den mensch afvoert van den dienst van den eenigen waarachtigen God, wordt nu aangetoond, hoe de mensch de aldus ontstane leegheid tracht aan te vullen door de kunst.

Maar hiermede is de macht van den tijdgeest nog niet uitgewerkt. De materialistische strooming heeft een keerzijde. Als de mensch is afgevoerd van den dienst des eenigen, waarachtigen Gods, dan ontstaat er noodzakelijk een leegte in zijn zieleleven, die aanvulling behoeft. Die vervulling in de zielsbehoeften tracht de mensch dan zichzel ven te bereiden. Hij geeft zijn arbeid voor hetgeen niet verzadigen kan. Én zoo zien we dan. dat een der middelen, die de van God vervreemde wereld aangrijpt om hare zielenooden te vervullen, de kunst Is. De kunst is opzichzelve beschouwd een heerlijke gave Gods. De Heere zelve heeft aan zijne dienstknechten de kunst onderwezen. Maar ook hier is de zonde de verdervende macht, wijl zij leert de kunst, die tot verheerlijking Gods moet dienen, gelijk alle gave des menschen, te misbruiken tot verheerlijking van het schepsel. De kunst wordt misbruikt ook dan als zij in de vereering Gois een middel wordt en een plaats inneemt, die haar krachtens haar wezen niet toekomt Daarom is dan ook in de wet des Heeren met zooveel nadruk verboden, beelden en gelijkenissen te. maken van hetgeen in den hemel en op de aarde en onder de aarde is, om zich daarvoor te buigen en die te dieoen. De zonde openbaart zich zeer zeker ook daarin, dat zij den mensch geleerd heeft misbruik te maken van de kunst om door haar aan te vullen hetgeen door de duisternis des ver stands in goddelijke dingen ontbrak, In de heidenwereld blijkt het gebrek aan kennisvan den waarachtigen God nergens meer uit dan in behoefte aan het beeld. De kunst is hier steeds in dienst der religie. En het is een merkwaardig verschijnsel, dat naar mate God minder gekend wordt, de drang sterker is de aanzienlijke dingen zienlijk en zichtbaar te maken. Hoe reiner de Godskeniiis, hoe minder de kunst er plaats heeft. Eti. zoo zien we nu ook ia den materialistischen gang van ons volksleven, dat zich voor geen klein deel van de religie heeft. afgekeerd, den grooten drang naar kunst. De kunst moet vergoeden hetgeen ze met het prijsgeven der religie heeft verloren. Vandaar de vergoding der kunst. Er zijn kringen, waar de jtunst nog het eenige is dat aantrekt, dat den idealen glans over het leven legt. De kunst kan die plaats innemen, wijl ook zij eenigszins tegemoet komt aan de mystieke behoeften des harten. Maar waar zij nu ook de religie verdrongen heeft, daar is zij van zelf een machtig instrument tot verderen afvoer op dien weg, die van God afleidt. De tempels der kunst zijn dan ook in de groote steden de machtige mededingers der kerk. Ook de Roomsche kerk toont voor geen klein deel juist in de groote beteekenis, die de kunst heeft voor haren ^eredienst, haar te kort in de aanbidding Gods in Geest en waarheid. Dat de Roomsche kerk aan het wapen der kunst zoo veel behoefte heeft, wijst "it, dat ïij van de zuiver geestelijke Godsvereering afweek. Daardoor streelt zij dan ook de groote jjngeloovige massa in onzen tijd, Daardoor weet zij M zich te verschaffen den lof der wereldsche strooraing, die juist in de kunst van Rome een element vindt om haar te prijzen en in gebrek aan kunst een oorzaak vindt om het Protestantisme te verachten.

Welnu, ook deze richting in den tijdgeest heeft niet nagelaten haren invloed te oefenen op de gemeente. Vooral daar waar het oude reformato rische leven met zijn belijnder opvatting van het kerkelijk leerstuk heeft plaats gemaakt voor verslapte moderne theorieën, die zich als bij uitnemendheid protestantsch kwamen aandienen. Daar is uit den aard de uitwerking van den tijdgeest het machtigst. Daar is de kerkleer toch al reeds verdrongen door philosophiën van den dag. En dat zou niet bestaan kunnen, indien het godsdienstig leven daar niet lang had ingeboet van zijn diepte. Want de ervaring wijst het toch maar uit, dat met het voortdringen van allerlei nieuwere opvattingen het geestelijk en ook het kerkelijk leven verloren heeft aan intensiteit. De geschiede nis van het moderni«me is in dit opzicht een leerrijk exempel. De kerken heeft het leeg gemaakt en de massa gedreven naar het radicaalste materiahsme. Immers, in de armen van het socialisme zijn de duizenden terecht gekomen, die opgroeiden onder bet oude modernisme. En wat blijkt nu ? Dat juist in die moderne gemeenten allerlei kunstmiddelen moeten te baat genomen worden om het gebrek aan geestkracht en echte godsvrucht 'aan te vullen. Daar wordt vooral gepleit voor het gebruik van een koor en worden er pogingen gedaan weer iets van de mystiek der kunst in te voeren in de godsdienstoefeningen. Doch daarbij bleef die beweging niet staan Ook in de kringen, die nog tot de orthodoxie in den ruimen zin ge rekecd worden, deed dit opgeld. Men hoort reeds, hoe bij de ethische neo orthodoxie allerlei ritueele nieuwigheden worden ingevoerd. Er zijn reeds ook bij die groep sommige predikanten, die een soort van ritueel aan de godsdienstoefening laten vooraf gaan. De schare moet opstaan, bepaalde, in elke godsdienstoefening wederkeerende versjes, staande zingen enz. En is hier nog geen formeel koor ingevoerd, de heeren snakken er naar en als de kans schoon is, dan verschijnt er ocflc reeds iets, dat daarop gelijkt. Het gebrek aan echt geestelijk leven komt in dit alles uit. Er wordt een tegenwicht gezocht, er wordt gestreefd naar iets, dat het echte reformatorische leven, dat zij verloren hebben, kan vergoeden.

De glorie van onze vaderen was de soberheid van hun openbaar godsdienstig leven. In die sober heid sprak zich uit hun geestelijke diepte, hun echte godsvrucht, die in de onmiddelijke gemeenschap met God door Jezus Christus niet slechts geen behoefte had aan de hulp der kunst, maar er zelfs geen plaats voor had. Als van Roomsche zijde en ook van den kant van het ongeloof zoo gesmaad wordt op het gebrek aan kunstzin bij het Calvinisme, dan spreekt en Rome en het ongeloof daarin eigen gebrek aan waarachtig geestelijk leven uit. Het geestelijke leven is in het Calvinisme te diep, dan dat eenig schepsel tusschen God en mensch een plaats kan vinden. Dat daarmede de kunst op zichzelve nog niet wordt verworpen, ligt voor de hand. De geschiedenis leert, dat de knnst in Nederland nooit schooner bloeide, dan toen het Calvinisme de volksziel beheerschle. Maar toen werd de kunst op haar plaats gehouden en bloeide er een religieus leven, dat gezond en levenskrachtig genoeg was om aan de kunst geene behoefte te hebben in den eeredienst. Men wist in die dagen nog te goed tot wat afgodische afwijking de kunst kon voeren, als zij in dienst der religie van dienstmaagd meesteres werd. Wij zien nu, hoe overal ook in onze kerken die zucht naar de hulp der kunst tot openbaring komt, waar het echt Gereformeerde leven terugweek voor allerlei wind van leer. Het is de roeping der gemeente zich van meet af tegen dergelijke ritualistische neigingen der predikanten schrap te zetten. Zij beeft toe te zien dat zij haar protestantsch karakter niet langzaam maar zeker gaat inboeten voor allerlei nieuwig heden, die niet anders dan als geestelijke kunstenmakerij kunnen worden beschouwd. Alleen in een , leven gebonden aan de Heilige Schrift is er ware geestkracht en ook echte stichting voor de gemeente des Heeren te vinden. Ook hier geldt tfét : tot de , wet en tot het getuigenis. De gemeente Gods kan leven bij alle Woord, dat uit Zijn mond is uitgegaan, maar zij zal ondergaan, als zij iets meer meent te kunnen en te moeten hebben dan de levende verkondiging van dat Woord. Met het Woord Gods kan de mensch leven en sterven beide. Zij dit dan een lamp voor haar voet en een licht op haar pad, en keere zij terug tot de onvoorwaardelijke gehoorzaamheid aan Gods Woord in al haar leven.

Ontwake daartoe de g'emeente uit haren zondeslaap.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 juli 1907

De Heraut | 4 Pagina's