Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Teestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Teestafel.

6 minuten leestijd

DR, JAMHS ORR, Het Oude Testament bechouwd met betrekking tot de Nieuwe Cn'iek ewerkt door DR. J, C. DE MOOR, met eené oorrede van Dn. H. BAVINCK, uitgegeven met oestemming van dea Schrijver, Kampen T . KüK — 1907. ie deel.

Met en door IMMAKUEL KANT, die in 1804 tierf, kwam bet europeesche denken te staan a het teeken der kritiek. Heel de 19e eeuw s geweest de eeuw der kritiek.

Men schrikke bij dit woord niet al te zeer op. Kritiek komt van een Grieksch woord dat fcheiden, 'ocderscheideu, onderzoeken, beooreelen beteekent. "Wie „kritiek" zegt iroet beoelen de kritische ^to«f/; de kunst van het onderscheiden, onderzoeken, beoordeelen, Ea dit nu is een zeer edele kunst.

Oiiderstelt alle deriken een subject en een obect, — 'n meiiEch die denkt en een ding waarover hij denkt, — dit zijn denken kan tweeërlei zijn.

Zulk 'n mensch kan het ding waarover hij denkt, zonder meer als gegeven aannemen, en nch dan verder bezig houden met de eigenschappen van het ding al verder te leeren kencicn. Maar hij kan ook met zijn denken als het wate achter het ding terug gaan; hij kan trachten na te speuren de voorwaarden waaronder het ding geworden, de oorzaken waaruit het ontstaan is. Het eigenaardige van hetz. g, „kritische denken" nu is juist dit onderzoeken, dit naspeuren van het ontstaan , en de ontwikkeling der dingen; van de ^objecten waarmee ons denken zich bezig houdt.

Van deze denkrichting is KANT, doordat hij dus het kennen zelf onderzocht, de vader.

Dit pogen om de dingen in hun ontstaan en ontwikkeling te leeren kennen, zal niemand veroordeelen kunnen.

De menschelijke geest toch wordt in zijn dorst naar kennis eerst dan volkomen bevredigd wanneer hij, zooals reeds Aristoteles zoo mooi zei, niet alleen weet dat iets is, maar ook waarom het zoo is en waaruit het is.

Dat, met name in de eeuw die achter ons iigt, het „kritische denken" zich gericht heeft op de wereld en wat in die wereld is; dat het Dagevorscht heeft het onts'aan en de ontwikkeling van ons zonnestel, van onze aarde; van plant en dier en mensch; van de taal en het recht, van de zedelijkheid «n de religie — welk christenmeBSch zou dit veroordeelen.

En dat dit kritiscUe denken zich ook gericht heeft op de Schrift, op den Bijbel, is, mits men «r maar onder verstaat een richten van het denken op het ontstaan, de wordiag, de ontwikkeliüg ea geschiedenis van de heilige Schrift zoo in nasr geheel als in haar deelen, op zichzelf allerminst afkeuringswaardig.

Evenwel, ook hst kritische denken gaat altijd uit van een denker, van 'n mensch, die denkt, en nu hangt het er ten slotte van af wat voor 'n mensch die denker is.

Ook bij het kritische cenken maakt het verschil of gij al dan niet eec, in religieus-chiistelijken zin, geloovige zijt; of ge al dan niet gelooft, d. i. vast overtuigd en verzekerd zijt van het bestaan van den levenden God en Zijn inwerking ais laatste of, wilt ge, eerste Werker in al het gebeuren der wereld, in al het handelen der menschen.

En zoo maakt het ook bij den Bijbel verschil, of ge bij uw onderzoek naar ontstaan en wordicg 7.00 van de Schrift in baar geheel als van haar afzonderlijke boeken, al dan niet een geloovige zijt en dus al dan niet rekening houdt met wal de oude dogmatiek noemt den „auctor primarius", den eetsten of voornaamsten auteur, met God den Heiligen Geest; al dan niet rekening hou dt met den goddelijken factor.

Nu zijn de meeste geleerden die zich met het onderzoek naar het or.tstaan van de ge-• c'niedenis der bijbelboeken en des Bijbels in de vorige eeuw bezig hielden, — en ik denk hier bepaaldelijk aan hen welke tot de toongevenden behoorden, aan hen, die school hebben gemaakt — in den zooeven bedoelden zin van het woord, geen geloovigen geweest.

In het „kritische denken" op zich zelf zat het 'm niet.

Ook nist in zijn toepassing op de Schrift.

Maar waar het 'm in zat is, dat ZOE der vóóroordeelen nu eenmaal niemand denkt.

Allerminst zonderling is het dan ook, dat deze geleerden, hoe scherpzinnig ook en hoe ook volkomen ter goeder trouw, uitgaande van bün vóór-oordeelen tot resultaten over het ontstaan en de ontwikkeling des Bijbels zijn gekomen, die meerendeels voor de „geloovigen" onaannemelijk zijn.

Vandaar de spanning, de strijd tusschen de geloovigen en de Bijbelkritiek.

En toen heeft reen onder de christenen tweeerlei gekregen.

Een deel, een groet deel wil van heel dit onderzoek niet weten. Dit komt dus hier op neer, dat naar ontstaan, wording, geschiedenis en ontwikkeling van den Bijbel en zijn boeken heel niet mag gevraagd.

Voor het recht verstand des Bijbels, inzonderheid voor zijn recht verstaan door hen, die geroepen zijn hem te verklaren en toe te passen, is dit van zijn ontstaan en geschiedenis „heel niet willen weten" nu niet bepaald de meest doelmatige methode.

Een ander deel, en die zitten vooral onder de jongeren, zijn door de „nieuwere kritiek" in hrn min of meer wetenschappelijk denken overweldigd. Er gaat van deze „nieuwere kritiek" zullE een machtige suggesiie uit. Wie er onder komt is dan tog wel met zijn hart geioovig, met zijn hart een Christen, maar hij heeft voortdurend tegen haar in te worstelen om de heilige Schriftuur als de bijzondere Openbaring, als het Woord van God lot den mensch, voor zijn denken niet te verliezen.

Bij velen komt het dan ook, als God het niet verhoedt, eindelijk tot een verlammend sceptir cisme; een breuke tusschen wetenschap en geloof; tusschen de overtuiging van den geleerde en de overtuiging van den vrome.

Alsof de religie niet een zaak èn van het hart èn van het hoofd ware.

Ea waar nu de zaken aldus staan kan ik mij niet genoeg verblijden over den arbeid van Prof. ORR te Glasgow, die in zijn: The Problem of the Old Testament with reference to recent criticism — een werk leverde, dat èn de suggestieve kracht van de nieuwen kritiek op het Oude TesSament vermag te reken èn den weg wijst voor een onderzoek aar het ontstaan en de geschiedenis van het ude Testament zoo in zijn geheel als in zijn eelen dat, omdat het van andere beginselen itgaat dan die welke bij de meeste nieuwere ritici voorzitten, ook tot andere resuhatendan e hunne kan leiden.

Dr. DE MOOR, predikant in den Haag heeft et werk van ORR met diens toestemming, ok voor ons niet-Engelsch lezend publiek toeankelijk gemaakt; gestoken in een sierlijk ederlandsch gewaad.

Het eerste deel handelt, in 8 hoo'.istukken, over: den aard van het vraagstuk; het O. T. naar zijn eigen getuigenis; het O. T. en de Critiek; bezwaren tegen de Hypothese der Ccitiek.

Ia dit deel gaat het hoofdzakelijk over de z, g. „Pentateuch qaaestie".

Het boek van ORE, deze „Critiek van de critiek des Ouden Testaments", zooals BAVINCK het in zijn Voorrede fija karakteriseert, zal ieder theolcog van professie en zullen ook vele andere leden der gemeente goed doen te lezen.

Het tweede deel moet ons uog hoofdstuk 9—12 brengen.

De prijs is maar / 1.75 per deel,

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 september 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Teestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 22 september 1907

De Heraut | 4 Pagina's