Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Buitenland

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Buitenland

9 minuten leestijd

N.-Amerika. Dr. Steffens over de verhouding der Chr. Geref. en de Dutch Ref. Church.

Bij gelegenheid van de feestviering die gehouden werd ter gedachtenis dat voor zestig jaren de eerste landverhuizers uit Nederland zich in Zeeland, Michigan, vestigden, werd uitgesproken, dat de grootste ramp, die over het koloniale leven xa-o onze landgenooten kwam, bestaan heeft in het feit, dat zij uiteengegaan zijn in twee kerkgroepen. Hierover laat de hoogleeraar Steffans zich aldus hooren:

„Het uiteengaan der Gereformeerde Hollanders in twee groepen is een voldongen feit. Gedane dingen nemen geen keer. Met dit feit moeten v/ij rekenen. Het zoeken van eene kunstmatige eenheid ruimt dit feit niet uit den weg. Wanneer in ons kamp aan herceniging wordt gedacht, dan meenen wij, dat men in het ander kamp eenvoudig tot ons moet overloopen, en in het ander kamp heeft men precies dezelfde gedachte. Hoe vaak hoort men het in onze kringen: Zij, d. i. de Christelijke Gereformeerden, willen eenvoudig dat wij tot hen zullen overkomen. En is het in de tenten der broeders aan de overzijde wel anders? Ik geloof het niet. De Heere heeft zijne wijze redenen gehad in het toelaten der scheuring tusschen broeders van hetzelfde huis. Daarover te klagen, elkander te verwijten, dat de schuld op de eene zijde ligt, en dat op elkander schelden en elkander verdenken is heel licht, maar of het een werk des Heiligen Geestes is? Ik geloof het niet.

De beide Kerkengroepen hebben sedert vijftig jaren zich ontwikkeld langs verschillende lijnen. Zij staan niet meer daar, waar zij in den beginne der kolonisatie stonden. Zijn zij nader bij elkander gekomen? Ia uiterlijke dingen is dit zonder twijfel het geval, en het persoonlijk karakter van den tegenstand tegen elkander is vriendelijker en besadigder geworden, maar een ieder, die den gang der kerkelijke ontwikkeling met belangstelling heeft gadegeslagen, zal mij toestemmen, dat de kerkelijke positie op beide zijden evea sterk is, of misschien nog sterker geworden is in den loop der jaren.

De eenheid te bewaren, wanneer zij nog nie geheel is verloren gegaan, is geen kleinigheid, maar de verlorene eenheid te herkrijgen, is nog veel moeielijfcer. En gewoonlijk, indien men er in slaagt, is een eenheid, waarbij vraagstukken niet opgelost worden masr toegedekt, erger dan een rustig en stil naast eikander wonen.

Hoewel er van Gods zijde, zoo als ik boven gezegd heb, redenen waren voor het toelaten der scheuring, en die scheuring ook zonder twijfel haar nut gehad heeft, betreuren wij het nochtans, dat wij met elkander handelen, alsof wij geene geloofsgemeenschap met eikander hebben. Dat moest niet, en dat behoeft ook niet alzoo te zijn. Kaa er iets gedaan worden om toenadering te bewerken ? Mij dunkt van wel.

Het eerste, dat er gedaan moet worden, dunkt mij, bestaat hierin, dat men de toestanden, zoo als zij hier en ginds bestaan, erkent. Wij hebben een vijftigjarigen oorlog gehad. Moet die oorlog voortduren? Wij moeten vrede sluiten, d. i. apologetiek en polemiek moet, dunkt mij ophouden, de kerkelijke wonden altijd op nieuw open te scheuren. Wij gaan nog altijd onzen toestand verdedigen. Wij willen altijd doen uitkomen, dat onze zaak zuiver, de zaak der andere partij zwart is als de nacht. Want de verdediging van ons zei ven wordt natuurlijk eea aanval op de anderen. Wie zal de rechter zijn in onze verschillen? Er is geen aardsche rechter, die oordeel spreken kan over de partijen. Ds. Beets en Ds. De Jonge zijn uitnemende advocaten, maar hun oordeel beslist de zaak niet. Wij weten het, hoe wij denken over de bewegingen van A, D. 1857 en 1882, en de broeders aan de overzijde weten het ook, hoe zij er over denken. Welnu, begraven wij de strijdaks.

Dat zal ons niet moeielijk vallen, indien wij lee ren eikander te waardeeren. Het deed mijn 'hart goed te luisteren naar de sprekers van de overzijde. Waren hunne toespraken niet hartelijk, mannelijk, Gereformeerd, Christelijk ? • Al de sprekers, zoo ver ik in de gelegenheid was, hen te hooren, sloegen op hetzelfde aanbeeld, en wij hebben geleerd, dat er buiten ons dorp ook menschen wonen. Helaas! aan aigemeene waardeering ontbreekt het maar al te veel. Hoe vaak hooren wij in onze kringen spreken over de bekrompenheid en bitterheid der „Afgescheidenen, " Eu de geruchten, die vaak tot ons komen uit het andere kamp, getuigen niet van eene meer malsche beoordeeiing. „Die Dutch Hervormden! Zij zijn zoo liberaal, juist zoo als de Liberalen in Nederland." Dat moet ophouden, broeders. Alle „Afgescheidenen" zijn niet bitter of bekrompen, en alle „Dutch Hervormden" zijn niet liberaal. Is het onmogelijk, dat wij bezadigder worden in ons oordeel over elkander, of_ dat wij van elkander kunnen gelooven, dat wij als Gereformeerde Christenen de eer des Heeren bedoelen in hetgeen wij spreken en doen, t dan, helaas! moeten wij elkander maar den rug toekeeren ea voortgaan in onze bitterheid en bekrompenheid, totdat de Rechter van hemel en aarde het oordeel over ons zal vellen.

Maar neen, dat willen wij niet. Maar zal het ons gelukken, elkander te waardeeren, dan moeten wij elkander beter leeren verstaan. Van waar zoo veel misverstand ? Omdat v/ij een portret van den „Afgescheidene" en den „Dutch Hervormde" voor ons hebben staan, dat niet gelijkt op de portretten van heden. Het zijn de mannen van vroeger, dien wij stokslagen toedienen. Ik sou de namen kunnen noemen, die in onzen strijd ook thans nog figureeren. Maar zij zijn heengegaan en wij hopen, dat zij, hoe hard ook beoordeeld door menschen, bij Jezus zijn, die anders oordeelt dan wij.

Wanneer wij zeggen, dat wij elkander moeten leeren waardeeren en verstaan, dan wil ik daarmede geenszins zeggen, dat wij onze beginselen moeten prijsgeven. Wie van mij eischt, dat ik, indien ik gemeenschap met hem wil oefenen, in alles moet denken als hij, dan wijs ik althans dien eisch af. Blijkt het bij nader kennismaking dat onze beginselen niet zoo ver uiteenloopen, dan zullen wij ons zekerlijk daarin verheugen. Kom ik door gemeenschap met anderen tot de overtuiging, dat sommige dingen, die ik uit mijne beginselen heb afgeleid, verkeerde gevolgtrekkingen ziju, des te beter voor mij. Wij moeten elkander aannemen zoo als wij zijn, zij ons en wij heö. Op zulk een platform kunnen wij, dunkt mij, allen staan.

Ons standpunt zij, dat wij elkander aannemen als broeders van hetzelfde huis. Dat wij wederzijds van elkander gelooven, dat wij in al wat wij spreken en doen (over het denken kan alleen de Heere oordeeler) de eere des Hesren en het heil van Zion beoogen. Dat de leer, tucht en dienst der Gereformeerde Kerk ons dierbaar zijn. Dat onze kerken, hoe zuiver het beginsel in het afgetrokkene ook moge zija, onvolmaakt zijn en nog niet zijn, wat zij zijn moeten en zullen. Kunnen wij dit niet van elkander gelooven, en meenen wij, dat onze Kerk — o leelijke uitdrukking — volmaakt en de andere onvolmaakt is, dan moeten vvij, hoe smartelijk het ook moge zijn, onzen eigenen weg gaan. o J nsm s I m M

Maar wij kunnen van onze Hollandsche Gereformeerden niet gelooven, dat zij elkander niet kuacen leeren waardeeren en verstaan. Maar moet uw plan, 200 zeggen misschien sommige lezers, niet noodzakelijkerwijze leiden tot kerkelijke hereeniging? Ik weet het niet. Bij nadere kennismaking mogen zich zoo vele bezwaren openbaren, dat eene kerkelijke hereeniging niet mogelijk en wenschelijk schijnt. Maar christelijke gemeenschap met behoud van kerkelijke zelfstandigheid is immers beter dan kerkelijke eenheid, wanneer de Geest van Christus ontbreekt. Maar indien uit christelijke waar­ e deering een verlangen naar kerkelijke gemeen­ c schap ontstaEtt, wie zou zich daarover niet ver­ o blijden ? Uiteengaan uit nood, wie wil het laken ? n Maar verwijderd van elkander uit kwaden wil, wie zou het prijzen? G b h e d d g W n s l n vm

Dit zijn uitnemende woorden. Ons dunkt, wanneer men elkander naar den aard der liefde aanneemt als broeders van hetzelfde huis, en van elkander gelooft dat men da eere Gods en van Zion op het oog heeft en dat men deleer, tucht en dienst der Gereformeerde kerk lief heeft, dan mag men niet aannemen, dat iets de vereeniging der beide kerkgroepen op den duur verhinderen kan.

Japan. Verhouding der zendelingen tot de kerk van Christus in Japan. Door den zendeling A. Pieters is een brochure geschreven, getiteld: „The relations between the Church of Christ in Japan and the Missions of the Presbyterian and Reformed Churches in America, " (de betrekkingen tusschen de kerk van Christus in Japan en de zending van de Presbyteriaansche en Gereformeerde kerk in Amerika). Uit dat geschrift blijkt, dat „de kerk van Christus in Japan", nog al een hoogen dunk van zich zelve heeft. Reeds van het jiar 1890 af SS zij geheel zelfstandig, geheel onafhankelijk van de zendelingen. De schrijver zegt, dat er onder de zendelingen maar één gevonden wordt, Dr. Imbrie, die op de Japanners invloed uitoefent. Het is een feit dat er een diepe kloof gaapt tusschen de zendelingen en de Japanners, die de kerk van Christus leiden. Zendelingen hebben zich bij hun arbeid te bepalen tot kleine kringetjes, die zij rondom zich weten te vergaderen, zij mogen zich bemoeien met allerlei philanthropisch werk, en zich ook bezig houden^ met scholen enz., maar met het bestuur der kerk hebben zij niets uit te staan.

Daarmede zijn echter de Japansche leiders der kerk nog niet tevreden. Zij meenen dat zij ook den zendingsarbeid beter kunnen verrichten dan de zendelingen. Alleen met het oog op de fondsen die onder het beheer der zendelingen staan, willen zij dat er samenwerking zal zijn tusschen de zending en de kerk van Japan, doch steeds zóo, dat als er Japanners en zendelingen in een zendingsvergadering zijn, alsdan de Japanners de meerderheid moeten vormen.

De schrijver heeft er bezwaar tegen, hierin de Japansche leiders van de kerk van Christus ter wille te zijn, omdat da zendelingen daardoor niet meer zouden kunnen waken voor de zuiverheid van de leer der kerk. Die belijdenis is al mager genoeg, maar het zal volgens don schrijver moeilijk vallen, om ook die elementaire belijdenis vast te houden, wanneer de zendelingen van hun invloed worden beroofd.

Da onderhandelingen tusschen de kerk en de zending duren nog voort. Het zal tot een compromis moeten komen, wil de vrede be waard blijven. Laat ons met den zendeling Pieters hopen, dat daarbij geen beginselen opgeofferd worden.

Wij voor ons meenen, dat wanneer de Japansche Christelijke kerk meent geheel zelfstandig te kunnen optreden, zij ook den geldelijke» steun der moederkerk niet meer moet begeeren. Wel kan zulk een kerk, evenals de Belgische zendingskerk, onderstand ontvangen van Christenen in het buitenland, die haar ia haar strijd voor de uitbreiding van Gods koninkrijk willen steunen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Buitenland

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 september 1907

De Heraut | 4 Pagina's