„De Heere zal het zien en zoeken”.
Zoo gedacht de koning Jóas niet der weldadigheid, die zijn vader Jójada aan hem gedaan had, maar doodde zijnen zoon; dewelke, als hij stierf, zeide: e Heere zal het zien en zoeken. [2 Kron, 24:22.
Dat angstig-ernstig woord: De Heere zal V zien en zoeken! is de stervenskreet van een priesterzoon die door zijn Koning vermoord werd; vermoord vlak bij den tempel; nog binnen de omtuining van den Voorhof. Zacharias was zijn naam, en het was Koning Joas van wien het bevel om hem te steenigen, uitging.
Een gerechtelijke moord, driewerf van God gevloekt.Want deze priesterzoon stierf „in zijn rechtvaardig bloed", zooals Jezus het uitdrukt; niets had hij misdreven. Bovendien was het de vader van dien priesterzoon, die Joag tot het Koningschap had verheven. En tot overmaat van schuld, werden de doodaanbrengende steenen Zicharias tegen de borst en naar het hoofd geslingerd, omdat hij getuigen dorst tegen 'sKonings af zwenking naar de afgoderij.
Er was moord voor recht, er was wreedheid voor dank, er sprak woede in dien moord tegen het Heilige Gods, En het was uit het geweldige, het bittere, maar machtelooze opbruisen van een stervende tegen dezen drievoudigen gruwel, dat het woord der wrake opkwam, door hem, toen hij in zijn bloed neerzonk, zijn beulen toegeroepen: „De Heere zal '/ zien en zoeken!”
Sabad en Jozabad, de één uit Ammonitisch
de ander uit Moabitisch bloed, hebben den dood van Zacharias opiettelijk en eigenhandig aan Koning Joas gewroken. Toen Jcas machteloos op zijn krankbed lag, zijn ze zijn slaapkamer binnen geslopen, en hebben hem op zijn eigen legerstede omgebsacht. Maar niet dit was het, wat Zacharias in zijn bitteren kreet om wraak betuigd had. Hij riep er niet om, dat zijn vrienden of magen, dat zijn broeders of zijn zonen de wrake aan Joas voltrekken zouden. Hij sprak niet van menschen, maar stortte stervend zijn ziel uit in de verwachting, dat „(/^ Heere het aanzag en zou zoeken."
Zacharias zoek in, hij stor.te neer, hij voelde dat met nog één worp de lampe zijner ziel zou zijn uitgeblazen. Tegen doen kon hij niets, en toch voelde hij tot in het diepst zijner ziel, dat hier het heiligst recht geschonden, daf hier een laaghartige moord gepleegd werd, dat het hier tegen Gods heiligheid. Hem ten hoon, vlak bij zijn tempel in ging. Ia zulk een oogenblik is al wat aan het slachtoffer van den gruwel blijft, zijn mond, zijn tong, zijn woord. Macht tegen macht stellen, kan zulk een slachtoffer niet. Maar 'c woord kan uitgaan en vlijmen. Vlijmen in het eerbesef, als het een woord van schimp en schelden is. Maar het kan ook vlijmen in de conscientie, als 't ciet schimpt, maar sorijut in het hart van den zijn geweten verkrachteoden beul.
En zóó was Zacharias uitroep. Hij schold niet en vloekte niet. Geen hard woord kwam over zijn lippen. Maar hij greep de slippen van het kleed van zijn God aan. Hij voelde, dat Gods heilig oog van toorn vlamde tegen zijn overweldigers; En al hield die God nu zijn heiligen toorn in, en al liet Hij den moord toe, het zou met dien moord niet uit zijn. De wrake Gods over zulk een gruwel mocht toeven, maar zou niet uitblijven.
E a dit riep hij zijn m3ordenaars toe toen hij stervend kreunde: „De Heere zal het zien en zoekend
Giat dit in tegen Jezus' kruiswoord: „Vader, vergeef het hun, want ze weten niet wat ze doen"?
Hat blijfc er beneden. In Jezus bede pleit wie voor overmacht bezwijkt, nog voor den geweldenaar, die geniet in zijn sterven. Dit staat hooger, veel hooger. Maar ingaan tegen hetgeen Zacharias uitriep, doet het niet. Of heeft niet Jezus, even snijdend als Zacharias, het aan Jerusalem betuigd: „Opdat over u kome al het rechtvaardige bloed dat vergoten is op de aarde, van het bloed des rechtvaardigen Abels af."
Wat na Kaïns doodslag Jehova zelt tot den eersten moordenaar sprak: „Daar is een stem des bloeds die tot Mij roept van den aardbodem, " en wat de Schrift gedurig getuigt, dat het bloed der martelaren uit den aardbodem tot God om wrake roept, is niet anders dan de kreet om het recht, die zich niet laat smoren. Zelfs uit de gezaligden voor den Troon, gaat in het visioen op Pathmos nog het geroep op tot het Lam; „Hoe lang, o, heilige en waarachtige, wreekt gij ons bloed niet van degenen die op de aarde wonen! „En dit wraakgeroep wordt niet bestraft en afgeweken. Alleen werd hun aangezegd, dat de wrake nog toeven zou.
Die vaste, diepgewortelde en onwankelbare overtuiging, dat de schending, krenking en verbreking van het recht eens rechtsherstel erlangen zal, kan niet piijsgegeven, of ge geeft uw geloof in een rechtvaardigen Rechter van hemel en aarde prijs.
Als in' Gods bestel de gerechte straf later niet zou , volgen, dan moest door Gods Almacht de schending van het recht hier gestuit, tegengegaan en verhinderd worden. Maar dat geschiedt niet. Vaak wel, maar lang niet immer. Keer op keer lijdt de onschuld, triomfeert de boosheid, wordt alle recht met voeten getreden, en gaat, wie zicti aan Gods recht hield, onder. En dat woelt en woelt zoo voort, niet omdat God 't niet kan verhinderen, maar omdat het zijn ondoorgrondelijk bestel aldus behaagt. Het is de donkere gang van het Gc-dsbestuur, die in het Kruis van Golgotha zijn ontzettendste openbaring vindt.
Maar dat dulden, rat gedoogen, dat laten begaan van zoo stuitende ongerechtigheid is in een gerechtig en almachtig God alleen dan voor uw geloof bestaanbaar, zoo het slechts uitstel van de wrake Gods aankondigt.
Het kruis van Golgotha is aan Jerusalem zelf, reeds één menschenleven na Jezus sterven, zoo ontzettend gewroken. Heel de Schrift betuigt ons, dat eens een iegelijk zal wegdragen, wat hij in dit leven gedaan heeft. En Jezus zelf heeft niet minder beslist en scherp dan alle psalmisten en profeten, die komende wrake onzes Gods door zijn woord bezegeld.
Het is en het blijft, zooals Zacharias het uitriep : De Heere zal 't zien en zoeken.
Dit aangrijpend woord blijft daarom ook nu nog het woord der bemoediging en vertroosting voor een iegelijk, die ook in ons midden on recht lijdt en zijn recht ziet vertreden. Dit moge thans, onder ons, minder ruw en minder geweldig toegaan, maar gekrenkt wordt het recht ook onder ons, en maar al te vaak hebben nu nog niet de onnoozlen en onschuldigen, maar zij die God in het onrecht tergen, verzekerdheden.
En alle krenking van uw recht door list of overmacht, kwetst u in de ziel, volstrekt niet alleen om de schade die ge lijdt, of om het verdriet dat men u aandoet, maar eerst en meest zelfs, omdat u uw recht wordt onthouden, of erger nog, omdat uw recht, dat gij 't moet aanzien, met voelen getreden wordt.
Niet zelden ook de grooten, maar vooral de kleinen naar de wereld lijden hieronder, soms zelfs de zwakkere vrouw van haar eigen man, het kind van zijn eigen vader.
Dit is wreed voor 't hart. Dit doet pijn. Het gewonde hart kan er niet in rusten. Ea dan komt uit dat gewonde hart zoo licht een woeling op, om zelf zijneigen rechter te zijn', en zelf zijn rechtskrenking te wreken. Uiting van ongeloof. B'ijk dat men niet op zijn God vertrouwt. Teeken, dat men het niet in Gods hand stelt. En A\X men zich niet vastklemt aan Gods Woord: „Mijne is de wrake".
En daartegen gaat nu Zacharias uitroep in. Niet gij. God zal voor het recht intreden. Hoe vergeten ge ook zijt, God ziet en zal zien wat u aangedaan wordt, en Hij zal 't zoeken.
En wie dat gelooft, belijdt en betuigt, die rust er in, die voelt hoe de oliedrup der genade het schrijnen van de wonde van zijn hart verzacht. Die geeft het aan zijn God over, en is zelf getroost en stil.
Maar in diezelfde woorden van Zacharias: „God zal het zien en zoeken", spreekt ook een zieldoordringend vermaan voor u, zoo dikwijls ge u zelf zoudt vergrijpen, toegevend aan zondig bedoelen, en ge anderen doet lijden, omdat ze niet tegen u opkunnen, en ge ze in uw macht hebt, denkende dat het toch niet uitkomt, en dat de verborgenheid van uw kwaad u ten schild zal zijn. )
Denk daarbij nu niet aan moord en doodslag, niet allereerst aan groote, aan grof erger lijke dingen, maar pas het toe op al die kleine ongerechtigheden, die zoo gedurig het leven vergallen, het gemoed verbitteren, en, al komen ze voor de wereld niet uit, toch wel degelijk krenkingen van het heilig recht van uw God zijn. Pas het toe op al die kleine ongerechtig heden, die in het stille gezin tusscaeu man en vrouw, tusschen ouders en kinderen, tusschen heeren en dienstbaren voorkomen. Pas het toe op al die kleine ongerechtigheden, die hét leven op de beurs en in den handel vergiftigen. Op al die ongerechtigheden, die men zich in de bejegening van personen, in de uitwijzing van geschillen, in de behandeling van zaken veroorlooft. Al te gader, al is 't op kleine sctiaal, krenkingen, schendingen van het recht, van het deugdelijk recht, dat, omdat we naar Gods beeld geschapen zijn, in allen omgang van menschen onder elkaar voor Gods heilig oog heerschen moet.
Dat doet men dan, en denkt, er komt toch nieta van, en niemand kan er n ij iets over maken, en men ziet de tranen niet die er om ons onrecht worden geschreid, en men voelt niets meê van de wonde die we sloegen.
En dat alles, omdat men met zijn God niet rekent. Er niet voor terugdeinst dat God 't alles ziet, doorziet tot in de kleinste rechtsschending, en niet gelooft dat God ook de tranen van die gekreckten saamleest in zijn flesch, en dat eens de dag komt, waarop God tot zelfs de kleinste scnending van het recht, die ge aandorst, zoeken en wreken zal.
Hij, wiea die uitroep van den stervenden Zacharias eenmaal diep in de consciencie doordrong, die kan geen onrecht doen en .éa; ? in geen onrecht bewilligen.
Wie den Heere vreest die 't ziet en 't zoeken zal, huivert terug voor al wat anderer recht zou schenden.
Liever elk offer gebracht, dan dat onze hand zich aan het recht van den zwakke, dat altoos Gods recht is, vergrijpen zou!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 13 oktober 1907
De Heraut | 4 Pagina's