Pro Kege
TWEEDE REEKS.
VI.
Alzoo is er ook geschreven: De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel; de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest, i Cor. 15 : 45.
Draagt nu het Koningschap van Christus eenerzij ds een algemeen menschelijk en dus geen nationaal-Joodsch, en anderzijds een organisch karakter, dan rijst hier een moeilijkheid, die nadere bespreking eischt. Het organisch verband namelijk tusschen het Hoofd en de leden van het mystieke Lichaam bestaat, als zoodanig, alleen tusschen den Christus en tusschen diegenen uit de kinderen der menschen, die Hem van den Vader gegeven zijn. Al verbreedt men dit nu tot den kring der belijders, dan vormen toch alle Christusbelijders saam nog geen vierde deel van de gezamenlijke inwoners dezer wereld. Het is < alzoo, hoe ruim en mild ook opgevat, niet dan een betrekkelijk klein deel der menschheid, waarmee de Christus in dit organisch verband van het mystieke lichaam staat. En zoo is de vraag niet te onderdrukken, hoe dit beperkt organisch verband te rijmen is met het algemeen menschelijk karakter van zijn Koningschap.
Dit vraagstuk heeft de apostel Paulus in de voorstelling van den eersten en den tweeden Adam verklaard. De naam Adam wordt daarbij door hem gebezigd in den zin van een geslachtshoofd, dat voortleeft in geheel het geslacht, dat aan zijn type beantwoordt. Hoor slechts wat de apostel ons desaangaande betuigt. Hij stelt tweeërlei geslachtshoofd, die hij aanduidt als den eersten en den laatsten Adam, en deze twee zijn hierin verschillend, dat de eerste geworden is tot een levende ziel, de tweede tot een levendmaktnécri geest. En dan voegt hij er bij, dat hij handelt van den eersten mensch Adam, en in aansluiting hieraan, van Acn tweeden Ad3.m, ten einde wel te doen uitkomen dat hij een heilige zaak bespreekt, die heel oasmenschelyk geslacht aangaat. De oorzaak nu van het verschil tusschen den eersten en den tweeden Adam als geslachtshoofd, bestaat hierin, dat de eerste mensch uit de aarde aardsch was, en dat de tweede mensch is de Heere uit den hemel. Uit beide deze Adams, zoo vervolgt hij. komt nu een menschelijk geslacht op. „Hoedanig de aardsche Adam was, zoodanig zijn ook'de aardsche menschen, en hoedanig de hemelsche Adam is, zoodanig zijn ook de hemelsche menschen." — Geldt dit nu de ééne en de andere maal van verschillende personen, zoodat men zeggen kan: Er zijn menschen die bij Adam I, en er zijn andere menschen die bij Adam II hooren.' Neen, niet alzoo. Er wordt niemand, die uit den dood in het leven overging, onder den tweeden Adam gerekend, of van nature rekende hij onder den eersten Adam, Paulus zelf erkent, dat ook hij eerst het beeld van den eersten Adam gedragen heeft, hij en alle Christenen met hem, maar dat allen die Jezus toebehooren, nu ook even goed het beeld van den tweeden Adam zullen dragen. Ze dragen dit nieuwe beeld reeds in de ziel, maar ze zullen bet eens ook dragen naar het lichaam; want heelde uiteenzetting over den tweeden Adam komt in I Cor. 15 voor, en in dit rijke kapittel is de opstanding der dooden het machtig onderwerp, In haar samenhang en verband luidt de geheele pericoop of zinsnede aldus: „Alzoo is er ook geschreven: De eerste mensch Adam is geworden tot eene levende ziel; de laatste Adam tot eenen levendmakenden geest. Maar het geestelijke is niet eerst, doch het natuurlijke, daarna het geestelijke. De eerste mensch is uit de aarde, aardsch; de tweede mensch is de Heere uit den hemel. Hoedanig de aardsche is, zoodanige zijn ook de aardschen; en hoedanig de hemelsche is, zoodanig zijn ook de hemelschen. En gelijkerwijs wij het beeld des aardschen gedragen hebben, alzoo zullen wij ook het beeld des hemelschen dragen. Doch dit zeg ik broeders, dat vieesch en bloed het koninkrijk Gods niet beërven kunnen, en de verderfelijkheid beërft de onverderfelijkheid niet.
Bedoeld is alzoo een gedaanteverwisseling in den aard van ons menschelijk geslacht, die het best te vergelijken is met het enten van een edele loot op een wilden stam. Niet alsof dit volkomen gelijk stond, maar voor zooveel een beeld dit kan, heldert het ons het onderscheid toch op. Op een boom die van nature wild was, ent men zorgvuldig een loot van een edeler stam, en besnoeit het wilde uitschot. Die edele loot trekt nu het levenssap uit den wilden stam tot zich en zet 't om in edel sap. Hierdoor groeit de loot en zet zich uit, en vormt nieuwe takken en twijgen, nieuw blad, nieuw bloeisel en nieuwe vrucht. En geheel dat nieuwe gewas draagt nu het karakter van de edeler loot, en, kon het levenssap van dien nieuwen uitwas op de edeler loot spreken, zoo zou ook hier te zeggen zijn: „Ik was uit den wilden stam wild, maar de levendmakende, de veredelende geest van de edele loot bracht te weeg, dat ik nu van zelf de edele qualiteit van de edeler loot bezit". En zoo uu ook gaat het bij de redding van ons menschelijk geslacht, niet om de enkele takken of bladeren, maar om het behoud en de redding van den stam. Met eiken herfst sterft het blad aan de takken weg, en worden die takken zelf besnoeid, maar de stam, de boom blijft een en dezelfde, hetzelfde organisme. Vergelijkt men nu ook de menschheid en ons menschelijk geslacht met zulk een stamboom, dan is hel ook hier niet de vraag, wat er met elke twijg en met elk blad en met eiken bloesem geschiedt, maar alleen: hoe het den stamboom zelf van ons menschelijk geslacht vergaat. En gelijk nu bij den geënten boom niet de wilde takken die nog van onderen uitschieten, maar alleen hetgeen op de edeler loot wast, voor den aard en de soort en het behoud van den boom beslist, zoo ook beslist voor het behoud en voor de eeuwige toekomst van ons menschelijk geslacht, niet wat er gebeurt met hetgeen nog aan den v/ilden stam beneden uitbot, maar alleen datgene, dat hoog uitbot uit de edeler loot. Men zou dus kunnen zeggen: De Christus is als tweede Adam op den oorspronkelijk goeden, maar wild geworden stam van het menschelijk geslacht geënt. Vrucht en gevolg van die enting is, dat al wat uitschiet en uitbot boven het punt waar de enting plaats greep, nu het karakter vertoont waardoor de edeler loot zich van den wilden stam onderscheidt. Christus is de levendmakende geest, die in nieuwe uitbotsels zijn geest in brengt. En van het oogenblik af, dat die enting plaats greep, rekent nu de hemelsche gaardenier dien boom niet meer voor wild, maar voor edel, en richt zich niet meer naar het uitgroeisel van den wortel, maar naar het fijne uitbotsel uit de geënte loot. Het menschelijk geslacht, zooals het voor God geldt, rekent alzoo niet meer naar den wilden stam uit den eersten, maar naar het edele uitbotsel uit den tweeden Adam. Er heeft een overgang, een wijziging, een gedaantewisseling plaats. De oude stam was het menschelijk geslacht, maar van nu af is ons menschelijk geslacht hetgeen groeit aan het geënte deel van den boom. En hierbij is dit het opmerkelijke, dat het nieuwe leven niet als een nieuwe stek naast den ouden wilden boom wordt geplant, maar dat het nieuwe leven opgroeit uit het oude leven, en de levenssappen van den ouden stam naar zich toezuigt, om ze in nieuw, edel soort om te zetten.
Geen enkele kracht uit de oorspronkelijke schepping van ons menschelijk geslacht wordt dus prijsgegeven of te niet gedaan. Te niet gedaan wordt alleen het karakter van wild, dat heel ons leven tengevolge van de zonde had aangenomen; maar het leven zelf, met al zijn sappen en al zijn krachten, blijft. Het natuurlijk leven uit den eersten Adam kon, omdat het verwilderd is, den aard van ons leven niet meer beheerschen. Al wat in ons menschelijk geslacht nog dien wilden aard draagt, en daarin volhardt, en weigert zich door het entsel van de edele loot in edeler takken en bladen en vruchten te laten omzetten, heeft afgedaan, telc niet meer meê, lost zich op en is ten doode gewijd. Beheerschend en toongevend en den aard van het leven van ons geslacht bepalend, is alzoo vanhet oogenblik der enting af niet meer de eerste Adam, maar de tweede. De eerste Adam, wiens uitspruitsel verwilderd was, heeft afgedaan, en zijn plaats als geslachtshoofd wordt thans door den tweeden Adam ingenomen. Stond nu het eerste geslachtshoofd aan den aanvang, aan het begin, toen ons menschelijk geslacht pas geschapen was en opkwam, de tweede Adam, de Christus, als tweede geslachtshoofd, komt eerst in het midden van den groei in ons geslacht in, ^Hij neemt onze natuur aan. Hij wordt op den ouden Adamschen stam geënt. Maar van het oogenblik af, dat die enting volbracht is, groeit het nieuwe uitbotsel niet meer in de lijn van den eersten, maar in conformiteit met den tweeden Adam. Eerst is dit dan wel klein, nauwelijks merkbaar en nietig. Wie er geen oog voor heeft en er niets van weet, merkt 't zelfs niet, als een opgeschoten stam geënt is, zoo klein en onooglijk is dit entsel. Maar gaandeweg wint én de edele loot én wat er uit opschiet, ! aan kracht, en als straks de gaardenier a de wilde takken aan den ouden stam wegsnoeit, groeit het nieuwe entsel al breeder uit, en dan wordt dit nieuwe entsel de eigenlijke boom. Nu gaat bij breedere uitwerking elke vergelijking, enzooooki'cic vergelijking, mank, in zooverre het wegsnoeien van het uitbotsel aan den ouden wilden stam, bij ons menschelijk geslacht niet in den tijd, maar eerst in den dag des oordeels zal plaats hebben. Maar is het daar eens aan toegekomen, en worden de wilde takken voorgoed wcggekapt, dan blijft de boom, de stam, dan blijft het menschelijk geslacht in zijn edeler, uit het entsel opgekomen deel behouden. De wilde takken, niet de boom gaat verloren. En voor zooveel er ten eeuwigen verderve gaan, zijn dit altoos slechts losse takken en twijgen, en is dit nooit de boom zelf. Wat verloren gaat valt van het menschelijk geslacht af, en het menschelijk geslacht, Gods edelste schepping, blijft, tenge volge van de enting, voor eeuwig behouden.
Al is het dus, dat Christus als het Hoofd van het mystieke Lichaam alleen tot die personen in organisch verband staat, die uit den dood in het leven zijn overgegaan, toch vindt Hij in die organische aansluiting 'aan het ten leven gekomen deel der mensch heid, tevens zijn organisch verband met ^f^/ ons menschelijk geslacht, en dat wel om de afdoende reden dat alleen wat ten leven komt, leeft. Wat niet ten leven komt, maar in den dood blijft, gaat over in een staat van ontbinding, enrekentten slotte voor het levende menscheiijke geslacht, gelijk dit voor God geldt, niet meer meê. Toch blijft de edele loot de levenssappen uit den wilden stam naar zich toe trekken, en zoo ook laat de Christus den stam van ons geslacht niet varen, maar trekt alle krachten en talenten, die bij de schepping door God in ons geslacht zijn gelegd, naar zich toe. Zijn levendmakende geest gaat niet alleen oyer de personen die geroepen zijn, maar ook over dier krachten en talenten uit. Onderscheidt men alzoo in die geslachten ten eerste de personen, en ten tweede de krachten en talenten, dan is de uitkomst, dat de Christus, als de tweedeAdam, door zijn levendmakenden geest het nieuw geslachtshoofd is, dat ons menschelijk geslacht èn in de geroepen personen èn in de krachten, gaven en talenten behoudt, vernieuwt en in hooger leven doet opbloeien.
Averechts en af te wijzen is daarom de voorstelling, alsof de Christus enkele takken ter behoudenis van ons menschelijk geslacht afneemt, om ze, als individuen en als op zich zelf staande personen, ten eeuwigen leven te redden, en voorts het menschelijk geslacht, met al de garen en talenten, die God in ons geslacht inschiep, prijs te geven en ten verderve te wijden. Niet maar enkele personen zijn het, het is een lichaam, een organisch verbonden geheel, dat gered wordt, en dat organisch lichaam is onder den Christus, als het nieuw Geslachtshoofd, het eigenlijke menschelijk geslacht, waarvan wel individuen kunnen afvallen, maar dat als geslacht, als eenheid, als organisch Lichaam behouden blijft. Een ailesbeheerschend feit, dat eerst aan het eind der dagen voor aller oog openbaar zal worden; een feit dat nu nog in tegenspraak schijnt met wat we voor oogen zien; maar een feit dat niettemin 2ÓÓ en niet anders kan of mag worden opgevat, zoo men met den apostel Paulus, den Christus als den tweeden Adam., d. i. als het nieuwe Geslachtshoofd, eert.
Toch is hiermee nog niet genoeg gezegd. Zonder meer toch zou men deze inwerking van Jezus op ons menschelijk geslacht nog vergelijken kunnen met den invloed, dien elk groot en machtig hervormer op den gang van het leven uitoefent. De Schrift wijst ons daarom ter vastlegging van het organisch verband tusschen ons en den Christus nog op tweeërlei. Ten eerste op zijn Verrijzenis uit den dood, en ten tweede op zijn Eeuwig Zoonschap,
De Christus is „de eerstgeborene onder vele broederen, " en ook in dit opzicht heet Hij de tweede Adam, De eerste Adam heeft over al zijn nakomelingen, en alzoo over heel ons menschelijk geslacht, den dood gebracht, en hiertegenover heeft de tweede Adam het leven aan het Ucht gebracht, waarin het. menschelijk geslacht, Gode tot eere, weer moet opbloeien. En ook hier is organische verwantschap. De eerste Adam geeft ons het leven dat we van nature bezitten, maar over dat natuurlijke leven hangt de schaduw des doods. De tweede Adam geeft insgelijks het leven, maar een leven dat boven den dood verheven is, en alzoo het karakter draagt van onvergankelijk en onverderfelijk te zijn. Dit over den dood triomfeerende leven nu heeft Christus door zijn verrijzenis aan het licht gebracht, en wel door de kracht des Geestes, en het is ditzelfde nieuwverworven verrijzenisleven, dat hij thans door den Geest Aanvragen en vermelding van aan de zijnen mededeelt. Dit nieuwe leven ontvangen de zijnen niet van elders, maar uit hem. Was nu de eerste Adam ons Geslachtshoofd, omdat hij aan het menschelijk geslacht het leven uit zijn lenden gaf, evenzoo, en in veel hooger zin, is Christus, de tweede Adam, thans het Geslachtshoofd der vernieuwde menscheid, omda, t hij ons evenzoo het leven geeft, en dit leven geeft uit zichzelf, maar het geeft als leven van onverderfelijk karakter, Adam is als Geslachtshoofd vervallen, omdat hij door zijn val< /j« dood deed insluipen in het uit hem aan zijn geslacht toekomend leven, en Christus blijft tiet Hoofd van het menschelijk geslacht, omdat hij de kiem des doods in het natuurlijk leven te niet deed, en nu het leven zelf verhoogde en vernieuwde, zoodat het niet meer ondergaan kan. Eerst zoo verstaat men den diepen zin van Paulus verklaring : „Christus is opgewekt uit de dooden en is de eersteling geworden dergenen die ontslapen zijn. Want dewijl de dood door een mensch, d, i, door menschelijk toedoen, in ons geslacht is ingekomen, zoo is ook de opstanding der dooden door een mensch (let wel, er staat niet door één mensch) tot stand gebracht. Want gelijk ze allen in Adam sterven, alzoo zullen ze ook in Christus allen levend genaakt worden". Allen namelijk die tot de geredde en herstelde menschheid zullen blijken te behooren. Maar hiervoor is een regel gesteld, t, w. een iegelijk wordt levend gemaakt in zi/n orde, de eersteling Christus, daarna die van Christus zijn; maar zoo, dat dit eerst uitkomt in zijn toekomst. Adam de eersteling ia het natuurlijk leven, maar dan ook de eersteling in de zonde en in den dood, Christus, de tweede Adam, de eersteling in het geestelijk leven en de eersteling in de komende heerlijkheid. Hetgeen alles door den Apostel aldus in zijn brief aan die van Colossensen wordtsaamgevat: „Hij is het Hoofd des lichaams, namelijk der gemeente, hij die het begin is, de eerstgeborene uit de dooden, opdat hij in alles de eerste zou zijn". Het oogenblik zelf, waarop deze gedaantewisseling van ons menscbelijk geslacht plaats had, wordt alzoo nauwkeurig aangegeven. Het was nog niet bij Bethlehem, het was niet op Golgotha, het trad eerst in toen Christus verrees uit het graf en over den dood triomfeerde. In zijn verrijzenis brak het nieuwe leven door. Eerst moest de zonde te niet gedaan op Golgotha, en toen eerst kon de Dood overwonnen worden bij het geopend graf. En nu ontvangen de overige leden van het Lichaam dit nieuwe leven niet elk op zichzelf, evenals Christus het ontving, maar ze ontvangen het uit Hem. Het is zijn nieuw leven, dat hij aan de zijnen mededeelt, en hierdoor vormt hij het mystieke Lichaam,
Toch laat de Schrift de kiemen en de vezelen voor het organisch verband tusschen Christus en de nieuwe menschheid uit nog dieper grond opkomen. Hij is de tweede Adam, omdat Hij de verwekker is van het nieuwe leven in onze menschheid, gelijk Adam, uit het Paradijs verdreven, straks de verwekker werd van het natuurlijk leven in heel ons geslacht; maar hij is meer. Wel is hij met Adam als levensverwekker, en dienvolgens als geslachtshoofd, te vergelijken, maar hier komt iets bij, waardoor de Christus verre boven den eersten Adam uitgaat. De apostel drukt dit aldus uit: „Hij is vóór alle dingen en alle dingen bestaan te zaam door Hem". Hij is daarom vóór Adam en ook Adam bestond door Hem, en is door Hem het eerste hoofd van ons geslacht geworden, „want, — aldus heet het in Coloss. ; 16, — door Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, die zienlijk en onzienlijk zijn, en alle deze dingen, en dus ook ons menschelijk geslacht, en ook de eerste Adam zijn niet alleen door Hem, .maar ook tot Hem geschapen, " Immers „het is des Vaders welbehagen geweest, dat in Hem de volheid, d. i, de volheid van alle kracht en mogendheid, wonen zou, "
Hierdoor nu ontvangt het „organisch verband", waarin de Christus tot de her g boren menschheid staat, een nog veel dieperen grond. Alle macht en zeggenschap p over alle creatuur komt Hem toch toe, omdat wie almachtig en vrij mach tig schept, k heer en meester is over wat hij schept, v om daarmede te doen en te handelen naar zijn welgevallen. Naar de Goddelijke ordinantie ligt alzoo de wortel waaruit het organisch verband tugschen God Drieëenig en het Creatuur opkomt, in het feit der Schepping zelve. Wat het bestaan en voortbestaan van het creatuur, zijn zijn en zóó-zijn aan zijn Schepper dankt, is in zijn existentie zelve organisch! aan zijn God verbonden. Scheppen is geen nabootsen, scheppen is geen knutselen, gelijk wij menschen stoffelijk en geestelijk allerlei dingen weten voort te liefdegaven / —.12 per regel. brengen. Scheppen is rechtstreeks voort doen komen uit wijsheid, wil en mogendheid, d. i. uit de „deugden des Heeren". Nu zijn die „deugden des Heeren" alle geestelijk van aard, In het geestelijke Goua ligt alzoo de wortel en oorzaak van alle creatuurlrjke existentie, zoowel stoffelijk als geestelijk, ea het verband is hier derhalve nooit mechanisch gelegd, maar uit de existentie zelve opgekomen, en alzoo organisch.
En geheel deze zelfde norma past nu de Schrift ook op den band toe die ons aan den Christus, als den verwekker van het nieuwe leven in ons menschelijk geslacht, zoodra hij gelegd is, voor eeuwig verbindt. De Christus is, wat het type aangaat, niet maar een wetgever als Mozes, niet maar een profeet als Elia of Jesaia, en ook niet een patriarch als Abraham, de vader aller geloovigen, Hij is meer. Hij staat veel hooger. „Eer Abraham was, ben ik", betuigde de Christus zelf. Hij is vóór alle schepsel. Ook vóór Adam; en zoo we op den diepsten wortel teruggaan, waaruit met alle dingen, ook ons menschelijk geslacht is opgebloeid, dan kunnen we niet bij Adam blijven staan, maar moeten we achter Adam op den Christus teruggaan. Dan is het niet de Christus, die eerst later, in het midden der historie, op den stam van ons geslacht wordt ingeënt, maar dan was heel ons menschelijk geslacht, reeds terstond na de ure der Schepping, organisch met het Eeuwige Woord verbonden. Het nieuwe leven is alzoo ingeënt, niet op een stam die aan den Christus vreemd was, maar op een stam dien Hij zelf geplant had. En het is daarom dat de apostel Johannes zijn Evangelie, dat is de blijde boodschap des heils, inleidt met de plechtige betuiging: „In den beginne was het Woord, én het Woord was bij God en was God. Alle dingen zijn door dit Woord gemaakt, en zonder dit Woord is geen ding gemaakt dat gemaakt is." En dan heet het met name: „In dat Woord was het leven, en dat leven wa^ het licht der menschen." Dat Woord nu is vieesch geworden, en heeft onder ons gewoond. En dat vleeschgeworden Woord is de Christus, die straks betuigt: „Ik ben de Wijnstok en gij zijt de ranken, "
Het organisch verband van het Koningschap van Christus met de herboren menschheid en met ons menschelijk geslacht, gelijk het eens in heerlijkheid schitteren zal, heeft alzoo drieërlei gradatie, ie. Het meest zichtbaar komt het uit ia den band, die in het mystieke Lichaam het Hoofd met de leden verbindt, 2e, Dieper opgevat vindt dat mystieke Lichaam zijn oorsprong in het nieuwe leven, dat Jezus door zijn verrijzenis aan het licht heeft gebracht, en nu op den stam van ons geslacht geënt heeft. Maar 3e. het diepst van al vindt dat organisch verband, zoowel wat het mystieke Lichaam, als wat het Verrijzenisleven aangaat, zijn grond en verklaring daarin, dat onze Koning het Eeuwige Woord is, en dat, mèt alle dingen, ook ons menschelijk geslacht, en al wat aan dit menschelijk geslacht ate geestelijke schat is toevertrouwd, door Hem geschapen is.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1907
De Heraut | 4 Pagina's