Ds, Sikkel klaagt
Ds, Sikkel klaagt in Hollandia, dat we bij onze bestrijding van zijn voorstel om de predikantstraktementen door den Staat te laten betalen, zqn blad niet met name genoemd hebben; wat hem in strijd schijnt met de goede persmanieren, waarvan De Heraut vroeger steeds zulk een uitnemend voorbeeld gaf. Voorts betreurt hij, dat we in plaats van principieel in te gaan op de door hem aangevoerde argumenten, ons beperkten tot een - bloote afkeuring van zijn voorstel. Terwijl hij eindelijk er aan toevoegt, dat De Heraut de vrijheid, die onder mannen en vooral onder Gereformeerden voegt, om van elkanders overtuiging af te wijken, niet heeftgeeerbiedigd. Niet onduidelijk wordt ons daarbij zelfs de zonde van doodslag ten laste gelegd, „Anders, zoo zegt Ds, Sikkel, dooden wij, wat God wil dat leven zal, en ook dit doodslaan is zonde."
Nu danken we Ds. Sikkel, dat hij van zijn hart geen moordkuil heeft gemaakt en deze bezwaren openlijk heeft uitgesproken. Een misverstand, dat anders licht een wortel van bitterheid had achtergelaten, kan daardoor te gemakkelijker uit den weg worden geruimd. En onze bedoeling was allerminst om Ds, Sikkel persoonlijk te krenken.
Integendeel, met opzet hebben we noch den naam van zijn blad noch den naam van zijn persoon genoemd, om eiken schijn van persoonlijke critiek te vermijden, In dezelfde leerschool, waarop Ds, Sikkel zich beroept, is ons geleerd, dat bij critiek op afwijkende meeningen in^2^«« kring, zooveel mogelijk het noemen van namen moet gemeden worden. En al betreuren we het, dat deze kieschheid van het broederhart door Ds. Sikkel in geheel verkeerden zin is uitgelegd, voor ons kan dit geen aanleiding wezen om ook in het vervolg van dezen welbeproefden regel af te wijken.
Anders staat het met de grief van Ds. Sikkel, dat we ons bepaalden tot een aanduiding van het ernstige gevaar, dat in zijn voorstel voor onze Kerken schuilt, in plaats van uitvoerig de argumenten te weerleggen, die hij voor dit voorstel heeft aangevoerd. Naar het ons voorkomt is de tijd daarvoor nog niet gekomen, en we willen eerlijk zeggen waarom. Tot dusverre gold in onze kringen als gemeenschappelijke overtuiging, dat elke subsidie van den Staat voor onze Kerken, in welken vorm ook, als gevaarlijk voor de vrijheid en zelfstandigheid der Kerken moest worden beschouwd. We weten natuurlijk uitnemend goed, dat we daarin afweken van het gevoelen onzer vaderen. Al mag er verschil bestaan over de vraag of in Art. 36 die Staatshulp ook in finantieden zin uitdrukkelijk is bedoeld, er is geen verschil over, dat onze vaderen die Staatshulp, niet alleen hebben gevraagd en aanvaard, maar zelfs wenschelijk hebben gekeurd en verdedigd. Maar juist de droeve ervaring van de slavernij, waarin onse Gereformeerde Kerken door die Staatssubsidie zijn gekomen, had ons de oogcn geopend voor het gevaar, dat in die zilveren koorde school. En we leerden dat gevaar niet alleen uit de historie kennen, we zagen het in de Hervormde Kerk, die niet door innerlijken band maar door die hulp van den Staat nog steeds in stand wordt gehouden.
Vandaar dat de leidslieden, die God de Heere ons schonk, van meet af in woord en schrift, door pers en vergadering diep de overtuiging in de ziel ons hebben geprent, dat Christus Kerk alleen dan in ware vrijheid haar eigen levensbeginsel handhaven kan, wanneer ze van den Staat ook finantieel onafhankelijk is. Op hoe menig punt er tusschen ons ook geschil was, hierover waren we het dusverre allen eens. Onze Kerken spraken dit meermalen als haar heilige overtuiging uit. Onze Antirevolutionnaire partij schreef het in haar program van beginselen. En zoo jaloersch waren we op deze vrijheid, dat toen in 1903 het gerucht liep, dat in de nieuwe wet op het Hooier Onderwijs sprake was van subsidie aan de Vrije Universiteit voor haar theologische faculteit, door de Kerken eenparig als eisch werd gesteld voor een eventueele saamsmelting met de Theologische School, dat van den Staat nooit eenige finantieele voordeelen mochten worden aanvaard, waardoor de School op wat wijze ook finantieel van de Overheid afhankelijk werd.
De voorstelling van Ds, Sikkel alsof het hier een particulier geschil betreft tusschen de Heraut en Hollandia, is derhalve niet juist. Ds. Sikkel is ingegaan tegen wat onze leidslieden ons geleerd heb{> en, wat onze Kerken hebben uitgesproken, wat geheel onze pers dusver heeft verdedigd. Het eenige blad, dat met instemming zijn artikelen overnam, was de Gereformeerde Kerk, het orgaan der Hoedemakeriaansche fractie. Vooral de verklaring van Ds. Sikkel, dat het spreken van de zilveren koorde, waarmee de predikanten in de Hervormdie Kerk gebonden waren, eigenlijk dwaasheid was, omdat hij zelf als predikant te Hylaard zoo goed als geen staatssubsidie genoten had, werd daar met gejuich begroet.
Nu gelooven we niet, dat ons Gereformeerde volk door het woord van Ds. Sikkel, hoe invloedrijk het ook wezen moge, van zijn dusver ingenomen standpunt zoo licht zal worden afgetrokken. Als het volgend jaar de Generale Synode te Amsterdam saamkomt en daar het voorstel aanhangig werd gemaakt om van den Staat subsidie voor onze predikantstractementen te vragen, hebben we het vaste vertrouwen, dat onze Kerken eenparig, evenals te Arnhem, dat voorstel zouden afwijzen. En omdat we in dat vertrouwen staan, achten we dat thans niet de tijd gekomen is om op de argumenten van Ds, Sikkel in te gaan. Een woord van waarschuwing scheen ons voldoende te zijn.
Daarbij komt, dat ook afgescheiden van de meerdere of mindere sympathie, waarmee de Kerken zelf dit voorstel ontvangen, wel niemand, die op politiek gebied thuis is, zich eenige illusie zal vormen, dat dit voorstel bij de regeering kans van slagen zou hebben. In alle landen en bij alle volkeren is er veeleer juist omgekeerd een sterke strooming merkbaar, om .alle staatssubsidie voor de Kerk af te schaffen. Zelfs al hadden we principieel geen bezwaar, dan zouden we toch dit voorstel ter zijde moeten leggen, omdat het naar onze overtuiging geen de minste kans op verwezenlijking heeft. Het zou alleen de energie onzer kerken dooven, ten gevolge hebben dat men in afwachting van de staatshulp zelf al minder ging geven, en daardoor de kwaal erger maken dan ze thans reeds is. En zelfs al gelukte het, door een tijdelijke meerderheid in de Tweede Kamer zulk een voorstel er door te krijgen, dan zouden onze Kerken er straks nog gevaarlijker aan toe zijn. Een andere regeering, door radicalen en socialisten aan het bewind gebracht, zou met éen slag al die subsidies kunnen intrekken, en de ellende, waarin de Roomsche Kerk in Frankrijk zich bevindt, nu ze, na eeuwen lang op den Staat te hebben geleund, thans plotseling voor de tractementen harer geestelijken zorgen moeten het volk het geven geheel ontwend is, leert ons maar al te bitter, welk een lot ook onzen predikanten dan te wachten zou staan.
De laatste vraag van Ds, Sikkel, of we als mannen en als Gereformeerden eikaars overtuiging niet te eerbiedigen hebben, is een vraag, die geen antwoord behoeft. Noch de Heraut noch een onzer kerkelijke organen heeft er aan gedacht, Ds. Sikkel te beletten zijn overtuiging uit te spreken. Wel zou de vraag kunnen gedaan worden, of Ds. Sikkel niet wijzer en voorzichtiger gedaan had met eerst in den kring dergenen, die door God als leidslieden aan ons volk geschonken zijn, deze denkbeelden te bespreken en te overwegen, voordat hij ze publiek eigendom maakte. Zelfs een man als Groen van Prinsterer heeft vooraf „zijn vrienden" steeds geraadpleegd, voordat hij met een nieuwe leuze optrad. En bij een zoo ingrijpend en belangrijk vraagstuk als door hem thans ter tafel is gebracht, wareeenig overleg van te voren waarlijk geen overbodige weelde geweest. Toch staat of valt Ds. Sikkel hierin zijn eigen heer. En de vrijheid om zijn overtuiging te propagandeeren, wordt hem door niemand betwist.
Maar die eerbiediging van een anders overtuiging brengt niet mede, dat we tegen het gevaarlijke van die overtuiging niet waarschuwen mogen. Ds. Sikkel is gee» privaat persoon, maar een publiek persoon. Hij heeft een eigen orgaan tot zijn dienst. Hij treedt op om de publieke opinie te leiden. Hij doet dit veelszins met ijver, met talent, met groote liefde voor onze beginselen. Maar juist daarom mag zijn woord, wanneer het naar onze overtuiging afleidt van het pad onzer beginselen en op een dwaalweg onze Kerken zou kunnen voeren, niet zonder protest blijven.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 27 oktober 1907
De Heraut | 4 Pagina's