Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Leestafel.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Leestafel.

10 minuten leestijd

I. De Nederlandsche Bijbel-Compagnie, te Amsterdam, J. BRANDT EN ZOON, te Haarlem JOHANNES ENSCHEDÉ EN ZONEN, zendt ons ter beoordeeÜDg een keurig gebonden, verguld-opsnee kerkboekje. Een uitgave van het Nieuwe Testament, de berijmde psalmen en daarachter „gedrukt onder toezicht van PROF. DR. F. L. RUTGERS, " de Formulieren van Eenigheid, de Liturgie met het Kort Begrip en de Ziekentroost. Het is zeker een goede gedachte van de uitgevers geweest om in een, voor ons gereformeerden bestemd, kerkboekje de Formulieren gedrukt onder toezicht van Prof. Rutgers te geven. PROF. RUTGERS bekende akribie toch biedt waarborg, dat wij hier van de Formulieren enz. den juisten tekst voor ons hebben.

En de uitgevers, wel wetend hoeveel gewicht wij gereformeerden aan het oordeel van PROF. RUTGERS hechten, hebben hem voor deze uitgave van de Formulieren en de Liturgie een testimonium gevraagd, dat hij niet nagelaten heeft hun schriftelijk te geven.

Bij het boekje toch ontvingen wij een schrijven, waarin de Nederlandsche Bijbel compagnie

ons meldt; „PROF. DR. F. L. RUTGERS schreef ons onder meer hierover":

„Gaarqe geef ik u de getuigenis, dat uwe firma geen moeite of kosten gespaard heeft, om deze uitgave volgens mijne meening zoo bruikbaar mogelijk te maken; zoodat zij niet - slechts beantwoordt aan hetgeen altijd de hoofdzaak is, nl. den juisten tekst zonder fouten te geven, maar ook door formaat en lettersoort zich bijzonder aanbeveelt, waarbij dan uw voornemen is, den prijs zoo te stellen, dat deze uitgave tot de allergoedkoopste behooren zal.

Met den wenscb, dat zij onze verwachting niet zal teleurstellen, enz."

Zulk een testimonium te publiceeren, maakt onze aanbeveling eigenlijk overbodig. Al blijft voor ons een kerkboek met het Oude Testament er in het meest gewenschte, zoo kunnen wij toch, na déze uitgave van de Nederl. Bijbel-compagnie te hebben doorgezien, niet anders zeggen, dan dat PROF. RUTGERS er niets te veel van heeft gezegd.

’t Is een zeer bruikbare, zuivere en goed verzorgde uitgave.

Van PROF. VISSCHER'S Religie en Gemeenschap bij de Natuurvolken, zal ik thans het tweede hoofdstuk bespreken.

Zooals ik reeds vroeger heb medegedeeld, vormt dit tweede hoofdstuk, dat tot titel heeft: de sociale typen en huune indeeling mèt het door mij een vorig maal besprokene eerste: de religie als sociaal feit, — de inleiding op het geheele werk dat PROF. VISSCHER zich voorstelt te schrijven en waarvan wij thans het eerste deel voor ons hebben. De Sociologie of de wetenschap van de sociale vormen van het menschelijk saamleven houdt zich als zoodanig met de taal, het recht en de zeden, de moraal en de kunst en ook met de religie bezig. Met dit alles, en dus ook met de religie als waa/^/wVif». De nieuwere Sociologie, die met COMTE - (-1857 en SPENCER f 1903 geacht wordt te beginnen, kent daarbij groote beteekenis toe aan het sociale feit der religie, en het was dan ook een gelukkige greep van DR. VISSCHER, tot wiens professie de geschiedenis-en de wijsbegeerte van de religie behoort, een werk te schrijven waarin de religie ook eens van uit het gezichtspunt der Sociologie wordt bezien. Deze greep was daarom gelukkig, omdat dit nu eeas een gansch nieuwe wijze is van de zaak aan te vatten.

En daarbij komt nog iets.

De Sociologie staat sedert Spencer in het teeken van de evolutie. Hare beoefenaars waren tot dusver meest aanhangers van het evolntie-dogma. Dit nu zit zeker niet in de Sociologie op zichzelf, want in stee van bij de beoefening der Sociologie zijn denken te laten beheerschen door de evolutie, is het ook mogelijk dit te laten doen door de creatie. Maar met dit al, — en ik denk hier b.v. aan werken als dat van CH. LETOURNEAU: L'Evolution Religieuse dans les diverses races humaines, Sociologen die zich met de religie als sociaal feit bezig bielden, deden dit meest van uit het gezichtspunt der evolntie.

VISSCHER nu doet dit niet.

Als christen-denker is hij geen evolutionist, maar creationist.

Voor hem, die gelooft, dat God de wereld geschapen heeft; dat al wat Hij gemaakt had zeer goed was, toen Hij het aanzag; voor DR. VISSCHER, al erkent hij ook, even als wij, de praeformatie van het hoogere in het lagere, is het volkomene niet het einde, niet het resultBat van een, hetzij dan mechanische, hetzij ileëele ontwikkeling.

En dit nu spreekt hij, op gevaar af van er door de evolutionisten om uit de synagoge te worden geworpen, onverholen in zijn boek uit.

In tweeërlei opzicht verdient het boek van PROF. VISSCHER alzoo de aandacht.

De wijsbegeerte-en geschiedenis van de religie verbinden zich hier met de Sociologie; en de Sociologie is hier niet verbonden met het evolutie-dogma.

De vormen nu van het gemeenschapsleven, en dus ook de religie als zoodanig, vertoonen aan hun opmerkzamen beschouwer een rijke verscheidenheid, een differentie, zooals professor VISSCHER zegt, een verbijzondering, zooals ik het liever zou noemen.

Die verbijzondering is op zich zelf nog geen gevolg van de zonde, maar „schuilt weg, „óm met VISSCHER te spreken, " in de scheppingsidee Gods" — en op de eerste bladzijden van zijn tweede hoofdstuk toont hij dit in fijn gestileerde taal dan ook nader aan.

Gelijk er veelvormigheid is in de natuur, in het uitwendig voorkomen der menschen, zoo ook in de geestelijke wereld, in der menschenzielen, en ook in de openbaring hunner religie.

Toch is in die verbijsterende veelheid ook weer eenheid te zien. De eenheid in de veel heid. De eenheid van het algemeene ia de veelheid van het individueele. En dit algemeene dan weer opstijgend van lagere tot hoogere algemeenheid.

En zoo is het ook in de religie.

Niet, — en zoo bedoelt VISSCHER het dan ook allerminst, — alsof er in de religiën slechts een quantitatief, een gradueel verschil zou zijn. Zoo bedoelt hij het allerminst. Want ook voor hem is „de zondeval tastbare realiteit" p. SS-En hoe de zonde, ook de religie, welke behoort tot 's menschen „natuur", zooals VISSCHER tel; kens zegt, waar ik liever van „wezen" zou spreken, heeft verdorven, — tracht hij duidelijk te maken in deze woorden van p. S7'-. »De heilige eenheid van het transcedente en immanente Gods voor 's menschen bewustzijn werd verbroken, en daarmede was de scheur door ons leven getrokken".

En na dien val onderscheidt VISSCHER rf/-«( phasen in het religieuse leven der menschheid. Drie verschijningsvormen alzoo, die echter, zooals hij op p. S9 nadrukkelijk beweert, niet na elkander hebben bestaan en waarbij dan de hoogere ontwikkeling resultaat van de lagere zoude zijn, maar zoo „dac zij in beginsel, zoover de historische gegevens reiken, te zamen hebben bestaan"; waarbij hij dan tevens, en mijns inziens terecht, er op wijst, dat „in alle religieus leven nog een element van waarheid is".

De degeneratie der menschelijke natuur gaat, volgens DR. VISSCHER, het verst bij de z. g. natuurvolken. Ook op het gebied van de religie. „Voor het religieus bewustzijn staat hier het Goddelijke uitsluitend transcendent, in dien zin, dat zij het absoluut buiten zich en dus verre van zich stellen." (p. 60) Dit is dan de eerste phase, de eerste niet in tijd maar in orde. Op een hooger standpunt is er reeds plaats voor innig gemeenschapsleven met het goddelijke. De geleerde schrijver verwijst ons hier naar wat hij noemt het „henotheïsme" der Veda's en naar de hymnen van Assur, Hij laat daarbij niet na met voorbeelden, ontleend aan de Indische, Mobammedaansche. en Egyptische religie, aan te wijzen hoe bij de worsteling om het transcendente inmanent te maken, het pantheïsme opkwam, (p. 60),

Dit zou dan zijn de tweede phase.

En eindelijk wordt, door de bijzondere actie „der openbaring, die zich voortzet door de his torie van ons geslacht, totdat zij in Christus de windselen van het particularisme afschudt en universeel wordt, " met de opkomst der christelijke religie fp. 6Ï) het immanent maken van het transcendente tot werkelijkheid.

Op deze phasen-theorie, waarop ik zoo straks nog terug kom, bouwt nu Dr. Visscher in dit aijn hoofpstuk over: de Sociale typen en hunne indeeling, zijn indeeling van de „sociale typen".

Nu is , , sociale typen" weer een van de terinini technici van de Sociologie; een korte difinitie van wat is een „sociaal type" ware hier, mij dunkt, niet overbodig geweest. DR. VIS ïCHER denkt daar blijkbaar anders over. Wie het niet weet, moet het maar raden. Zooveel blijkt, dat de indeeling der sociale typen aan de Sociologie den dienst bewijst van een inzicht te geven in de veelheid van de vormen de» socialen levens dat het voorwerp van haar onderzoek is, VISSCHER bepreekt dan de pogingen tot classificatie van sociologen, als SPEN­ CER en DtniKHEiM, VIERKANDT en STEINMETZ; om, zich aansluitend aan de hoofdgedachte der beide laatsten, de zijne te geven.

Daarbij moet dan de religie, om de centrale plaats, die zij in het psychisch leven der individuen en dientengevolge in dat der volken bekleedt (p. Si) maatstaf en indeeling zijn, en keert hij weer terug tot zijn reeds boven besprokene phasen-theorie, die hij hier op p. 83 karakteriseert als:

Ie de absoluut religieuse; 2t de relatief religieuse ; 3e de relatief irreligieuse phase.

Ik vermoed, dat vele lezers niet zonder eenige bevreemding zullen vernemen, dat de sociale typen, jdie dan tot de eerste phase behooren, de natuurvolken zijn, als ook dat wat PROF. VISSCHER „de relatief irreligieuse phase noemt, eerst opkomt met de Christelijke religie.

Metterdaad is dit dan ook een eenigszins vreemde wijze van zich uit te drukken. Bij wie zich echter de moeite geven om de bedoeling van den hoogieeraar nader te verstaan, zal deze bevreemding wellicht eenigszins verminderen.

Religieus toch is hier bedoeld in den sociologischen zin van religie als soeiaal feit. In de eerste phase nu dekken zich het sociale en het religieuse leven; in de tweede domineert de religie nog wel het sociale, maar houdt op het' geheel te absorbeeren; in de derde verschijnt in het alles omvattend sociale leven de religie met een eigen gemeenschap: de Kerk.

Met deze beschouwing over de sociale typen en hucne indeeling heeft de geachte schrijver zich nu den weg gebaand tot de behandeling van zijn eigenlijk onderwerp : Religie en Gemeenschap, en wel allereerst bijde Natuurvolkeren, alzoo de absoluut religieuse phase". Aan het slot van dit tweede hooidstuk geeft hij dan nog eenige lezenswaardige opmerkingen over de gevolgen van de erkenning van sociale typen voor de historische waardeering en de zedelijke beoordeeling.

De beteekenis van dit tweede inleidende hoofdstuk ligt voor mij, gelijk ik reeds boven heb uitgesproken, in de poging om meer dan tot dusver is geschied, de religie te beiien van uit het standpunt der Sociologie, en wel van eene niet door het evolutie-maar het creatiedogma beheerschte Sociologie. Toch waag ik, ook hier, in alle bescheidenheid eenige bedenkingen. Allereerst tegen de phase-theorie van Dr. VISSCHER op p. 39 en 60. Het dialectisch spel met „transcedent" en „immanent" komt mij wel zeer vernuftig voor, maar geeft, naar het mij toeschijnt, aanleiding tot een schematisme waarin de werkelijk niet geheel past. Zoo, om iets te noemen, stond toch ongetwijfeld voor het religieuse bewijstzijn van den oorsprockelijken Islam, — nog niet gewijzigd door den indogermaanschen geest van de Perzen, — „het goddelijke uitsluitend transcedent" en nu gaat het toch niet aan, Mohammed en zijn eerste volgers een plaats bij „de natunrvolken" toe te wijzen. Vervolgens, dunkt mij een bezwaar, dat het verschil tusschen „phasen" en „typen" niet duidelijk genoeg uitkomt.

Eindelijk, dat bij wat VISSCHER op p. 84—86 over de Kerk zegt, niet genoeg door hem rekening wordt gehouden met de onderscheiding van de Kerk als instituut en als organisme.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Leestafel.

Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1907

De Heraut | 4 Pagina's