Revisie van onze Staten-overzetting.
III.
Het voorstel van Dr. Noordtzij om bij eventueele revisie derStaten-overzettingook de meewerking der Haagsche Synode in te roepen, schijnt ons dus niet wel uitvoerbaar. Voor alle dingen moet vaststaan, dat de mannen, die aan deze vertaling medewerken, onvoorwaardelijk gelooven aan het Goddelijk gezag der Heilige Schrift. En zoolang de Haagsche Synode geen betere waarborgen voor een keuze van zoodanige vertalers biedt, kan door ons haar hulp niet worden gevraagd. Veel liever zouden we dan nog den raati geven om contact zoeken met de Gereformeerden in het Hervormde genootschap. We erkennen toch met Dr. Noordtzij, dat zulk een herziene vertaling niet alleen voor onze Gereformeerde Kerken, maar voor heel de Gereformeerde gezindheid, om met Groen te spreken, van belang zou zijn, en zouden daarom desnoods zelfs over kerkrechtelijke bezwaren wel heen willen stappen, ten einde door saamwerking met alle Gereformeerden een vertaling te krijgen, die voor allen bruikbaar was.
Maar zelfs al kon dezie saamwerking verkregen worden, dan — en dit is ons tweede bezwaar — gelooven we nog niet, dat de tijd voor zulk een revisie rijp is, omdat de voorbereidende studie nog schier geheel ontbreekt, en de mannen, die voor zulk een zaak berekend zouden zijn, onder ons zoo weinig worden gevonden.
Den ontzaglijken arbeid, die aan zulk een nieuwe overzetting verbonden is, telle men toch niet te licht.
Toen de Dordtsche Synode in 1618 tot een nieuwe vertaling besloot, was de uitvoering van dien last betrekkelijk zooveel gemakkelijker. Van tekstkritiek was destijds nog nauwelijks sprake, en. nog veel minder van kritiek op de geloofwaardigheid der Schrift. Heel de Christelijke Kerk, hoe verdeeld ook op menig punt, stond nog vast in het geloof aan de Goddelijkheid van den Bijbel. Uitnemende geleerden, alsCalvijnen Beza, Zanchius en Piscator, hadden op exegetisch gebied meesterwerken geleverd. Waarvan met volkomen vertrouwen gebruik kon worden gemaakt. In het buitenland waren reeds verschillende bijbelvertalingen geleverd, die tot voorbeeld konden strekken. Bovendien, de Synode kon voor die nieuwe vertaling gebruik maken van de hoogleeraren van vijf hoogescholen en van tal van predikanten, die volkomen op de hoogte waren met de exegetische wetensdhap van hun tijd. Toch heeft die arbeid nog tien jaar geduurd, moesten de hoogleeraren en predikanten gedurende dien tijd hun dienstwerk geheel laten stilstaan en was de uitvoering van het plan alleen mogelijk, doordat de Staten met milde hand alle onkosten vergoedde.
Thans zouden de vertalers voor een geheel andere taak staan. Heel de wetenschappelijke studie, die in de voorgaande eeuw aan de Schrift ten koste is gelegd, is voor het grootste deel uitgegaan van mannen, die de Schrift niet ais Gods Woord beschouwen. Dat die arbeid, zelfs van beslist ongeloovige zijde, kostelijke bouwstof heeft opgeleverd voor de vaststelling van den juisten tekst, de beteèkenis der woorden, de verklaring van den zin, zal niemand ontkennen. Een nieuwe vertaling, die met deze resultaten geen rekening zou houden, zou op wetenschappelijk gebied geoordeeld zijn. Maar even duidelijkis, dat het resultaat van die studiën niet zonder ernstig onderzoek, niet zonder keur naar ons beginsel, zou kunnen of mogen overgenomen worden.
In dat opzicht nu ontbreekt nog schier alle voorarbeid van Gereformeerde zijde. We schatten niet gering, wat mannen als König en Zahn geleverd hebben; we weten dat er ook onder de Engelsche en Amerikaansche theologen mannen van naam zijn, die tegenover de moderne kritische wetenschap een zelfstandig standpunt hebben ingenomen; maar dit alles ging grootehdeels buiten ons Gereformeerde leven om, leidde nog geenszins tot een gemeenschappelijke overtuiging, en kan ons daarom niet bieden, wat wl; als voorarbeid voor een nieuwe Bijbelvertaling noodig hebben. De modernen staan thans even gemakkelijk voor een nieuwe vertaling, als onze vaderen in de 17e eeuw. Voor hen lag de stof gereed, en de Leidsche vertalers konden daarom zonder al te groote inspanning hun arbeid verrichten; de moderne kritiek, de moderne inleiding en de moderne exegese had het pad voor hen geëffend. Maar voor degenen, die van Gereformeerd standpunt uit een nieuwe vertaling wilden leveren, zou de weg nog" geheel gebaand moeten worden.
Met een enkel voorbeeld willen we dit aantoonen, opdat men ons niet verwijte de bezwaren overdreven te hebben voorgesteld.
Voordat men tot een nieuwe vertaling kan overgaan, dient in de eerste plaats vastgesteld te worden, hoe de tekst van het oorspronkelijke luidt. Nu laten we het Oude Testament rusten, maar bij het Nieuwe Testament is door de ontdekking van tal van handschriften, die vroeger onbekend waren, de overtuiging wel algemeen geworden, dat de tekst, dien onze Statenoverzetters hebben gebruikt, niet zonder fouten is geweest. Dit geding gaat buiten het gezag der Heilige Schrift om. De oorspronkelijke handschriften van de Evangeliën en Brieven zijn ons niet bewaard. We bezitten alleen afschriften uit veel later eeuw. Vandaar, dat we alleen door die handschriften te vergelijken en de afwijkingen naar streng' wetenschappelijke methode te verklaren, komen kunnen tot vaststelling van den oorspronkelijken tekst. Voor den openbaringsinhoud der Schrift doen deze onderlinge verschillen er weinig toe. Elke voorstelling, alsof door deze verschillende „lezingen" de inhoud der Schrift zelf op losse schroeven zou gesteld worden, is dwaasheid. Met de zoogenaamde hoogere kritiek, die loopt over de vraag of de Evangeliën en Brieven wel metterdaad van de Apostelen afkomstig zijn, heeft deze tekstkritiek niets uitstaande. Er is niet éen dogma, dat de Christelijke Kerk op grond van de Schrift belijdt, dat door deze varianten in twijfel wordt gesteld. En alle groote heilsfeiten, waarop het Christelijk geloof berust, gaan geheel buiten deze tekst-kritiek om.Ookal werd de nieuwste tekst-kritische uitgave van het Nieuwe Testament aan de herziene vertaling ten grondslag gelegd, dan zou voor ons geloof dit geen het minste verschil maken?
Maar al stellen we dit op den voorgrond, om elke overdreven voorstelling af te snijden, toch spreekt het wel vanzelf, dat het voor de Gemeente zeker niet onverschillig is, welke tekst bij de nieuwe vertaling gevolgd zal worden. Wanneer in de kritische uitgaven van het Nieuwe Testament bijv. de pericoop over de overspelige vrouw, i Joh. 5 : 7» en zelfs het heele slot van het Marcusevangelie wordt weggelaten, omdat ze in vele handschriften niet voorkomen, dan dient de vraag toch onder de oogen gezien, of de weglating van deze gedeelten metterdaad gewettigd is. Kn waar van Gereformeerde, of laat ons liever zeggen van Schriftgeloovige zijde, voor dit ingrijpende vraagstuk van de tekstkritiek nog zoo goed als niets is gedaan, daar zouden de vertalers, wilden zij niet klakkeloos de resultaten van niet-geloovige kritici overnemen, wel genoodzaakt zijn al deze quaesties zelfstandig onder de oogen te zien; een arbeid die heel een menschenleven eischen zou.
Hetzelfde bezwaar keert terug, wanneer men toekomt aan de vertaling zelve. De vertaling van de Schrift is, gelijk we reeds in ons vorig artikel opmerkten, zonder exegese ondenkbaar. Dit wil natuurlijk niet zeggen, dat de vertaler zijn eigen exegese in de vértaling leggen mag. Terecht is het in onze Statenoverzetters geprezen, dat zij de Schrift zóó hebben weergegeven, dat zelfs Remonstranten, Lutherschen e. a. van hun vertaling gebruik konden maken, omdat de vertaling volkomen objectief den inhoud der Schrift weergaf. Al hebben vele Gereformeerde uitleggers i Tim. 2 : 4 (God wil, dat alle menschen zalig worden) zóó verklaard, dat het woord alle hier beteekent allerlei, toch zou een vertaler het recht niet hebben om deze exegese in den tekst in te leggen en het woord alle door allerlei te verva, ngcn. De vertaling moet zoo geschieden, dat voor verschillende uitlegging speelruimte overblijft. Maar dit neemt niet weg, dat voor de vertaling zeker van groot gewicht is, hoe men dezen tekst verstaat. Een nieuwe vertaling zou niet noodig zijn, indien niet taaistudie en exegese op menig punt tot inzicht had gebracht, dat de bestaande vertaling te wenschen overliet. Was deze exegese ons nu geleverd door mannen, die beslist aan de inspiratie der Schrift geloofden, dan zou dit geen bezwaar opleveren. De vruchten van hun arbeid konden dan met goed vertrouwen worden gebruikt. Maar dit is niet zoo. Wanneer men gelooft, zooals de moderne exegese het doet, dat het Scheppingsverhaal in Genesis i niet door God aan Mozes geïnspireerd is, maar een latere Joodsche omwerking is van een oude Babylonische mythe, dan heeft dit op de vertaling zelve invloed. Volgens die moderne exegese ging de schrijver van het scheppingsverhaal uit van de onderstelling, dat de vormelooze stof, de chaos, bestond, toen God zijn scheppingsarbeid aanving; is de schepping volgens dien schrijver dus niets dan een ordenen van die vormelooze stof geweest, en wordt in verband daarmede Gen. i : i vertaald : „Toen God een aanvang maakte met de schepping van hemel en aarde — de aarde was woest en vormeloos, duisternis heerschte op den Oceaan, en Gods geest dekte het water — sprak God: Er zij licht! en er was licht!" Volgens deze vertaling begint God dus met de schepping van het licht en wordt niet gezegd „hoe de baaierd, onbewoonbaar voor mensch en dier, ontstaan was." Nu zeggen we niet, dat al was deze" vertaling boven alle tegenspraak verheven, daaruit volgen moest, wat de moderne exegese er uit afleidt; maar dit eene voorbeeld toont toch, hoe uiterst voorzichtig men moet wezen met de nieuwere exegese en de vertaling, die zij ons van de Schrift biedt. Een vertaler, die voor onzen tijd een nieuwe overzetting der Schrift wilde leveren, zoo, dat ons Gereformeerde volk daarop vertrouwen kon, zou niet alleen heel deze uitgebreide exegetische studie onder de knie moeten hebben, maar ook in staat moeten zijn om hier kaf van koren te onderscheiden; of liever nog, hij zou van het standpunt des geloofs uit, eerst een zelfstandige exegese hebben te leveren, die als fundament voor zijn vertaling dienst kon doen.
En eveneens geldt dit ten slotte van wat men gewoon is de „inleiding" te noemen. Of het juist gezien is om bij een nieuwe vertaling zich te beperken tot den tekst alleen, gelijk Dr. Noordtzij wil, en hoogstens er een korte inhoudsopgave boven elk hoofdstuk aan toe te voegen, betwijfelen we. Onze Statenoverzetters hebben terecht gevoeld, dat bij de Schrift ook een korte verklaring noodig is, zal de Schrift verstaan worden. Anders wordt het lezen der Schrift in den huiselijken kring en voor eigen stichting vaak een werktuigelijk iets, waarbij op de vraag: verstaat ge wat ge leest .'met den kamerling van Candacé moet geantwoord worden: Hoe zou ik toch kunnen, zoo mij niet iemand onderricht} Nu zijn onze kantteekeningen, hoe kostelijk ook, te uitgebreid; ze zeggen vaak wat ieder reeds weet; voor het naslaan bij de voorlezing der Schrift, zijn ze niet gemakkelijk genoeg te vinden. De aanteekeningen kunnen zaakrijker, korter en in juister proportie met den tekst worden aangebracht. Maar ze geheel weglaten, zouden we liever niet. Ons volk is niet rijk genoeg, om zich de weelde te veroorloven over elk bijbelboek zich een commentaar aan te schaffen. En waar het toch zoo broodnoodig is, dat de Schrift verstaan worde, daar zouden we liefst een herziene bijbelvertaling, met inleiding op elk bijbelboek en met korte verklaring bij den tekst, ontvangen. Zelfs de volksuitgave van de moderne vertaling heeft in korte noten zulk een verklaring trachten te leveren. En wat het modernisme op zijn wijze biedt, mogen wij aan het volk niet onthouden.
Te meer klemt dit, omdat de bedenkingen, door de ongeloovige wetenschap tegen de Schrift ingebracht, door school, omgang, populaire geschriften ook in onze kringen bekend worden en niet zonder invloed blijven. Nu moge hier tegengif geboden worden in catechisatie en prediking, door persoonlijke gesprekken en apologetische geschriften, maar dit alles blijft stukwerk en bereikt niet allen. Een Bijbel met kantteekeningen, die zonder in uitvoerige polemiek te verloopen, liefst in thetischen vorm, deze bedenkingen onderving, zou daarom een weldaad zijn.
Maar zelfs al zou men al dezen arbeid achterwege willen laten, en zich beperken tot een korte inhoudsopgave met een enkele toelichting bij sommige teksten, dan keert hier hetzelfde bezwaar toch nog terug. De vertalers zullen geroepen zijn om zich uit te spreken over tal van vraagstukken, die nu niet de tekstcritiek, maar de critiek op den inhoud der Schrift zelve betrefifen. Wie ook maar eenigsziiis op de hoogte is met deze critiek, weet hoe omvangrijk haar literatuur is, hoe diep ingrijpend de vragen zijn, die ze aan de orde heeft gesteld, en hoe weinig nog van geloovige zijde beproefd is om tot een zelfstandige oplossing van deze moeilijkheden te geraken. Zal, om ook hier slechts éen voorbeeld te noemen, een inhoudsopgave van Jesaja en Zacharia niet geheel anders uitvallen naarmate men gelooft, dat de boeken, onder dezen naam ons overgeleverd, van éen schrijver of vaii twee geheel verschillende auteurs af komstig zijn? En zou ook hier niet een voorstudie van jaren geëischt worden, voordat deze quaestie zelfstandig ware doorgedacht en een antwoord was gevonden?
Konden we nu over tal van exegeten beschikken, die al deze vraagstukken van tekstcritiek, exegese, vertaling en inleiding hadden doorgedacht, dan zouden deze moeilijkheden misschien niet onoverkomelijk zijn. Maar we zijn aan exegeten van professie juist zoo arm. Voor Dogmatiek, Kerkhistorie en Kerkrecht zijn we met reuzenschreden vooruitgegaan, maar de exegetische studie bleef nog achter. Over de Kerken van min vaste formatie, de Christelijke Gereformeerde Kerk en de Gereformeerde broeders in de Hervormde Kerk, spreken we niet eens. Maar onze Gereformeerde Kerken zelve staan hier nog voor een grootendeels onontgonnen terrein. Er zijn exegetische studies over een paar psalmen verschenen, de inleidingsquaesties zijn een enkele maal in oraties behandeld, maar zelfs een handboek voor de inleiding ontbreekt nog. Vergeet bovendien niet, dat twee onzer hoogleeraren in de exegese nog zeer kort aan hun arbeid begonnen zijn. En al onderschatten we de gaven en talenten niet, die voor dit terrein ook onder onze predikanten schuilen, we betwijfelen toch, of thans reeds een keurbende onder hen zou kunnen aangewezen worden, opgewassen tegen een taak als een herziene Bijbelvertaling eischt.
We hebben deze bezwaren en bedenkingen openhartig uitgesproken, en we gelooven, dat Dr. Noordtzij, die door zijn eigen studiën toonde een wetenschappelijk man te zijn, de eerste zal wezen om het gewicht dezer bezwaren te gevoelen. Al zijn we hem dankbaar, dat hij door zijn artikelen in de Bazuin op de noodzakelijkheid eener herziene vertaling wees, en daardoor een vraagstuk aan de orde heeft gesteld, dat vroeger of later opgelost moet worden, we gelooven niet, dat de tijd voor die oplossing thans reeds rijp is. Toch is deze discussie daarom niet nutteloos geweest. Ze heeft de aandacht op dit vraagstuk gevestigd. Ze heeft doen gevoelen hoe noodig het is, dat de kritische en exegetische studiën ook onder ons meer behartigd mogen worden. Eerst als die studiën tot een resultaat hebben geleid, zal een nieuwe vertaling van denBijbel als rijpe en voldragen vrucht kunnen geplukt worden. Anders zou ze als „ontijdig geborene" denzelfden weg opgaan van de Haagsche revisie. Ze zou voor scheurpapier worden verkocht.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 17 november 1907
De Heraut | 4 Pagina's