Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Pro Rege.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pro Rege.

18 minuten leestijd

TWEEDE REEKS.

XII.

Gijlieden aanbidt, wat gij niet weet; wij aanbidden, wat wij weten ; want de zaligheid is uit de Joden. Joh. 4:22.

Eerst was er in Israel de volstrekte Godsregeering, de rechtstreeks werkende Theocratie. God was Koning. Hij alleen. Daarop schuift de idee van een Davidisch Koningschap hierin, dat, hoewel in aardschen vorm optredend, toch van meetaf tegelijk een ideale lijn vertoont. Als gevolg van Israels ontrouw, tegenspoed en ballingschap, en als vrucht van de juist in die jaren krachtig doorgebroken profetie, valt straks het aardsche Koningschap weg. Er is ten leste geen Koning uit Davids Huia meer. Maar juist nu neemt de Messias-verwaihting almeer een geestelijk karakter aan, en gaat de nationale opvatting van het Davidisch Koningschap in de ideale opvatting van den Messias als Koning van het Godsrijk onder. Inmiddels echter herleeft er een Joodsche Volksstaat in Kanaan. De Makkabeën verbazen door hun heldenfeiten. En weer komt de nationale opvatting van den Messias de ideëele van den Koning van het Godsrijk verdringen. Vooral toen, kort daarop, weer vreemde overheersching de Joden krenkte, klemde heel het volk zich weer aan de nationale idee van den Messias vast. De nationale Messias zelf werd der Joden ideaal, en hierdoor kwam dat hooge zelfgevoel op, dat zich den Jood, in nationale trots, als den erfgenaam der wereldheerschappij liet gevoelen. Alle volken konden in Israels ten te een schuilplaats vinden, mits de tente Joodsch bleef. En toen begon die machtij; e propaganda om proselyten te winnen, waarvan Jezus sprak: „Gij omreist zee en land orn één Jodengenoot te winnen, en wint ge hem, dan maakt ge hem een kind der helle erger dan gij zelf zijt" Uw inbeelding van een Messias die uw nationale trots bevredigen zal, verheft zich als een muur tusschen ; j en den waren Messias, en belet u in zijn Koninkrijk in te gaan. En waar die Heidensche mensch, dien gij besnijdt, anders voor den waren Messias een geopend oor en geopend hart zou gehad hebben, sluit gij ook» hem van mij, en daarmee van zijn eeuwig heil, af. Zoo zit heel Israel, als eindelijk Johannes de Dooper optreedt, in zijn nationale enghartigheid vastgeroest, zóo vast, dat zelfs vlak voor de Hemelvaart Jezus 't nog van zijn eigen jongeren moet aanhooren: „Heer, wanneer zuitgijaan Israel het Koninkrijk weder oprichten" .> '; dat Paulus te Antiochië Petrus nog openlijk moet weerstaan; en dat zelfs toen nog de Joodsche nevengedachte, die in de pas bekeerde Christenen uit c^ Joden nawerkte, ook Petrus bezield? . Vooral het optreden van Herodes, den Idumeër, die uit Edom was, trok der Joden geest van het smadelijke heden naar een toekomst dereere, waarin de tweede David te Jerusalem tronen zou, om van Ston uit niet overdrachtelijk, maar feitelijk de natiën aan zich te onderwerpen. De Joden waren het heilige volk; de Goim, d. z. de natiën, waren onrein. Alleendoor proselyten-doop kon wie Heiden was in Israel overgaan. Door den doop brak hij dan met zijn eigen volk, ja zelfs met zijn eigen gezin, om geheel in Israel over en op te gaan. In dat Israel zou straks het heil dagen. En van dat Israel zou 't heil over de aarde uitgaan, maar uitgaan in geen anderen zin, dan dat alle natiën tot het Jodendom bekeerd zouden zijn, of door de Joden aan zich zouden onderworpen worden. Wie tegenstand bood zou ondergaan. En ten slotte zou dit het rijk van glorie zijn, dat de Koning uit Davids Huis, en niet de Keizer van Rome, den scepter over het wereldrijk zou voeren, en de dienst van Jehovah in zijn tempel op Sion alle afgoderij zou verdringen. Zoo zonk de stroom van het geestelijk leven onder de profetische verwachting weg. Alleen de ijskorsj, die door den afvloeienden stroom werd achtergelaten, herinnerde nog aan die overdrachtelijke bewoordingen, waarin de Profetie haar hoog en heilig ideaal had bezongen. De geest der profetie verloor zijn macht over de volksziel, en daarentegen maakte het Pharizeïsme zich van die trotsche volksziel meester. Een Pharizeïsme, daarom zoo in merg en been geveinsd, niet omdat het opzettelijk loog, maar omdat het zich aandiende als drager van de Messiaansche verwachting, en toch feitelijk alle hoog en heilig ideaal der Openbaring versteenen liet in een wettischen vormendienst en in de illusie eener nationale zelfinbeelding.

In die nationale hoovaardij sloeg toen Johannes de Dooper het eerst onherstelbare breuke juist door zijn doop. Die doop van Johannes toch was niets minder dan een getuigenis aan Israel, dat Israel zelf onrein was, en dat alzoo niet de onreine Heidenen tot Israel moesten ingaan, maar dat Jood èn Heiden beide onrein waren, en beide door den doop der afwassching van zonde moesten ingaan in het waarachtige Koninkrijk, dat straks in Jezus komen zou. Ia dien doop op zichzelf lag het program van de dingen die komende waren. Die schijnbaar zoo eenvoudige doop bij den Jordaan was de meest radicale veroordeeling van Israels nationale verwachting en nationale trots, die zich denken liet. De Joden riepen tot de Heidenen: „Ik ben heiliger dan gij, kom tot mij over, " en Johannes riep juist eerst de Joden zelf op, hun betuigende: „Gij zijt zelf onrein, laat u dan doopen om in te gaan in het heilig Koninkrijk van Hem die komt, en wien ik niet waardig ben de schoenriemen van zijn voeten te ontbinden". Zoo scheen doop tegenover doop te staan, als waren beide doopen gelijk. De doop van Johannes, om de Joden naar het Koninkrijk van Messias te roepen, tegenover den doop der proselyten, die de Heidenen deed overgaan in het Jodendom. Maar meer dan schijn was dit niet. De doop der proselyien toch was een puur uitwendige doop. Echt formalistisch hing de Pharizeër aan het uitwendige waterbad, en aan de ceremoniën die dit waterbad verzelden. Maar de doop van Johannes was heel iets anders. Teeken, en niet anders dan teeken, van bekeering en afwassching der zonde, onder heen wij zing naar hem die doopen zou met denHeilisren Geest en met vuur. Zoo doorbrak de doop van Johannes tegelijk der Pnarizeën formalisme, en leidde uit de versteende godsdienstvormen in de geestelijke kern der waarachtige religie over.. En dit laatste vatte Johannes saam in de ééne plechtige aankondiging, dat niet het herstel van het J jodsche Koninkrijk, maar dat het Koninkrijk der hemelen nabij was gekomen.

Jezus komen tot den Doop van Johannes had alzoo deze hooge beteekenis, datjszus zelf, die als Jood geboren en alzoo lid van den Joodschen volksstaat was, in den doop aan den Jordaan plechtiglijk met de onwaarachtig nationale verwachting van de toenmalige Joden brak; op geneel dievalsche nationale verwachting den ban legde; en nu als de pretendent-Koning, als we ons zoo mogen uitdrukken, van het waarachtige Messiaansche Koninkrijk positie nam. In den doop aan den Jordaan lag in beginsel de volstrekte veroordeeling van, en de rechtstreeksche breuke met het Pharizeïsme, en de ontsluiting van dat geestelijk Koninkrijk, waarin hij als de van God gezalfde Koning zou optreden. Toch merkt ge aan alles, dat Jezus, zoodoende, allerminst den band doorsneed, die hem aan Israels verleden bond. „De zaligheid is uit de Joden" sprak hij tot de Samaritaansche. Hij zond zijn discipelen uil tot alle vlekken en steden van Israel. Zelf heeft hij zijn getuigenis niet anders dan tot Israel gebracht. Hij heeft tot de heidensche vrouw uit den omtrek van Sidon het harde woord doen uitgaan: „Het is niet geoorloofd het brood der kinderkens te nemen, en den hondekens toe te werpen". Steeds beriep hij zich op de Openbaring, in de Patriarchen, en 00 J in Mozes, de psalmisten en profeten' aan Israel gegeven. Liever dan Palestina te ontvluchten, heeft hij zelf zijn uitgang gezocht in Jerusalem. En toen Pilatus boven zijn kruis het bord liet spijkeren, waarop stond: de Koning der Joden, sprak zich hierin wel de valsch-nationale opvatting der Joden uit, maar school toch ook in dit woord een diep^reeële zin. Het Koninkrijk der hemelen kwam op uit Israel.

In al wat we van Jezus korte leven op deze aarde weten, blijkt dan ook op alle manier, dat hij alleen ïn Israel optreden kon. Eeherzijds was zijn herkomst uit Israel, en anderzijds vond hij alleen in Israel de jongeren, aan wier geest zich zijn getuigenis kon aansluiten; het milieu, zooals wij zeggen, waarin hij werken kon. En die herkomst en dit milieu zijn hier even belangrijk. Op zichzelf stond niets er aan in den weg, dat de Vieeschwording van het eeuwig Woord in Rome, met een Romeinsche vrouw a!s moedermaagd, had plaats gevonden. Gods almachtigheid was op zichzelve niet gebonden. En naar gewone luenschelijke berekening zou men zelfs zeggen kunnen, dat een optreden van Jezus in het middenpunt van de toenmalige wereldmacht veel machtiger indruk zou gemaakt hebben, dan zijn optreden in het afgelegen Galiiea en in de vergeten vlekken van Palestina. Maar aldus was het Goddelijk bestel niet. In dit bestel is alles voorbereid, is alles organisch aangesloten aan het verleden, is slles historisch bepaald. Het is wmmm geen plotseling inbreken van de hoogste Openbaring in de toenmalige wereldmaatschappij, maar een zich aansluiten aan den loop der Openbarinjï». van de vroegste eeuwen af. Het is één v* ^rfk Gods, dat in den geheelen loop der Openbaring begonnen was, en nu zijn hoogtepunt bereikte in de verschijning van den Beloofde aan de vaderen. Van Abraham gaat de geslachtslinie van Messias uit. Ze gaat over in den stam van Juda. Ze zet zich vast in Davids Huis. En door een historie van eeuwen heen loopt ze uit op Maria, de gezegende onder de vrouwen. Maria was het product van deze heilige historie veler eeuwen. Vergeleken met de vrouwen uit andere natiën, en zelfs vergeleken met de overige vrouwen uit Israel, stond Maria zoo eenig hoog, niet door wat ze zelve was of volbracht had, maar doordat God haar hiertoe had uitverkoren. In haar blonk de vrouwenadel op het schitterendst uit.

Doch zelfs de band, die door Maria hem aan David, Juda en Abraham verbond, was Jezus niet genoeg. Oai Zoon des Menschen te zijn mqest zijn historische aansluiting doorloopen tot op Adam, het onttroonde hoofd der gevallen menschheid. Het geslachtsregister uit Mattheus I wijst terug tot op Abraham, dat in Lucas III gaat tot op Adam terug. Reeds bij Seth begon in die tweede genealogie de afscheiding. Die linie loopt over Noach door, en komt zoo uit, over Sem, bij Abraham. Niet maar midden in de historische menschheid moet Jezus als een vreemd element worden ingeschoven. Hg moet zijn geneaiogischen wortel bezitten tot in den eersten Adam, uit wien heel het menschelijk geslacht, heel de menschheid was opgekomen. Alleen zóó was hij wezenlijk onzer één. En alzóo eerst kon Hij het Hoofd worden niet enkel van eenige bekeerder. ü!4 Israël, maar hst Hoofd der herboren menschheid, en kon de doorwerking van zijn offerande aan het Kruis tot op den aanvang der erfzonde teruggaan. Een legende wil, dat onder den heuvel van Golgotha het stoffelijk overschot van Adam. rust, en dat door een spleet van dien heuvel enkele druppelen bloeds van den Man van Smarte tot op Adams stoffelijk overschot zijn afgelekt. Zonder hier nu aan te hechten, spreekt in die legende zich toch de diepzinnige gedachte uit, dat de verzoenende kracht van het bloed van den Christus, omdat hij uit Adam was, tot op Adam terugging. Hij stierf niet als een verzoening alleen voor onze, d. i. voor der Joden, zonde, maar als aanbrengende de verzoening voor de zonde dergeheele wereld, voor heel ons geslacht, voor de herborenen uit geheel de menschheid.

Vond onze Koning alzoo in Adam zijn historische aansluiting aan de menschheid, in Abraham aan Israel, isi Juda en David aan de Koningstype, en in Maria aan de gezegende onder de vrouwen in Israels veredelde menschheid, toch kan hier nooit uit worden afgeleid, dat het heil uit menschelijke heiligheid opkwam. Reeds de inschakeling van Thamar en Bathseba in het geslachtsregister wijst elke opvatting van dien aard onverbiddelijk af. Esr integendeel werd door zijn historische herkomst hier aan den mensch alle eere onttrokken, en alle eere van het heil alleen en eeniglijk aan God toegewezen, want wat Israel van de volken onderscheidde, was niet wat Israel heiligs bestaan had, maar eeniglijk wat God aan en in Israel gewerkt had. En dit werk Gods, ea niet der menschen, van de voorbereiding van de komst van onzen Koning bepaalde zich allerminst tot zijn herkomst, maar kwam zelfs nog sterker uit in het scheppen van wat wij noemden het milieu, dat onmisbaar was, zou Jezus' verschijning doel kunnen treffen. Een ieder leeft in een milieu, in een omgeving, in een kring van leven, waarvan hij 't leven deelt, en waarin zijn leven alleen ten volle tot uiting kan komen. Zoo is er een religieuse wereld, een zedelijke v/ereld, een wereld van gedachten en voorstellingen, en een wereld van personen, te midden waarvan we optreden en ons leven doorleven. Bestaat er nu tusschen ons leven en die wereld om ons heen geen sympathie, geen overeenstemming, geen aansluiting, dan overkomt ons wat aan de plant overkomt, die ge in vreemde aarde overplant, we gedijen, we groeien niet, er gaat geen invloed van ons uit. Niemand ondervindt dit bitterder dan de man die uitgezonden wordt, om onder Heidenen of Mohammedanen den Christus te prediken. Eerst beeldt hij zich in, dat dit vanzelf wel gaan zal, want dat toch in elks harte zekere behoefte aan verlossing schuilt; Maar alras ontwaart hij, dat dit tegenslaat, juist doordat hij met het religieuse en geestelijke leven van de Heidenen en Mohammedanen schier geen contact kan krijgen.

Ze zijn anders, ze bestaan anders, ze voelen anders, ze denken anders. Ditzelfde nu zou aan onzen Koning zijn overkomen, indien er in Israel geen menschelijk milieu ware voorbereid, waarin hij aansluiting vinden kon. Hij zou dit niet gevonden hebben te Athene of te Rome, Het kon nergens op aarde uit de gewone menschelijke ontwikkeling zijn opgekomen. Het kon er niet komen, of God zelf moest het toebereiden, en dat nu heeft onze God door Abraham's afzondering en door de stichting van het volk van Israe} metterdaad gedaan. Wat Jezus brengen kwam, was het Koninkrijk der hemelen. Er moest alzoo iets uit de hemelen in dit aardsche leven ingaan, om de voor Jezus komst onmisbare voorbereiding tot stand te brengen. En dit nu is juist geschied door geheel de Openbaring die van Godswege aan Abraham en Israel geschonken is, en door den bij zonderen levensloop, dien God, onder inwerking van zijn wóndermacht, over Israel heeft gehengd.

Allereerst was noodig een kring, een volk, een milieu, waarin de eenige waarachtige God gekend en erkend werd, en waarin met alle afgoderij was gebroken. Het monotheïsme moest in dit milieu heerschend zijn. Welnu, dit resultaat lvas metterdaad, toen onze Koning verscheen, in Israel bereikt. Niet vóór de ballingschap. Tot op de ballingschap toe, heerschte veeleer de Baaidienst bij tien der twaalf stammen, en dook ook in Juda's Koninkrijk telkens de meest banale afgoderij weer op, niet zelden zelfs door de Koningen van Juda aangemoedigd en bevorderd. Maar ten leste was dit booze kwaad toch overwonnen. Onder Ezra en Nehemia, en onder de Makkabeën, heeft het verjongde Joodsche volk finaal met de afgoderij gebroken, en zich principieel in heel zijn bestaan en levensopvatting aan het-Monotheïsme aangesloten. Nu nog is onder de omdolende Joden de belijdenis van dit Monotheïsme, voor zoover ze religieus bleven, hun hoogste en meest begeerde eeretitel, de roem hunner sterkte. De apostelen, die onder de Heidenen optreden, roepen weer: Bewaart uzelven van de afgoden! maar Jezus heeft den strijd tegen de afgoderij niet gevoerd. De afgoderij was in Israel overwonnen, en Jezus trad op onder een volk, dat den eenig waarachtigen God algemeen beleed.

Evenzoo stond het met de zedelijke wereld, die Jezus in Israel vond. Vroeger was ook onder de Joden het diep zedelijk bederf doorgedrongen, dat vooral de Aziatische afgoderij van den Astarte-en Baaldienst met zich bracht. Er was in de Heidenwereld geen besef van een Goddelijke ordinantie van reinheid op zedelijk gebied, waaraan elk menschelijk creatuur vanzelf onderworpen was. Vandaar de schrikkelijke onzedelijkheid, die alom in de Heidenwereld den toon aangaf en die den dienst der zinnen in weelde en brooddronkenheid, ja tot in de onnatuurlijkste zonde tot heerschappij had gebracht. Lees het maar in Rom. I, hoe de apostel, die te midden van deze Heidensche wereld verkeerd heeft, ze te Corinthe, te Athene en te Rome vond. Alleen in Israel was dit anders, Nist, alsof ook in Israel niet allerlei zonden uitbraken, en alsof met name Herodes in zijn hof te Tiberias niet met den Keizer van Rome in zondige weeldezucht wedijverde. Maar dit had Israel, dat het een wet Gods, een hoogere levensordinantie erkende, en dat deze wet en deze ordinantJe een zedelijken ernst had gekweekt, gelijk men dien elders te vergeefs zocht. In de Heidenwereld was er wel zedelijke ernst bij de enkelen, maar niet in de volksopinie. En al heeft nu het Pharizeïsme in Israel dezen ernst van de wet Gods in zijn formalisme laten versteenen, en er de levenwekkende ader uit weggenomen, dit bleef dan toch, dat in Israel, onder alle rangen en standen, de overtuiging was ingeworteld, dat we niet onszelf de wet naar eigen lust en zin kunnen vormen, maar onderworpen zijn aan de wet, die door God op ons gelegd is. Eerst hierdoor was zondebesef denkbaar, schuldgevoel mogelijk, en daarom kon Jezus alleen in zulk een milieu optreden als het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegdraagt.

Van de gedachtenwereld gold geheel hetzelfde.-Aan Israel was de Heilige Schrift toebetrouwd. In die Schrift was een geheele wereldbeschouwing aan Israel gegeven. Een juistea blik op het heden, en een juist inzien in het ideaal dat moest worden nagejaagd. De psalmen vooral toonen ons, in welke gesteldheid des gemoeds de vromen in Israel, dank zij die Openbaring, verkeerden, en de profeten openden de heerlijkste vergezichten van het toekomstideaal, dat in tegenstelling met het gebrekkige heden, eens door Gods doen verwerkelijkt stond te worden. Men kan dit saamvatten in het Messias-ideaal, gelijk psalmist en profeet ons dit in steeds fijnere trekken en in steeds helderder kleuren geteekend hebben. En al was nu in het Israel, dat Jezus vond, dit hooge ideaal door eenzijdig patriotisme en door nationale enghartigheid scheef getrokken, de verwachting van den tweeden David hield toch alleen in Israel stand, en uit de wet, uit de psalmen en uit de profeten kende Israel de gedachten, de termen, de woorden, de uitdrukkingen, die straks noodig zouden zijn, om het Koninkrijk der hemelen te doen verstaan. Eerst zoo was er gedachtenwisseling, was er gedachtenuiting mogelijk, en kon Jezus zich aandienen, niet als een vreemde, maar als de beloofde der Vaderen, als de Messias in wien Israels gansche historie zich toetspitste. Bij zijn eerste optreden begint hij dan ook met uit Jesaia's profetie de beloften voor te lezen, en verklaart dan: Heden is deze Schrift in uw ooren vervuld geworden. Dat is de aansluiting aan Israels gedachtenwereld.

Waar dan tenslotte bijkomt \ve, \.persoonlijk milieu. Ware Jezus gestorven, had hij geleden, ware hij opgestaan en weer ten hemel gevaren, zonder personen achter te laten, die zijn getuigen konden zijn, zoo zou, na zijn verscheiden, alles weer tot het oude zijn teruggekeerd. Alleen door ranken uit te schieten, kon deze Wijnstok voortbloeien en vruchtdragen. Hiertoe HM v/a.ïta personen noodig. die een vasten kring om hen vormden, en die, na zijn heengaan, zijn getuigenis in de wereld zouden indragen. Welnu, die personen vond Jezus in Israel; en Paulus incluis zijn al zijn apostelen van Joodsche herkomst. Toch vond Jezus deze personen niet in Jerusalem, en en niet in Judea, maar bepaaldelijk in Galiiea. Dit nu was de noordelijke landstreek, waar het Pharizeïsme met zijn versteend nomisme veel minder invloed op had uitgeoefend. De bewoners dier streek golden voor „het volk dat de wet niet kent", d. w. z. voor een groep, waarin wel de geest van Israel voortleefde, maar zonder die ombuiging te hebben ondergaan, die het Pharizeïsme in Judea doordreef. Bij velen was dientengevolge de echte belijdenis verwaterd, maar er waren er dan toch bij wie die geest van Israel nog iets van de profetische schittering behield, en het zijn deze mannen en vrouwen geweest, die zich voetstoots en onverdeeld aan Jezus hebben aangesloten, en zoo hem den kring boden, dien hij behoefde. Niet alsof in dien engen kring niet ook veel van het nationale zuurdeesem school. Dat rusteloos dringen van de apostelen op de oprichting van het Koninkrijk in Israel, en dat vragen van die moeder, wat hooge waardigheid haar zonen in dat nieuwe Koninkrijk bekleeden zouden, bleef tot het laatste toe een scheidsmuur tusschen Jezus en de zijnen. Dit moest daarom tegengestaan, en allerlei verkeerdheid van inzicht moest in dien kleinen kring worden uitgeroeid, eer het volle, klare besef van het Koninkrijk der hemelen in dien kring kon doorbreken. Maar de gegevens voor aansluiting w^ren er dan toch. Hoe tragelijk ook, ten slotte is die kring dan toch tot recht verstand van Jezus verschijning gekomen, en door dien kring is, na zijn Hemelvaart, zijn zaak niet slechts bevorderd, maar heel de wereld ingedragen. En zoo verschijnt dan onze Koning als de Zoon des menschen, krachtens zijn herkomst uit Adam, Abraham en David, en vindt hij bij zijn verschijning in Israel het monotheïsme gereed, gereed ook de erkenning van Gods wet, gereed de gedachtenwereld, waaraan hij kon aansluiten, en niet minder gereed den kring van personen die zrja Geest in zich opnemen, en zijn Woord verstaan en uitdragen kunnen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1907

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Rege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1907

De Heraut | 4 Pagina's