Naar aanleiding van het plan
Amsterdam, 6 Dec. 1907.
Naar aanleiding van het plan, om tot een herziening van de bijbelvertaling te komen, schrijft Ds. Van Schelven in de Geldersche Kerkbode het volgende:
Heel het profeet, zooals wij dit hier en daar uitgestippeld vinden, heeft onoverkomenlijke bezwaren o. i.
Verbeeldt u even eene commissie, op dit oogenblik, saamgesteld uit verschillende kerk . groepen of genootschappen! Wat een allegaartje zou dat worden.
Bijbelvertaling is het werk der kerken, maar dan moeten het ook kerken zijn. Kerken, die eene belijdenis hebben; die zich uitspreken over den Bijbel; die zich daaraan ook houden.
Maar buitendien is de voorarbeid reeds gereed? reeds op weg?
Naar onze bescheiden meening hebben wij eerst noodig, dat verschillende taaikenners, kenners van de Oud-en Nieuw Testamentische en de daaraan zoo nauw verwante talen, het resultaat van hun studie van enkele deelen der H. Schrift neerschrijven; dat die resultaten beoordeeld worden door mededeskundigen.
De exegese en de dogmatiek spreken hier nog een aardig woordje in mêe.
Vertalen is een werk moeilijker dan schrijven, heeft men wel eens, niet geheel ten onrechte gezegd, daar men geheel in den geest van den schrijver moet inleven. En wie den Bijbel vertaalt, moet heel de leer der Schrift deugdelijk kennen, om niet door zijn vertaling bij den cathedraal in zuiver gothischen stijl een kapel neêrtezetten in romaansche bouworde.
Dr. A. Noordtzij, die voor eene nieuwe bijbelvertaling is, noemt eenige voorbeelden, hoe noodig de herziening is; een paar voorbeelden uit vele; maar zelfs die weinige worden direkt aangevallen (Hosea en Psalm 100). Dr. Noordtzij blijkt dadelijk in conflikt te geraken met Dr. A. Kuyper, die een uitnemend Hebraïcus is.
Het plan om de Statenvertaling te herzien, acht zeker ieder kenner gewenscht; maar over de wijze, hiertoe te geraken en haar te volbrengen, zal eerst nog wel wat discussie gevoerd worden. En dan de verwarring op philologisch en kerkelijk gebied Zal het er ooit toekomen? — Van de Kamperschool en de Theologische faculteit aan de Vrije Universiteit moet de stof komen; want aan de rijksuniversiteiten is geen theologie, en het lirerarische deel, dat vroeger Jjij de Godgeleerdheid behoorde, is te weinig theologisch om bij de herziene bijbelvertaling andere diensten te kunnen bewijzen dan van zeer secundairen aard.
Ook door ons waren gelijke bezwaren geopperd.
Laat ons hierbij mogen voegen, dat zelfs al wilde raen dezen arbeid aan de hoogleeraren in de theologie aan de Theologische School en de Vrije Universiteit opdragen, het haast wel van zelf spreken zou, dat zulk een op dracht niet aanvaard zou kunnen worden.
Om de eenvoudige reden, dat zulk een arbeid zooveel tijd zou eischen, dat ze er niet aan zouden kunnen denken, bij hun college en examenarbeid, ook dat werk nog te verrichten. En we betwijfelen, of hetzij curatoren der Theologische School, hetzij directeuren der Vrije Universiteit, er voor zouden te vinden zijn, de hoogleeraren in de exegese gedurende een aantal jaren van al hun academischen arbeid te ontslaan, ten , einde zich geheel aan dien arbeid der bijbelvertaling te wijden. Men zou dan even goed de theologische lessen kunnen sluiten, want een theologische opleiding tot het predikambt zonder colleges over de exegese is althans aan een Protestantsche hoogeschool ondenkbaar.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 8 december 1907
De Heraut | 4 Pagina's