GeheugenvandeVU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van GeheugenvandeVU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van GeheugenvandeVU.

Bekijk het origineel

„De oogst der aarde is rijp geworden”.

Bekijk het origineel

PDF Bekijken
+ Meer informatie

„De oogst der aarde is rijp geworden”.

19 minuten leestijd

[OUDEJAARSAVOND].

Want de ure om te maaien is ü gekomen, dewijl de oogst der aarde is rijp geworden.

En die op de wolke zat, zond zijne sikkel op aarde, en de aarde werd gemaaid. Openb. I4: I5b, I6.

De avoad van 't Oude jaar mag niet gedachteloos doorgegleden. Het wisselen van jaar met jaar is daartoe te ernstig. Schier vanzelf staat ge, aan dien mijlpaal toegekomen, even stil op den weg om achter u terug te zien op den weg, dien ge afliept, en aan de toekomst te vragen, wat ze u en uw huis brengen zal.

En nu moge De Heraut u ditmaal uit Gods Woord deze hooge gedachte voorleggen, dat alles in hemel en op aarde wacht op het einde, en dat, als in dat einde Christus onze Koning wederkomt, dit, het roepen van Gods engel zal wezen: „Zend nu, o. Rechter van levenden en dcoden, uw sikkel uit en maai, want de oogst der aarde is rijp geworden, en de ure om te maaien is gekomen!"

Dat denkbeeld van «« ÖÖ^JÏ? dien Christus maaien zal, en van een oogst, die op aarde rijp wordt, doet 't leven om u heen, en den gang der dingen op deze wereld, opeens in zoo geheel ander licht voor u treden.

Er is gezaaid; dat zaad is ontkiemd; het is bezig te rijpen; eens zal 't gerijpt zijn; en dan komt de oogst. Dien oogst zal Christus zelf met zijn sikkel afmaaien, en dan zal er geen tijd meer zijn, en komt het einde. Niet het einde der dingen. Veeleer zal 't rijk der heerlijkheid dan pas beginnen. Maar het einde van deze bedeeling in den tijd. Van dien tqd, die bij uren en dagen voortkruipt en in' jaren en eeuwen voortstuwt, en waarin ook gij; met al wat u lief aan 't hart is, met uw huis en volk be§lgtea zijt.

Van dat rijpen van een oogst zegt 't gewone leven ons niets. Soms moge de landman, van zijn akker huiswaarts keerend, roepen, dat hij 't zag groeien. Maar gemeenlijk gaat zelfs op den akker het groeien en rijpen zoo onmerkbaar langzaam toe, dat ge, dag voor, dag na, den groenenden akker beglurend, hem heden bij 't opgaan van de zon juist zóó terugvondt, als ge hem gister bij het ondergaan van de zon, in 't schemerdonker zaagt wegschuilen. En daarbij is dan nog alleen sprake van een oogst, die in enkele maanden uit het zaaisel voleind wordt. Wat zoudt ge dan in den gewonen gang des levens merken van een rijpen van den oogst der wereld, een groei én rijping die nu reeds duizenden van jaren, geheel onmerkbaar voor wie er zelf in leeft, voortgaat.?

Een schrijver van historiën moge, bij het overzien van de eeuwen die vergingen, een anders worden, een vooruit komen, een ontwikkeling van ons menschelijk leven in beeld brengen, maar van de jaren, waarin ge zelf meeleeft, is het of ze u aldoor het woord van den Prediker komen bevestigen, dat er niets nieuws is onder de zon. „Hetgeen geweest is dat is nu, en wat wezen zal, dat is aireede geweest, en God zoekt het weggedrevene." (3 : 15).

De dag, die komt, schijnt slechts een herhaling te zijn van den dag die ging. En mocht er al tusschen dag en dag ook dit jaar soms aangrijpende afwisseling van leed en vreugde zijn geweest, — zoo ge het jaar dat nu verging, legt naast het jaar dat daarachter ligt, en zoo al de jaren die ge reeds doorleeft hebt, in uw verbeelding naast elkander uitstalt, wat schijnt 't dan al eender te blijven. Vooral zoo ge niet zoozeer op uw persoonlijk leven let, als op heel het wereldleven om u heen.

Soms zelfs ondergaat ge zoo afmattende aandoening van eentonigheid in het leven, dat het u den geest meer vermoeit, dan dat het u tot hooger beseffen prikkelen zou. Nu weer Oudejaar, maar dat Oudejaar is er, zoo ge reeds op jaren kwaamt, reeds zoo dikwijls geweest. En altoos blijft het 'tzelfde. Veel liefs en veel leed dat uw Gsd over u geheugde, en m de wereld om u heen altoos dezelfde beroeringen, dezelfde worstelingen, een zee die voortgolft, en niet tot ruste komt. Maar ge merkt niet, waarop die rustelooze eb en vloed moet uitloopen. En zoo dikwijls ge uweer bij het strand der wereldzee neerzet, is en blijft het, voor als na, altoos hetzelfde schouwspel. Grootsch en machtig is het aan te zien, zooals het in de zee der volkeren toegaat. Altoos hetzelfde aangrijpend tafereel. Alleen maar, het vordert niet, er komt geen verandering in, het is of eindeloos op-en neergaan het doel van heel onze existentie is.

Het geloof zegt ons, dat er eens een einde zal zqn. Op het getuigenis der Schrift afgaande, belijdt ge dat eens de Christus zal weerkomen. en dat dan 't oordeel wacht, en dat daarna de heerlijkheid ingaat. Maar wat ge niet ziet noch ontwaart is, hoe lang die wederkomst van uw Heiland en Koning nog toeven zal. Ge zoudt zoo zeggen: Het einde kan nu zoo goed intreden als na nogmaals drie eeuwen, en evenmin is er een verklaring, waarom die wederkomst en het einde er niet voor drie eeuwen er geweest is.

Zeker, het getal uitverkorenen moet vol worden, maar die uitverkorenen die er nu zijn, en die er straks zijn zullen, had God, die in zijn almacht aan alle creaturen het leven geeft, immers even goed reeds in vroeger eeuwen ten leven kunnen roepen. En waarom het leven zóó langzaam voortkruipt, en een weg van zoovele eeuwen moet afleggen, eer de eindpaal bereikt is, neen, dit gevoelt ge niet, en het raadsel der eeuwen blijft u onverklaard.

Doch hoor nu den engel, die op Pathmos voor Johannes deze gedachte wakker riep: De wereld is als een akker, en uw God is de landman, en op dien akker der wereld heeft uw God het zaad uitgestrooid. En dat zaaisel groeit nu op, maar dat zaaisel vergt zijn tijd, om te groeien en om rijp te worden, en dan eerst, als op dien akker van uw God de geheele oogst zal gerijpt zijn, dan eerst wordt er de sikkel ingeslagen, dan eerst zal de wereld gemaaid worden, en dan eerst kan het einde komen.

Gij zoudt dien tijd willen verhaasten. Ge zoudt het onkruid uit dien akker nu reeds willen uit wieden. Maar ge kent de gelijkenis van uw Jezus: Laat ze saam opgroeien voor den oogst, en dan zal de Heere van den akker zeggen: Verzamel het goede zaad in de schuren en lees 't onkruid saam en doem het ten vure.

Beide malen de éene zelfde gedachte, dat heel het lot der wereld zijn bestemden tijd heeft. Dat al wat gebeurt en voorvalt, al de - eeutwcn-door, één gestadig proces van groeien en van rijpen is. Dat 't niet rijp kan zijn vóór zijn tijd. En dat eerst als die volle tijd van groeien en van rijpen voleind is, de ure van het oogsten komen kan. En met die aangrijpende gedachte in uw ziel geprent, treedt op eenmaal het lot der volken en der wereld in zoo geheel ander licht voor u.

Nu niet meer een eentonig eenerki, dat zich rusteloos herhaalt, maar in heel de historie gang, voortgang en het bestendig jagen naar een doel. Al ziet ge 't niet, en al merkt ge 't niet, steeds een anders worden van 't leven om u heen. Rusteloos door één machtig groeien, een zich ontwikkelen, een krachtiger, een voller, een rijker worden, en onder die rustelooze verandering een naar vaste wet rijpen van wat eens de oogst der aarde zal blijken, totdat de sikkel te gelijk in het koren en in 't onkruid wordt geslagen, en de aarde, heel deze wereld, zal worden gemaaid.

Een groeien, en een rijpen, eenerzijds van het goede zaad des Koninkrijks, een steeds rijker uitkomen van de krachten des hemels, van de macht van geloof, hoop en liefde. En daartegenover een gedurig feller en scheller uitschieten van het giftige zaad dat de Booze op dezen akker heeft uitgestrooid. Een groeien en rijpen van het goede zaad voor Gods zaligen hemel, en daarnaast en daaronder een rijpen voor het verderf van alles wat zich finaal tegen God en tegen zijn Christus heeft gekeerd,

Gewisselrj k, het ware ook denkbaar ge weest, dat onze God met één slag al het werk van den Booze ter neder geslagen en alle demonische macht verpletterd had. Maar dat zou een machtsdaad, en geen triomf van den Heilige zijn geweest. Triomf van den Heilige is er dan eerst, zoo de Booze eerst vrij spel krijgt, om al zijn onheilige macht in alle breedte en lengte, in alle vormen en op alle manieren te ontwikkelen, en zoo hij dan in 't eind toch blijkt te bezwijken. Het niet vol kan houden. Het moet opgeven. En in 't eind onder Gods rechtvaardig oordeel wegzinkt. j

En in dien strijd, in die worsteling staat gij thans middenin. En al wat om u voorvalt, en ook in dit jaar weer voorviel, is telkens niet anders dan een meetellende, gewichtige episode in die groote, bange worsteling tusschen wat rijpt voor God en wat rijpt voor het verderf.

Van daar in elk jaar, dat weer heensnelde, heerlijke openbaringen van Gods trouw, rijke uitingen van Christus koninklijke macht, zielverblijdende teekenen van den invloed der genade op ons menschelijk leven. Maar ook daartegenover bange uitingen van woede en boosheid, van ongeloof en opstand, van demonische pogingen om de zake Gods terug te dringen en afbreuk te doen aan de heerschappij van zijn Koninkrijk. En hoe meer nu èn in uw eigen leven, èn in 't leven van uw volk, al wat de fun­ damenten loswrikt, heel onze existentie dooreenschudt en u soms sidderen doet, door u in het licht van den strijd op leven en dood tusschen het Godsrijk en het rijk van den Booze bezien wordt, destemeer valt alle eentonigheid weg en faej^'.*; 't al hooger belangrijkheid voor u te krijgen. Ge staat dan als een veldheer op een heuvel, en ziet van verre de worsteling aan, en ge beeft, zoo dikwijls ge ziet, dat de heirschare Gods deinst, en ge jubelt in uw ziel, zoo dikwijls ge de macht der duisternis ziet terugdringen. En heel uw eigen leven en heel uw meeleveii met anderen, wordt dan één op-en nedergaan, al naar gelang in die worsteling de banier van het Kruis omhoog gaat, of voor een wijle neerbuigt en door de overmacht van den Booze in het slijk der aarde wordt vertreden.

Nu is in die worsteling die bij eeuwen gaat, een enkel jaar, als nu weer verliep, slechts een voorbijsnellend oogenblik. Maar voor wie sterk meeleeft, geestelijk meeleeft, is elk jaar toch rijk aan kentering, rijk aan een deinen en weer opkomen in golvenden strijd, 't Sterkst zoo ge op heel het leven der wereld let, maar toch ook waar ge u tot uw eigen land en volk bepaalt. Er was ook dit jaar weer groei en rijping van de macht, die ten verderve gaat en lokt, maar ook groei en rijping in wat heiliglijk voor God opwast.

Er was geen stilstand. Ook nu laat 't jaar dat verliep, weer het slib uit zijn stroom achter, en wie een geestelijk oog heeft, ziet en wijst met den vinger aan, hoever de groei en de rijping weer vorderde, in wat rijpt voor de macht des levens, en in wat rijpt voor de macht van den dood.

De stedeling die langs een zaaiveld wandelt, ziet en merkt van het groeien en rijpen op dat zaaiveld niets. Maar de man wiens het land, en die kenner is, ziet het en geniet er in. En die kenner is hier het kind vaii. Gpd, dat pp de tcaij^^jjii-dei^ tijtJeu acht geeft, het geklank hoort en in 't licht van het Goddelijk aanschijn voortwandelt, en daarom niet aflaat te bidden: Onze Vader die in de hemelen zijt, uw Koninkrijk kome, en van den Booze verlos ons!

Maar niet alleen op den akker der wereld groeit en rijpt 't voor den oogst. Het moet voor dien oogst ook groeien en rijpen in uw persoonlijk leven en in het leven van uw gezin. En hieraan toegekomen, erlangt elk jaar levens, dat weer heenging en werd afgesneden, nog veel ernstiger beteekenis. Immers voor de wereld telt het bij eeuwen, maar voor u bij een klein aantal levensjaren. Alleen zoo we zeer sterk zijn, tachtig jaar, nog niet eens éen enkele eeuw.

Het groeit en rijpt op den vollen akker, maar ook groeien en rijpen de enkele halmen, en éen dier enkele halmen zijt gij. En ook bij u, in uw persoonlijk leven, is geen stilstand. Ook bij u is er een wassen voor den oogst die komt. En voor u loopt dat proces in zeer enkele jaren af. Als ge straks het hoofd buigt en sterft, is de oogst van uw leven beslist. En voor die beslissing nu is een vol jaar, dat weer weggleed, van zoo hoog ernstige beteekenis. Want het duurt zoo kort, eer uw leven uit is. En in die korte spanne tijds moet het alles in u met den dauw des hemels zijn natgemaakt en door de Zonne der gerechtigheid gekoesterd zijn, indien althans de einduitkomst van heel uw leven op aarde, geen rijpen voor het verderf, maar winste voor de eeuwigheid zal zijn. Of ge het merkt, of niet merkt, jaar in aar uit, groeit en rijpt het ook in uw persoonlijk leven aldoor. De vraag is maar, wat er groeit en rijpt: het zaad des j Koninkrijks dat genade in uw ziel uitstrooide, of het zaad van onheiligen oorsprong, dat ge reeds in u droegt, toen ge ter wereld kwaamt. En dat groeien, hetzij in het heilige, 'tzij in het onheilige, is elk jaar van uw leven rusteloos in u doorgegaan. Doorgegaan, ook dit jaar. En de zielkenner, die uw innerlijk bestaan haarfijn kon ontleden, zou u met verbijsterende nauwkeurigheid kunnen aanwijzen, wat er ook dit nu afgeloopen jaar in u hooger opschoot en den bloesemknop begon te ontplooien, 't zaaisel in u uitgestrooid door de hand uws Gods, dan wel het booze zaaisel dat ge met u bracht in uw zondige geboorte.

Het scheelt wel bij den één of bij den ander. Sommigen leven zeer sterk en schieten snel soms o, zoo hoog óp, terwijl anderen schijnen steeds dezelfde te blijven. Maar die schijn misleidt. Wat leeft staat nooit stil. En al is de groei en de rijping, 't zij van het goed, 'tzij van het kwaad, in meer dan één, die schier versteend schijnt, voor u niet waarneembaar, ja, al ontvingt ge ook van uzelf soms den indruk, alsof ook gij steeds bleeft die ge waart, weet wel dat dit niets dan zelfbedrog is. Ook gij zijt niet meer die ge een jaar geleden v/aart. Ook u heeft ook dit jaar weer verandering doen ondergaan. Ook in u is gegroeid en gerijpt. En de vraag, die voor uw toekomst, die voor uw eeuwig wel of wee beslist, is maar of het een groeien en rijpen was van de heilige krachten ten leven, ofwel van de onheilige inmengsels in uw innerlijk bestaan.

Dit is daarom het zelfonderzoek, waartoe de avond van 't Oudejaar u prikkelen komt. Hoe ging 't dit jaar in uw ziel toe? Groeiden en rijpten in u beide zaaiselen gelijk op? Bleef het goede zaad in groei achter? Of wel heeft de groei van het heilige zaaisel in u overmocht? Ook uw leven gaat straks ten einde. Als een dief in den nacht kan de Beschikker over uw leven u overvallen. Ge weet niet hoe kort of hoe lang het nog zijn zal. En toch, als, straks het einde u overvalt, zal de uitkomst van den oogst in u beslist zijn. Maak dan zelf de rekening voor uw ziele op, en vraag het u af, of wat ook dit jaar rijpte u winst ten leven bracht, of wel dat ge onbedachtclijk rijpen liet wat den groei van het heilige in u onderdrukt.

De wereld weet hier niet van, en kent dien strijd niet. Maar gij, die immers gelooft, gij vieet en belijdt het, dat er ook om uw ziel geworsteld wordt tusschen Christus en den Ver klager der heiligen. En in dien strijd zijt gij medestrijder. Wat nu zijt ge dit jaar geweest? Medestrijder tegen den Booze met uw Heiland? Of hebt ge uw Heiland bedroefd, en in udoen rijpen wat uit uw onheilige natuur was ?

Op allerlei wijs is ook dit jaar aan uw ziel gearbeid. Door droefenis die uw God u bracht, om u te verteederea. Door vreugde, waarmede Hij u verblijdde, om u Zijn liefde te doen waardeeren. Hij is u tegengekomen met verzoeking om uw geloof te beproeven, en heeft u ondersteund met genade voor genade, om u in den strijd staande te houden. Hij heeft u geprikkeld in uw conscientie. Hij heeft u aangesproken lioöT anderer x> ordeel over uw dóen én laten, opdat ge u zelf toetsen zoudt. Hij heeft u door zijn Woord gevoed. U gedrenkt uit de Fontein des levens. Ook in uw ziel ging 't groeien en rijpen niet zonder invloeden van buiten toe, van invloeden uit het Koninkrijk, en van invloeden uit de demonische wereld. En meer nog dan anders komt nu op het Oudejaar de vraag tot uw ziele, wat van dit alles de uitwerking en de uitkomst is geweest. Of er ook dit jaar veel in u gerijpt is voor den hemel, dan welofer noodlottigerwijs weer allerlei in u gerijpt is voor den giftigen oogst waarin de Verklager uwer ziel bij uw God zich verheugen wil.

Dit is de vraag van uw persoonlijk leven. Maar ge hebt een verantwoordelijkheid bij uw God, niet enkel voor uw eigen ziel, maar ook voor de zielen die u in uw gezin zijn toevertrouwd. Er rijpt een oogst inde wereld, maar er rijpt ook een oogst in uw huislijk leven. Als man, vrouw en kinderen vormt ge saam een kleine wereld, waarin evenzoo als in de wereld daarbuiten, tweeërlei zaaisel opwast. En in dezen kleinen kring is een ieder mede verantwoordelijk voor wie met hem saamleven. Van elk gezin gaat kracht, gaat invloed naar buiten, en van elk gezin gaat een geest uit, die hen die er in saam wonen, beheerscht.

En ook voor zulk een gezin is een jaar levens zoo lang, zoo veel, zoo beslissend. Dat saamleven duurt veelal nog korter, dan 't leven van den enkelen mensch is. Kinderen die eerst als ze de zeven jaar overschreden, gaan meeleven, verlaten het gezin soms reeds als ze veertien, vijftien jaren zijn geworden. Maar ook al duurt dit tot het twintigste jaar en meer voort, de vormende kracht van het gezin moet toch meestal in een kleine twintig jaar haar doel bereikt hebben. En daarom zegt een vol jaar dat weer verliep, voor het gezinsleven zooveel.

Vandaar dat op eiken avond van het Oudejaar het gezin saamkomt, en zich voor Gods aangezicht vereenigt. Voor een ieder persoonlijk is de eigen jaardag de dag die het diepst in de ziel grijpt, maar de avond van het Oudejaar is de gedenkdag, de dag van ernst voor God, vooral in het huisgezin.

Zijn ze er nog allen, die het vorig jaar dien dag van Oudejaar met ons doorleefden ? Of zijn er uitgegaan de wereld in, of ook heengegaan in den dood? Maar hoe dit ook zij, de winste des levens in een vol jaar voor uw God moet opgemaakt. Hebt ge in uw gezin gewonnen in levensernst, in heiligheid van levenstoon? Is er gewerkt door den een op den ander? En hoe was die werking? Kunt ge zeggen, dat het leven in uw gezin, bij vrouw en bij kroost, gegroeid en gerijpt is voor het heilige, of dwingt eerlijkheid u te erkennen, dat er verslapping was en inzin­ king, of althans geen vooruitgang in winste voor uw God?

En als dan deels ja vreugde u vervult over wat Gods verbeurde genade ook in uw kring bracht, maar ge toch ook anderdeels zelf wel voelt, dat dit lange jaar laag niet gaf wat het aan uw gezin in heiligenden zin had moeten brengen, zal dan die erkentenis u niet maar voor dit korte oogenblik verootmoedigen, of ook een duurzamen indruk in u achterlaten, die hope geeft op rijker winste in het jaar dat komt.

Zeker, ge zijt ook voor het rijpen van den oogst buiten uw gezin, in uw volk en in uw kerk en in uw vaderland, mede verantwoordelijk, maar dit alles hangt dan toch in de eerste plaats af van den invloed die van uw huis uitgaat, en die invloed hangt weer zoo innig saam met de winste voor God in uw persoonlijk zielsbestaan.

Wie zelf voor God rijpt, doet ook ongemerkt de winste voor God in zijn gezin rijpen, en zoo er winste voor God, in uw gezin rijpt, koestert ge vanzelf de halmen op den akker daarbuiten en doet ook daar den oogst rijpen voor uw God.

Leg daarom vóór alle dingen af den vaischen waan, alsof 't alles eender bleef, het ééne jaar voor, en het andere nk. Neen, het blijft niet eender. Wat niet groeit voor God, werpt een giftige vrucht af voor het rijk der duisternis. We moeten vooruit. Er mag geen stilstand wezen. Wat stilstaat wordt door beschimmeling achterhaald, bederft en sterft.

En mocht het dan zijn, wat God verhoede, dat de uitkomst van het weggevloden jaar u pijnlijk aangreep, en u schier van een verloren jaar, zoo niet van erger, deed klagen, laat dan de overdenking op den Oudejaarsavond ditmaal bij u althans deze vrucht mogen dragen, dat ge, ontevreden met u zelf en over u zelf, eens en voor goed paal en perk stelt aan zulk gedachteloos verspillen van uw leven.

De tijd kan vBofts zoo kort zijn! Wie zal zeggen, wie nog een volgend jaar het Oudejaar met ons zullen vieren? Wie zal zeggen of we zelf dan nog meê aan den huislijken disch zullen aanzitten?

Uw einde, en het einde van een der uwen, kon toch zeer nabij zijn.

En dan is het beslist. Dan moet volgroeid en gerijpt zijn, wat als de oogst van het leven, dat uw God u schonk, ten hemel zal worden ingedragen.

In dezen avond zelf komt uw God weer tot u, om nogmaals met al den ernst dien de jaarwisseling met zich brengt, u te roepen ten eeuwigen leven.

Mocht ook gij dan tot dat zalige volk behooren, dat ook op dezen avond „naar Zijn klanken hoort".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1907

De Heraut | 4 Pagina's

„De oogst der aarde is rijp geworden”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 29 december 1907

De Heraut | 4 Pagina's

PDF Bekijken