Dereenigingsleben.
NOOD IN ZETTEN.
Ze zijn in den laatsten tijd reeds zoo dikwijls becijferd, de ontzettende sommen, de millioenen, die Holland in Amerika is kwijt geraakt, dat we niet opnieuw aan zulk een becijfering zullen beginnen.
De weeklage over het verloren geld is al zoo veelvuldig gehoord, dat die weeklage niet meer behoeft herhaald te worden.
En de les, die dit zonlooze jaar — zonloos was het in natuurlijk en in fiaaaiieel opzicht — ons volk moet leeren, is ai zoo vaak voorgehouden, dat het, hier althans, niet nogmaals behoeft te geschieden.
Maar waar hier wél eens de aandacht op gevestigd mag worden, dat is de omstandigheid, dat m onze instellingen van liefdadigheid de terugslag van de geleden veilieien zich nu reeds zeer goed doet gevoelen.
Daar heeft men nu de Heldringgestichten in Zetten.
Als er ooit philantropische inrichtingen de liefde van bijna geheel een volk hadden, dan zijn het wel de stichtingen in Zetten, waar onze grijze Pietson al zijn levecskiacht en al zijn levensmoed aan gewijd heeft.
Wie zou hem met kennen en waardeeren, den ouden philantroop, den grooten strijder tegen de zonde, welke voor een volk de ontzettendste gevolgen na zich sleept, tegen de zonde der zedeloosheid?
Wie is er die als hij het zwakke, het gevallene in de maatschappij opzoekt, om het te steunen, te sterken, op te kweeken, om het op te richten en dan staande te houden, en daarna als bruikbaar element weer te geven aan de maatschappij, die het uitstiet?
Als er ooit een man gevonden werd, van wien iedere ademtocht schier besteed werd in dienst der zondige menschheid, maar in dienst bovenal van Hem, die gekomen is om het weg gedrevene te zoeken en te redden, dan is het zeker wel de grijze Christen philantroop in Zetten.
EQ de arbeid, dien hij daar in de verschillende huizen van barmhartigheid verrichtte en nog dag aan dag verricht, mocht in ruime, in zeer ruime mate Gods onmisbaren zegen erlangen.
Onder Ds, Pierson's leiding zijn de Zetten sche stichtingen in onze maatschappij onmisbaar geworden.
Wat zou er — om van de inrichtingen van onderwijs nu maar te zwijgen — moeten wor den van zoovele gevallen vrouwen, als zij niet in het asyl Steenbeek een toevlucht vonden, waar zij aan haar zondig leven onttrokken worden ?
Hoe zouden niet vele ongehuwde moeders voor het tijdelijke en eeuwige reddeloos ver loren gaan, indien de Heere het Magdalenahuis niet wilde gebruiken om haar daar echt-Christelijke barmhartigheid te doen ondervinden ?
Ea hoe vele jonge'meisjis, die in gevaar zijc tot een val te komen, of die althans voor ver keerde invloeden moeten bewaard worden, vinden niet steun en bescherming in Bsthel en Talitha Kümi?
Wat moet Ds. Pierson niet dicht bij 4ijn God leven, en niet in ruime mate van zijn Heiland het liefnebben van het afgedoolde geleerd hebben, om zoo zijn gansche leven aan den dienst der barmhartigheid te wijden en daarbij altijd moed te houden.
Ja, om moed te houden, daar behoort heel wat toe, vooral in een jaar als het nu achter ons liggande jiar 1907, waarin overal het geld begon op te raken, en ook, zoowel we zeiden, inrichtingen van barmhartigheid den terugslag ervan gingen ondervindan.
Is het te verwonderen, dat in den laatsten tijd uit Zetten, waar ook de engel des doods zijn offers kwam opeischen en rouw bracht in het huis van den grijzen Directeur, wien zijn levensgezellin ontrukt werd. — is het te ver wonderen dat ook van daar een droeve klacht komt?
IQ het laatste nummer toch van De Bode der Heldringgestichtcn wordt over „De donkere dagen voor Kerstmis' het vclgende geschreven:
»Het zijn donkere dagen.
«Donker ook door de vele slagen ons door hei buitenland toegebracht Het geld uit Nederland zuur verdiende spaarpenningen vaak, moest in buitenlandsche ondernemingen worden gestoken De binnenlandsche gaven zoo weinig 1 De buitenlandsche gaven hooge rente. Ook daar werd de boog gespannen lot het uiterste. Eindeliik kwam de breuk, de ontzettende ramp trof hoog en laag Het waren geen tonner), het waren millioenen, die verloren gingen. Niet slechts de rente, hetgeheele kapitaal is we^. Menige welgestelde is tot den bedelstaf gebracht. Men heeft te veel willen hebben, het onderste uit de kan, het spreekwoord is aan velen bewaarheid geworden.
»Ea hoe staat het in Zetten? Ach, ook hier is het donker.......
»Ea in zulke dagen als men het liefste verloren heelt valt het moeilijk, belang te blijven stellen in die velen, die dagelijks tot ons worden gebracht.
»Want het Woord des Heeren is waarheid voor ons: »De armen hebt gij altijd bij u!« Wie er gaan, wie wij verhezen de armen büjfen.
»En welke armen ! Ze zijn niet onder een bepaalde rubriek te brengen. Ér zijn er van allerlei. Die door eigen zonde in de ellende zijn gestort en die door anderer schuld daarin zijn vervallen. Of ook, die nonit anders dan smart en ellende hebben gekend. Er zijn van die levens, waarover een grauwe nevel schijnt te hangen. Van allerlei komen hier en maken onze overvolle huizen nog voller. Ea intusschen blijven wij met onze zorgen meer en meer alleen want vele onzer vrienden verlaten ons gedwoneen door den nood der tijden.
«Vooreerst zijn daar de Opieidmgshuizen, zij geven het beste een beeld van den tijd terug Velen komen er hier, die het beter hebben gehad, die medegesleept zijn door dea stortvloed, die dijken en dam'uen doorbrak. Hoe gerust en veilig hebben zij zich geacht! Zij zagen hun erfdeel aanwassen, in bloei toenemen. Dan kwam de storm van buiten en joeg de vernielende golven over het iand.«"
En als dan de storm loeit, kunnen de gelden niet meer betaald voor hen die op Zetten verpleegd of opgeleid worden. Dan beginnen de inkomsten daar te minderen, terwijl de uitgaven stijgen.
Dan komt de winter met zijn meerdere be hoeften, de winter die aan zulke groote huis houdens als te Zetten eischen stelt, waaraan slechts met zooveel moeite en inspanning kan worden voldaan.
»Tegen den winter is er zooveel noodig! Moet er geen brandstof zijn, geen winterprovisie van aardappelen en dergeiijken? Moeten de winter kleedcren, de dekens met eens ter dege worden nagezien? De storm waait gaien in het dak en schoorsteenen er van af. Een nieuw laagje veif is ook geen weelde. Alles moet betaald worden en wij staan voor een tekort van zeshonderd gulden
»Van de Opleidingshuizen tot Steenbeek, welk een sprong! Wat hunne nooden aangaat, liggen zij vlak naast elkander. Ook daar ieder jaar een tekort van honderden De armen evenwel blijven ons zoeken. Op het oogenblik zijn er tien aanvragen waarvoor geen plaats is. Al de kamertjes zijn vol. In de naaikamer, in de wasch, in het werk zijn handen genoeg. Waren zij maar aliea bekwaam, dan kon er heel wat tot stand gebiacht worden. Maar zij moeten van alles leeren. En dan de voe ding, de geneesmiddelen, de verzorging! Wie die meiïjes alleen maar Zondags in de kerk ziet, begrijpt al, dat dit huis veel kosten moet. Langzamerhand ziet men de veiflanste gezichten rovder en krachtiger woiden. De bleeke kleur wordt'een blos, de gang veerkrachtiger. Het meisje dat vroeger opgroeide als een woekerplant, zich voedende ten kosie van anderen, is nu gereed om vruchten te dragen, die anderen ten goede kun en komen. Ia de opvoeding kan en mag niets ten halve ge daan worden £n waar het deze ongelukkige, vaak diep gezonken schepsels betreft, moet er zooveel mgebaald worden. Dat alles kost geld. Kunnen allen die dit lezen, niet samenwerken om het aanzienlijk tekort van dit jaar aan te zuiveren
Wat klinkt dat alles droef, we schreven haast „mat", „moedeloos".
Maar toch zijn er oo's in de donkere dagen voor Kerstmis wel lichtstraaltjis te ontdekken. Ea die straal'j: : s kernen soms zoo geheel onverwacht door de wolken heen breken.
Zoo heet het over het Magdalena-en Kinderhuis:
«Ook daar kwamen dagelijks berichten van op zegging van coniributien, wegens de ongunstige tijden. En de aanvragen om hulp namen toe. Toen heeft iemand, die ons kent, ons een goeden dienst bewezen, In een veel gelezen dagblad werd een uittreksel gegeven uit een van de bekende ctrcu'lairetjes, die ieder jaar verschijnen voor bet Kinderhuis, Dat heeft de aandacht getrokken in kringen, die anders door ons niet worden bereikt. Daaruit is hulp gekomen, van sommigen met een vriendelijk, moedgevend woord en een: «hadden wij het maar eerder geweten !« Op dit huis zien wij dus met minder bezorgdheid den winter tegemoet*.
Hoe gaarne dragen ook wij er een klein beetje toe bij om den nood te Zetten te helpen lenigen, door op deze plaats aan den schoonen arbeid te herinneren die in Zetten verricht wordt, en onze lezers er toe op te wekken, onzen hooggeachten Ds, Pierson te verblijden met eenigen financieelen steun voor het werk der reddende liefde, waaraan hij zijn gansche leven wijdt.
Zou het ook hier niet ten volle gelden, dat wie den arme geeft, den Heere leent?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1908
De Heraut | 4 Pagina's