» Uit de hand Gods.”
VII.
Wat het levensonderhoud der priesters betreft, kan er dus geen zweem van twijfel bestaan, of God de Heere wilde, dat het volk hiervoor door vrijwillige ofifergaven zorgen zou. De Schrift spreekt zich daaromtrent zoo klaar en duidelijk uit, dat elke tegenspraak hier uitgesloten is. Van eenige overheidsbemoeiing met dit onderhoud der priesters weet de Schrift niets.
Eenigszins anders staat het met de ver h zorging van het nationale heiligdom. Ook w die schrijvers, die volmondig toestemmen, e dat bij de verzorging van de priesters van een staatsbelasting nooit sprake is geweest, d meenen, dat dit wel het geval was bij de sorg voor het "heiligdom. Ze wijzen er op, dat reeds Mozes aan het volk een hoofde d lijke belasting voor het heiligdom heeft opgelegd; dat later, toen die belasting verruimd werd, de vrome koningen van Israel die belasting weer hebben geind, en voor het beheer dier gelden zelfs een staatscommissie hebben benoemd; terwijl dan de tempelbelasting, die in Christus dagen geheven werd, hiervan de wettige voortzetting zou wezen, In dit alles zouden we dus niet met een offergave, maar met een staatsbelasting voor het heiligdom te doen nebben.
Nu is het zeer zeker waar, dat Mozes voor den bouw van het heiligdom ook eerhoofdelijke schatting heeft geheven, en dat later, toen de tempel te Jeruzalem vernieuwd moest worden, de koningen op het heff« van die schatting weer hebben aangedrongen; maar behalve dat dit alleen als zeer excep tioneele maatregel is geschied, blijkt "uii 'vat de Schrift ons desaangaande meedeelt, dat ook hierbij van rechtstreekschen overaeidfdwang geen sprake is geweest.
Toen het heiligdom van Israel zou gebouwd worden, heeft God in de eerste plaats iaartoe van het volk een geheel vrijwillig ffir gevraagd, „Spreek tot de kindere.' [•iraeis, zeide God tot Mozes, dat zij voot Mij een hefoffir nemen. Van allen man, u/iens hart zich vrijwillig bewegen zal, zuli ^ij mijn hefoffir nemen." (Ex. 25 : i) Hierbij werd het dus geheel aan iedei persoon overgelaten, wat en hoeveel hi' *ilds ofiferen. Maar toen, juist in diezelfdt dagen, een telling van het volk zou plaat.' i/inden, gelastte God, dat ieder twintigjarig Israëliet, arm of rijk, een halven sikke •noest betalen „tot den dienst van de ten' der samenicomst." (Ex. 30 : i) Mqzes deeli dan ook uitvoerig mede in Ex. 38 : 25 en v.v. aoeveel deze schatting heeft opgebracht, er aoe ze besteed werd om daarvan de zilverer moeten van de berderen van het heiligdom sn de zilveren haken aan de pilaren var len voorhof te maken. Schijnbaar zou mer lus zeggen, dat men hier met een gewone belasting te doen heeft. En toch blijkt ui de nadere motiveeriag, dat hiervan geer < prake is. Vooreerst wordt ook deze halvt bikkel uitdrukkelijk een hefoffer genoemd voor den Heere, en er aan toegevoegd, dat dt Israëlieten dit offir geven moesten „ter verzoening hunner zielen, opdat onder hen geer plage zij, als gij hen tellen zult; " een uitdruk üing die met nadruk tot driemaal toe her naald wordt (Ex. 30:12, 15, 16). Hetheei „een hefoffer des Heeren, om voor uwe zielei > /erzoening te doen; " en het wordt het „gelo der verzoeningen" genaamd, dat „den kinderen Israels ter gedachtenisse zal zijn voohet aangezicht des Heeren, om voor uwe delen verzoening te doen." Daaruit blijkt, dat ook dit geld met een staatsbelasting vooi aet heiligdom niets te maken had; eei) belasting is geen „hefoffsr" en kan geer-„verzoening" te weeg brengen; het was eei offer, dat God de Heere van zijn volk vroeg, en waarvan Hij zelf het bedrag vaststelde.
Dat dit hefoffer in geld na dien tijd bij elke volkstelling geregeld door Israel is opgebracht, lezen we niet. De Schrift zwijgt nier over. Het eerst vinden we er weer melding van gemaakt onder de regeering van koning Joas. De aanleiding was deze, dat onder de voorafgaande regeering van de goddelooze Athalia, de tempel in jammerlijk verval was geraakt, ja bijna een bouwval was geworden. De vrome Koning Joas • wilde daarom den tempel herstellen, en legt nu niet zelf daartoe een schatting op aan Israel, maar laat de priesters bij zich komen en zegt tot hen: Trekt gij tot de steden van Juda en vergadert geld van het gansche Israel, om het huis uws Gods te beteren van jaar tot jaar." (2 Kron. 24 : 5 en v. s of 2 Kon. ïS : S). Aangezien hierbij uitdruk i kelijk gesproken wordt van „de schatting van Mozes, den knecht des Heeren, en van de gemeente van Israel voor de tent der getut o genis, " blijkt daaruit, dat men ook toen, h met een beroep op Ex. 30, weer een hoof „ delijke schatting van een halven sikkel van d het volk gevraagd heeft. Oogetwijfeld is o het juist, dat het initiatief hiertoe van den Koning is uitgegaan, maar het is opmerkelijk, dat de Koning de inning van dit hefoffer niet opdraagt aan zijn koninklijke beambten, maar aan de priesters en Levieten, en dat van een igenafz^aw^ daar bij door den Koning op het volk uitgeoefend, geen sprake is. „Men deed een uitroeping in Juda en Jeruzalem, dat men den Heere inbrengen zou de schatting van Mozes, den knecht Gods, over Israel in de woestijn. Toen verblijdden zich de oversten en het volk, en zij brachten in en wierpen in de kist (die tot dat doel in den voorhof geplaatst was) tot men voleind had, " (2 Kron. 24:9, 10). Ook de bewaring en besteding van dat geld voor den tempelbouw werd aanvankejijk geheel aan de priesters toebetrouwd. Eerst toen C z b k h n w r „ t v a H E g d s leek, dat de priesters niet alleen laksch waren in het innen dezer gelden, maar — wat nog erger was — het ingekomen geld zelfs niet gebruikten voor het aangegeven oel, en dat zoo jaren lang de hertelling van 'den tempel uitbleef, trad de Koning weer tusschen beide, riep de priesters over dieze nalatigheid ter verantwooring, en nu werd èn de zorg voor de inning an het geld èa de besteding daarvan voor den tempelbouw, gesteld onder voortdurende ontrole van den hoogeprie.'ster en desKonings schrijver. Uitdrukkelijk staat er echter bij, dat dit alles geschiedde met bewilliging der priesters zelf: en de priesters ewilligden van het volk geen geld te nemen, noch de breuke van het huis te verbeteren." (2 Kon. 12 : 8). Op gelijke wijze heeft pok Koning Josia in later dagen gehandeld, toen wederom de „breuken van het Huis des Heeren" moesten verbeterd worden. (2 Kon. 22 : 4 en 2 Kron. 34:8 en V.V.).
Zeer zeker hebben in deze beide bijzondere gevallen, toen A& tempel hersteld mo^st worden, de Koningen van Juda zich met deze zaak bemoeid en mede zorg gedragen, dat die herstelling geschiedde. Maar zelfs dit éénige voorbeeld van Overheidsbemoeiirg met de fioantieele aangelegenheden van den eeredienst, pleit eer voor dan tegen onze stelling. Het toont, hoe de Koning alleen in zeer buitengewone omstandigheden ingreep ; hoe voorzichtig hij ook dan te werk gmg en van alle rcchtstreeksche inmenging dch onthield, zoolang dit mogelijk was; en Hoe van eenigen dwang om deze schatting te innen, geen sprake is geweest.' Zelfs als de priesters schromelijk in hun taak te kort schieten, wordt alleen met hun bewilliging eets koninklijk beambte aan den - loogepriester toegevoegd. Klaarder en duidelijker kan wel niet blijken, hoe weinig ie Overheid over de finantieele aangelegenaeden van den tempel te zeggen had.
Van deze „teropelschatting" lezen we na Joas en Josia niet meer. Ze schijnt alleen gevraagd te zijn met oog op de tierstellicg van den tempel. Eerst na de oallingschap, toen de Joden onder E era en Nehemia waren teruggekeerd, is er weer - prake van een hoofdelijken omslag, maar hans in geheel anderen vorm. In Nehemia 10 lezen we eerst dat het volk een eed doet, iat het al de geboden des Heeren, die Hij ioor de hand van Mozes geboden had, «ouden zou, en daarna volgt in vs. 10 : „voorts zetten wij ons geboden op, ons jpleggende een derde deel van eenen sikkel in het jaar, tot den dieast van het huis snzes Gods, tot het brood der toerichting in het gedurig spijsoffèr, en tot het gedurig brandoffer enz." Reeds hieruit olijkt dat deze schatting niets met de „schatting van Mozes" te doen heeft gehad. Met nadruk toch wordt er op gewezen, dat lit geen Goddelijk gebod was, maar een g; e.bod, dat de gemeente zich zelve oplegde. Nehemia maakt daarom scherp onderscheid tusschen de Goddelijke geboden, die hij icrst opnoemt, en dezen hoofdelijken ontslag, jvaartoe het volk zich zelf verplic^' liet was dus een vrijwillige verbintenis. Ji^ enlien zou deze scKatting/arf^-Zy^j opgebracht worden, waarvan Exodus niets weet; voorts oedroeg de schatting niet een halven, maar een derden sikkel, en eindelijk diende ze niet voorden opbouw van het heiligdom of zijn herstelling, zooals bij Mozes en de Koningen, maar om de kosten van den gewonen eerelienst, de toonbrooden, de brandoffers ens. te betalen. Hoe .sommige schrijvers dan ook ^temeend hebben in deze „schatting" van Nehemia dezelfde schatting van Mozes en van Joas en Josia weer te vinden, mag wel ien raadsel heeten, waar Nehemia zoo beslist mogelijk juist het tegendeel verklaart.
Eerst in veel later tijd is deze vrijwillige schatting, die Israel zich zelf opgelegd had, verhoogd geworden tot een halven sikkel of gelijk men het toen noemde, een didrachme Ze verloor ét irbij allengs haar oorspronkelijk Karakter van een vrijwillige b'jdrage voor den eerediens', en werd nu steeds meer een door de priesters geeischte belasting Toen iijn de priesters zich ook op Ex. 30 gaan beroepen, ten einde voor deze belastiijg een rechtsgrond in de wet te vinden, en werd in verband daarmede geeischt, dat deze belasting in den vorm van een halven sikkel, de oude heilige munt, moest betaald worden. Aparte beambten werden zelfs aangesteld om deze belasting te innen, en zelfs schijnt het onder de Maccabeër-vorsten voorgekomen te zijn, dat deze tempelbelasting ook •met dwang geind werd. Althans in de Mishna staat, dat bij niet-betaling van deze belasting de goederen van den onwillige in beslag konden genomen Worden.
Deze belasting voor den tempeldienst werd ook inde dagen van denHeereJezus geheven en in verband daarmede staan de wisselaars in den tempel, die de gewone munt inwisselden, voor den heiligen sikkel, die voor het heiligdom betaald moest worden. Men weet, hoe de Heere Jezus, in heiligen ijver ontstoken, die wisselaars uit den tempel heeft gedreven, omdat ze het huis Gods „tot een huis van koophandel gemaakt hadden." Reeds daaruit blijkt wel, hoe Christus over deze instelling der priesters dacht.
Maar nog sterker komt dit uit, in hetgeen Christus aan Petrus over deze belasting gezegd heeft. Toen nl. degenen, die deze belasting inden, te Kapern.ium tot Petrus kwamen en vroegen: Uw Meester, betaalt hij de didrachmen (i. i. de tempelbelasting) niet.' gaf Petrus wel wat overijld ten antwoord: ja. Christus wees hem daarop terecht. „Wat dunkt u, Simon, vroeg hij, „de Koningen der aarde, van wie nemen zij tol of schatting} van hunne zonen of van de vreemden? En als Petrus daarop ntwoordt: van de vreemden, dan zegt de Heere Jezus: Zoo zijn dan de zonen viij. n al heefc Christus „om geen aanstoot te even", gelijk hij zelf zeide, door de wonerbare vangst van den vi& ch, met den tater in zijn mond, gezorgd, dat Petrus de
didrachtnen voof hen beiden betalen kon, het beginsel zelf van zulk een gedwongen schatting voor den tempel is daarmede door Hem beslist veroordeeld geworden. (Matth. 17:24—27).
Dit 13 niet geschied, omdat deze g& ve voor dm tempel gevraagd werd en Chnstus den ceremonieelen tenipeldienstself afkeurde. Als de arme weduwe al haar leeftocht vrijwillig in de schatkist van den tenipel werpt, dan prijst hij haar hoog. Zelf ging hij op de hoogtij-feesten, naar den tempel op en aan de ceremonieele wet Gods heeft hij z»cii onderworpen al de dagen zijns levens. Maar wat Christus hier principieel afkeurt, dat isjmsléegedwongen belasting voor den eerediemt. Dat was een inzetting der priesters, waarvan de wet Gods niets wist. De zosen in het Koninkrijk Gods behooren vrijwillig hun gaven te offeren voor het huis van hun Vader in de hemelen, maar ze mogen niet gedwongen worden tot het betalen van tol en schatting. De Koning van het Godsrijk eischt geen sckaiting van zijn zonen, want schatting eischt men van vreemden, maar van kinderen niet. Zoo zijn dm de zonen vrij.
En Ctiristus zegt dit niet van zich zelf alleen, omdat Hij in eenigen zin de Zoon van God is; hij zegt dit, gelijk men thans wei algemeen erkent, van alle geloovigen met Hem, voorzoover ook zij „zonen Gods" zijn. De meervoudsvorm duidt dit aan. En daarom heeft Meyer volkomen gelijk, wanneer hij in zijn commentaar opmerkt, dat Christus hier het beginsel uit preekt, dat de geioovigen geen tempelbelasting 'pehoeven te betalen, omdat zij kinderen Gods zijn.
In de belasting ligt altijd een knechtsverhouding. Daarom is ze in strijd met het kindschap Gods en voegt noch bij Israel noch bij de gemeente van Christus Jezus. Zelfs onder het Oude Testament heeft God daarom nooit zulk een gedwongen belasting voor Zijn dienst aan zijn volk opgelegd, want Israel was Zijn zoon, Zijn eerstget)orene (Exjd. 4 : 22), Zoolang deze zoon nog met mondig was en onder het tuchtmeesterschap der wet verkeerde, werd zeker als kind hem voorgeschreven, welke offers, tienden, eerstelingen hij te brengen had, maar de kindsbetrekking ging ook dan niet te loor, want God de Heere vraagt deze gave, maar neemt ze niet met dwang. Eerst later, na de ballingschap, als de wettische geest overhand krijgt en het Pharizeïsme den volksgeest vergiftigd heefc, komt in stee van het hefoffer op het altaar, de didrachmenbeiasting, door priester-beambten van het volk geeischt met bedreiging van verbeurd verklaring der goederen. Een nationale belasting voor den eeredienst!
Daartegen nu gaat juist het protest van Chri-stus.
Hij zal om geen ergernis te geven ook die tempelbelasting betalen, maar tegelijk drukt hij haar het schandmerk op het voorhoofd. Ze vloekt met hst kindschap Gods, waartóe Israel en waartoe de Kerk van Christus, geroepen is. Want van zr^^^zdtii wordt iselasting geeischt, maar van zonen MtT.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 5 januari 1908
De Heraut | 4 Pagina's