„Tot de haven hunner begeerte.”
Dan zijn zij verblijd, omdat zij gestild zijn, en dat Hij ze tot de haven hunner begeerte geleid heeft. Psalm 107 : 30.
De gang door het leven is ons, vooral door Bunyan's teekening, een pelgrimsreis geworden, en in die teekenicg was de pelgrimsreis meest een tocht ever land. Maar ook de gang over de groote wateren, en de vaart over zee, is als beeldspraak voor die pelgrimsreis vol zin en beduidenis. Of wat pdgrim leest in Psalm 107 de woorden: „Dan zijn ze verblijd, omdat Hij hen tot de haven hunner begeerte geleid heeft" zonder vanzelf aan het ingaan in het beter vaderland te denken, aan het thuiskomen in het Vaderhuis bij zijn God?
In vier machtige trekken beeldt de Psalmist in dien psalm de worstelicg des levens uit: lO. De verdoolde zvferver, 20. de van vrijheid beroofde, 3". de op het krankbed neérgeworpene, en dan 4» wie bijna schipbreuk leed op zee. Die vier grijpt hij uit de werkelijkheid van het leven, maar houdt ze ons tevens als beeld van het geestelijk leven voor.
Eerst de nomadische zwerver, die verdwaald in de woestijn, geen pad meer kent, van dorst
versmacht, en nu gluurt in alle richting, of er geen plek der ruste opdoemt in de veite, die zijn ziel die overstelpt is, vrede brengen kan. Tot hij naar God roept, en zijn God hem verhoort, en „hem leidt op een rechten weg, om te gaan tot een stad ter woning."
Dan komt het beeld van den ellendige die, van vrijheid beroofd, in zijn kerker versmacht, „gebonden met verdrukking en ijzer", verkwijnend in „de duisternis en de schaduwe des doods." Tot ook die ellendige tot God roept, en zijn God hem verhoort, en Hij de „koperen deuren verbreekt en de ijzeren grendels springen doet, " en hem zijn vrijheid hergeeft.
Daarop volgt het derde beeld, dat van den kranke, die zoo bang op het ziekbed is neergeworpen, dat „alle spijs hem gruwelt, en de poorte des doods" zich reeds voor hem ontsluiten wil. Tot ook deze doodelijk kranke tot zijn God roept, en zijn God hem verhoort, en „zijn woord uitzendt en hem heelde."
En daarna schildert de psalmist het vierde beeld, van hen die „ter zee met schepen afvaren, handel doende op groote wateren." Over wie de stormwind opsteekt, dat de golven der zee omhoog gaan, en hun scheepke danst en waggelt op de baren, tot al hun zeemans wijsheid verslonden wordt, en hun ziel versmelt van angst, zooals de afgronden zich onder hen openen. Tot ook zij tot den Heere roepen, en hun God hen verhoort, en „den stormwind doet stilzwijgen", en „Hij hen leidt tot de haven hunner begeerte".
Den gang door het leven in het beeld van den zwerveUng; de kwelling die menschen ons aan doen in het beeld van den van vrijheid beroofde; de gevaren die in ons eigen wezen schuilen, in den verkwijnende op zijn ziekbedj en eindelijk de benauwdheid die uit het leven zelf over ons komt, in het beeld van wie bijna schipbreuk leed, maar door God geleid wordt naar de haven zijner begeerte.
De pelgrimsreis met al haar weeën, en altoos de trouwe onzes Gods die den pelgrim, als hij tot Hem roept, uitredt en verlost.
Ook gij dobbert in uw scheepken op de golven van het leven, en ook u kan de storm wind achterhalen. Zeg dan: Waar gaat voor u de vaart van 't leven heen? Wat is voor u de haven waarop ge aanhoudt? Waar ligt voor u de haven aan het eind van de reis, waar de begeerte uwer ziel zich naar uitstrekt?
Onderweg en langs de kusten kunt ge ook allerlei andere havens aandoen, om er lading in te nemen of te lossen, of ook een tijdlang u in ruste te verkwikken. Maar dit alles is in h«t voorbijgaan; het is niet de haven, waar ge voorgoed wilt landen; niet de haven waar de reis heengaat; niet de haven uwer begeerte.
Ook die andere havens, die ge in het voorbij varen aandoet, hebben wel haar beteekenis, haar beteekenis ook voor uw persoonlijk leven. Ge stuurt als jonge man aan op een positie in het leven; ge stuurt aan op het rijk bezit van een eigen huisgezin; en, in de wereld opgetreden, streeft ge naar steeds invloedrijker werkkring, naar rijker invloed, naar bezit ook van het goed der aarde; en, is eenmaal dit alles verworiren, dan stuurt ge aan op een onbekommerd bestaan voor den cuden dag. £n dit alles is zoo door uw God gewild, het is in zichzelf niet zondig. Alleen maar, in niets van dit alles mag de haven uwer begeerte worden gezocht.
Dit alles zijn havens, waar ge tijdelijk landt, waar ge een tijdlang verkeert, maar die ge straks weer verlaat, om verder te reizen; en dan gaat het naar het eind van de zeeën, tot de vuurtoren van de haven uwer begeerte u van verre zijn glanzige lichtstralen tegemoet zendt, en ge, op dat licht afgaande, uw anker op de ree uitwerpt, en als het morgenrood is opgegaan, uw scheepken „de haven uwer begeerte" doet binnenglijden, om dan voor eeuwig te blijven bij uw God.
Maar hier nu sluipt het zelfbedrog van ons hait in.
O, gewisselijk, als in het eind de stormwind van den dood u achterhaalt, wilt ge niets liever, dan in de haven der eeuwige ruste aanlanden; maar voor zoovelen is die haven der eeuwige ruste dan niet de haven hunner begeerte, maar veeleer een noodhaven. Als ze toch sterven moeten, dan naar het Vaderhuis, maar liefst blijven ze van die haven der eeuwige ruste'zoo lang 't kan af, en de wezenlijke haven hunner begeerte is niet bij God, maar is de wereld, het rijke gezin, de bloeiende levenspositie, de eervolle en onbekommerde oude dag. Daar sturen ze op aan. Daar richten ze het kompas naar. Daarheen strekt hun begeerte zich uit £n dan, ji, het Vaderhuis, als alles op aarde wegvalt. De haven waar ze ten slotte wel in willen, maar niet, eer tot elke andere haven de toegang hun is versperd.
En hieraan nu wordt uw hart gekend.
Niet alsof al de dagen uw levens u één rusteloos jagen naar den dood moest bezielen. Aan elk onzer geeft God bij ons scheepgaan tijn lastbrief voor de vaart meê. Voor den één een vaart die korter, voor den ander een vaart die langer zal duren. En voor een iegelijk is in dien lastbrief aangegeven, welke andere havens we onderweg hebben aan te doen; hoe lang we daar zullen vertoeven; wat we daar zullen lossen, wat we daar zullen innemen; en op wat tijdstip we weer verder hebben te gaan.
Maar het doel van de reis mogen we niet vervalschen. Veranderen kunnen we er toch niets aan. Het gaat toch zooals God 't voor ons besteld heeft. Maar ge kunt het doel van de reis vervalschen in uw hart. En dat doet ge, als de laatste haven, die God in uw lastbrief schreef, niet van meet af, niet aldoor, 't zij ge voor anker ligt of, doorvaart, de haven uwer begeerte is en blijft.
De reis van 't leven gaat naar God toe. Eerst in de laatste haven waar ge zult binnenvallen en uw God vinden, zal voor u de eeuwige ruste ingaan. Uw leven moet in zijn voortgang een steeds nader bij uw God komen wezen. En zooals het gejaagde hert dorst naar den waterstroom, zoo ook mo& iuwbegeerte, aXM7t\cyt\ door, zijn, om bij die haven uit te komen, die u G voor eeuwig bij uw God zal brengen.
In de havens, waar ge tijdelijk aanlegt, kunt en moogt ge wel genieten, genieten ook in het volbrengen van uw plicht. Dat is een vreugde, die uw God u in het voorbijgaan schenkt. Ook moogt ge uw vertrek niet verhaasten, maar moet ge er blijven zoolang uw God het wil. Die vreugde, die blijdschap der plichtvervulling, schenkt God u als tegenwicht tegen de bangheid van den stormwind, die op de groote wateren u telkens overviel. Maar het einddoel van de reis mag daarom niet verdonkerd worden.
Niet pas als ge oud wordt en de amandelboom op uw schedel bloeien gaat, — leeds als kind, als m T jongeling, als man, moet bij uw God uit te komen, de haven uwer begeerte zijn. Ge begeert allerlei van het leven, en als God het u te genieten geeft, zoudt ge ondankbaar zijn, zoo ge er niet in genoot. Maar boven alle andere begeerten moet steeds de begeerte, om bij uw God, om in het Vaderhuis, in het beter vaderland uit te komen, hoog uitgaan. „Kom, Heere Jezus, ja, kom haastelijk I" moet de bede onzer ziel zijn, niet pas aan het eind van de vaart, maar al de dagen die we op de zee van 't leven omzwalken. „Ja, mijn ziel dorst naar den Heer, God des levens, ach, wanneer zal ik naderen voor uw oogen, in uw huis uw naam verhoogen!"
Dan gaat de vaart kloekzinuig en vastberaden voort en verder. Overal waar God 't wil, landen, maar nergens landen om er te blijven. Altoos voort en verder. Niet om valsche idealen na te jagen, die toch telkens in de werkelijkheid ondergaan. Maar om aan het eind van de vaart bij onzen God uit te komen en dan, in de haven onzer begeerte binnengeloopen, eeuwiglijk het hoogste goed te genieten, omdat onze God, en onze God alleen, ons het Hoogste goed is, waar de begeerte van ons hart zich naar uitstrekt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1908
De Heraut | 4 Pagina's