Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Vereenigingstleven.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Vereenigingstleven.

5 minuten leestijd

ONZE JONGELINGEN.

I.

Als er op één terrein van het christelijk leven zich een prijzenswaardige actie openbaart in de laatste decenniën, dan is het zeker wel op het terrein der j ongelicgsvereenigingen.

Dat is in hooge mate verblijdend.

Bekend is het gezegde: geef mij het kind, en ge geeft mij de toekomst. Men heeft dat in onze christelijke kringen zeer goed verstaan, en daarom heeft men het gedoopte kind opgeeischt voor Koning Jezus, om het ook in de schooljaren te brengen onder een invloed, die met den geest van ons positief Christendom in overeenstemming is.

Maar men heeft ook begrepen, dat men het er niet bij laten mag, het kind naar de christelijke school te sturen; doch dat onze jongens, als ze de lagere school verlaten hebben en voor het meerendeel direct de wereld in moeten, ook ten opzichte van het vereenigingsleven voor de christelijke actie moeten opgeeischt.

Het staat tegenwoordig toch zoo, dat niemand, die in de maatschappij mee wil doen en niet achteraan wil komen, zich aan het vereenigingsleven kan onttrekken.

En de actie onzer jongelingsvereenigingen zou reeds alleen daarom gerechtvaardigd zijn, dat zij onze jongens afhoudt van een vereenigingsleven, dat gevaar oplevert voor hun gees­telijk leven.

Evenwel, de christelijke jongelingsvereenigingen in ons land hebben overvloediglijk getoond door haar niet genoeg te waardeeren arbeid, dat haar bestaansgrond niet uitsluitend, ji zelfs niet in de voornaamste plaats ligt in haar behoudend karakter, in haar conserveeren van de goede, christelijke traditiën onder onze jonge mannen, maar veel meer nog in haar opbouwenden en ontwikkelenden arbeid.

We hopen dit in een volgend artikel uitvoerig te kunnen aantoonen, doch wenden ons thans allereerst tot die vereenigingen, welke in het afhouden van onze jonge mannen van den weg des verderfs in de allereerste plaats haar kracht en beteekenis zoeken.

In verband daarmee laten we voor 't oogen-, biik buiten beschouwing de Gereformeerde Jonge-Ungsvereenigingen, die, ais we het wel bezien, in het groote, internationale leger van christelijke jongelingen een geheel eenige plaats innemen en een geheel eigen'beteekenis hebben.

Om de ware beteekenis te verstaan van de meer algemeen christelijke Jongelingsvereeai gingen, moet men de strekking begrijpen van een uitspraak van een ruim 70 jarigen arbeider op dit gebied, den Ameiikaanschen Professor S. F. Scovel, die zich aldus uitUet:

Het probleem van onze beschaving is het probleem der groote steden; het probleem der groote steden is het probleem der jongemannen, en — als ik nog verder mag gaan — het pro bleem der jonge mannen is het probleem van onze jongens.

En om nu dat probleem der grcote steden — dat internationale probleem — weer te begrijpen, moet men zelve als jongeling alléén, zonder vriend of maag, rondgedoold hebben in een groote stad, waar men ten eenenmale vreemd was, liefst aog wel in een stad in het buitenland, waarin men zich bewoog als een „kat in een vreemd pakhuis", zooals men dat wel eens teekenend neemt.

In zulke omstandigheden voelt men zich zelf hulpeloos en heeft men een zekere neiging om zich toetevertrouwen aan den eersten den besten, door wien men hulpvaardig tegemoet gekomen en met een vriendelijk woord begroet wordt.

Men moet dan bovendien aan zijne zijde hebben zien vallen, ten prooi aan allerlei grootestads-gevaren, zoo talloos vele jongelingen, die ook vreemd en zonder hulp in zoo'n groote stad kwamen en er reddeloos verloren gingen.

Als men dat zelve om zoo te zeggen mee doorleefd heeft, begrijpt men eerst recht, hoeveel zegen jongelingsvereenigingen verspreiden, die meer speciaal in het zoeken te behouden haar kracht vinden, al werken ze dan ook in dien zin niet zoozeer opbouwend, dat ze niet, als onze Gereformeerde jongelingsvereenigingen, van de Christelijke beginselen op Godsdienstig, maatschappelijk en staatkundig terrein zoo 'n uitgebreide studie maken.

Laat er echter terstond bijgevoegd mogen worden, dat de hier bedoelde vereenigingen allerminst op een twijfelachtig Christelijk standpunt staan.

In de eerste plaats theoretisch niet. Als bewijs daarvoor moge een aanhaling dienen uit de statuten van de Christelijke Vereeniging van Jonge Mannen te 's Gravenhage.

In die statuten leest men toch dit:

Zij stelt zich ten doel alle jonge mannen te dier stede te vereenigen, die volgens de Heilige Schrift Jezus Christus als hun Heiland en God erkennen, in geloof en leven Zijne discipelen willen zijn en gezamenlijk willen werken aan de uitbreiding van het rijk huns Meesters onder de jongelieden.

Daarnaast stelt zij zich voor de van buitenaf komende jongelieden met raad en daad broederlijk ter zijde te staan en de van God vervreemde jonge menschen tot zich te trekken en voor den Heer en Zijne gemeente te winnen.

Dat is zesr zeker geen dubbelzinnige taal.

En die praktijk?

Wie de christelijke jongelingsvereenigingen eenigermate kent, die in binnen-en buitenland zich hoofdzakelijk met het probleem der groote steden bezighouden, met den socialen arbeid onder de jonge mannen, weet, dat in die vereenigingen over 't algemeen een echt christelijke geest heerscht, en dat er een broederlijke zin gevonden wordt zooals die onder christelijke jongelieden behoort. Het christelijk leven bloeit er in niet geringe mate.

Die jongemannen-vereenigingen hebben meestal voor jongelui van eenzelfde beroep afzonderlijke afdeelingen, waardoor haar nul niet weinig verhoogd wordt.

Over 't algemeen moet ook'gezegd, dat, hoewel door die groepenindeeling jongelieden van de uiteenloopendste maatschappelijke positie in de vereeniging worden saamgebracht, er niets te merken is, van wat zou lijken op uitvloeisel van een zekere onderlinge klassenantipathie, om nu hier nog maar heel niet te spreken van klassenhaat, en klassenstrijd.

Het gaat hiermede ook al precieó als op andere gedeelten van het vereenigingsterrein; een christelijke levensopvatting biedt overal en altijd waarborg tegen klassenhaat.

(Wordt vervolgd)

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Vereenigingstleven.

Bekijk de hele uitgave van zondag 2 februari 1908

De Heraut | 4 Pagina's