„Twee of dcie beziën”.
Doch eene nalezing zal daarin overig blijven, gelijk in de afschudding eens olijfsbooms, twee of drie bezien in den top der opperste twijg, en vier of vijf aan zijne vruchtbare takken, spreekt de HEERE de God Israels. Jesaja 17 : 6.
Als de olijfboom zija vrucht begint af te werpen, sluipt soms een boos mensrh den hof in, ea haalt de vrucht er af. Esrst met de band, voorzoover hij er bij kan, en daa met langen stok, lot in de hoogste twijgen schuddead ea kloppend. Maar heel hoog, in de opperste twijgen, blijven daa toch soms nog een paar vtuchtjens hangen, of omdat de plukker ze niet zag, of omdat het fijae hooge twijgje niet losliet.
Zie nu ia zulk een olijfboom het beeld vaa Gods Kerk ia dit of dat stedeke, in dit of dat dorp. Ook die Kerk heeft in beter dagen rijk gebloeid. De vromen waren iü haar vele. Er was ritseling des Geestes langs alle takken ea twijgea. Eea plantinge des Heeren in zijn hof.
Maar ook in dien hof is ter kwader ure een boos measch ingedrongen; satan hielp; ea niet lang meer of ook die geestelijke olijfboom was ontledigd. Verval verving dea bloei der Kerk ia zulk een plaats. De oude vromea stiervea weg en de jongeren vulden wat weg ging, aiet aan. Het werd al dood ia den hof, waarin vroeger de glaas van dea komeadea oogst het oog verkwikte. De kandelaar is vaa deze gemeente weggenomen. Ze heet nog Kerk, maar ze is het niet meer. De plukker heeft niets oatziea, heeft niets gespaard. Elke tak is leeggeschud, elk twijgje is afgestroopt. Aaa heel den boom, die eens ia zijn weelde prijkte, is voor het bloote oog geea vrucht meer te ontdekken... Ea toch... bij 't opziea naar bovea heeft de gaardenier van deaea hof toch aog een overblijfsel oatdekt. Heel hoog, aan het opperste twijgje, half oader het blad verscholea, zittea nog twee, drie bezien, die de diefachtige plukker niet ontdekt heeft. Bij Jesaja beeldspraak om op het overblijfsel van Gods volk aa de verwoesting vaa Jerusalem te duidea. En aoo ook voor oas beeldspraak, om dea toestand aaa te geven vaa zoo meaig aan het geloof geheel ontzoaken'dorp, waar ge zoudt «eggea dat alles geestelijk dood is, en zie, er zija er toch nog twee, drie overgeblevea, die in stilheid nog eiken morgea en eiken avond neerknielen voor der vaderea God.
Die twee, drie eenlingea, die op zulk eea geestelijk-dorre heide zijn overgebleven, dat zija die „twee, drie bezien", die de profeet voor ons oog aog aan de opperste twijg laat wiegelen. Het geestelijk huis ontledigd; in de kerk van steen het ongeloof op dea Isansel; geen opzieners of diakenen meer die het geklaak kennen; wereldsch aller levenstoon geworden; Gods Woord verzegeld, dat niemand het meer openslaat; heel het dorp van de keanisse Gods vervreemd. Alles verloren. En dan toch heeft de Christus er soms nog zijn overblijfsel. Niet veel. Niet talrijk. Een twee-, drietal die nog bij het oudeblevea. Twee, drie „fijnen" die een aanfluiting voor de straatjeugd werden, waarop ieder met den vinger wees, maar die voor spot aoch sinaad uit den weg gingen, eu maakten dat ten minste in hua woning de
Schrift nog in eere bleef, de naam des Heeren nog werd aangeroepen.
Heel de boom ontledigd. Alle takken kaal geplukt. Alle twijgen afgelezen. Maar hoog in de opperste twijg, onder het blad zich verschuilend, nog die twee, drie bezien in den geestelijken olijfboom.
Zoo is het voor dertig en meer jaren in tal van plaatsen in ons lieve vaderland geweest. Niet maar enkele dorpen, maar heele steden waren toen geestelijk verdord. Uren gaans viel niet één prediker der gerechtigheid meer te beluisteren. Geen geestelijk boekje werd er meer gekocht. Wat er nog aan goede boeken geweest was, werd verkocht aan den uitdrager. Alles stierf uit. Christus kerk was er een geestelijk kerkhof geworden. Maar toch bleef er hier en daar altoos nog een enkele, die tegen den stroom oproeide. Twee of drie in het ééne dorp, die dan weer wisten van nog twee, drie ineen afgelegen dorp, en die soms elkaar opzochten en moed inspraken, maar toch eigenlijk zich niet anders inbeeldden, of het was met den wijngaard des Heeren in deze streek uit. Zijn muur doorgebroken. De vossen binnengeslopen. En het wilde zwijn wroetend diep in den grond.
En nu na dertig jaren is het in diezelfde dorpen reeds zoo heel anders. Uit de twee, drie vrome gezinnen zijn de kinderen groot geworden. God had ze met kroost gezegend. Zoo zijn nieuwe gezinnen opgekomen. Ter kerke liep men naar een heel ver dorp. Geestelijke lectuur drong in. Zelfs Christelijke bladen vonden toegang. Een Evangelist kwam de vergetenen opzoeken. Anderen die eerst van verre stonden, werden gewonnen. Een adem des levens toog over de vallei der doodsbeenderen. Eindelijk is er een Christelijke school gekomen. Eerst heel klein, maar allengs zich uitdijend. Tot zelfs de Kerkeraad omging, en wat nooit gedacht was, en niemand had durven hopen, weer een prsdiker der gerechtigheid den zoo lang misbruikten kansel beklom, en onder het breken van het brood en het plengen van den wijn de Dood des Heeren weer kon herdacht worden.
Dat begon met die twee, drie. Die twee, drie wisten stand te houden. Bij al den smaad, die op hen werd uitgegoten, wisten ze toch met hun gezin een eere voor den Christus te blijven. En God heeft hun volharding gekroond, verhoord hun nooit opgegeven smeeking. Nu bloeit Gods Kerk er weer. En op het kerkhof rust hun stoffelijk overschot in vrede. Nauwelijks kent men hun namen nog, en toch zij zijn de mannen en vrouwen geweest, die, toen alles aan den boozen plukker was • in handen gespeeld, de heilige vaten des Heeren met hun teederste zorge omringden.
Maar, al is 't aantal geminderd, toch zijn er nog altoos dorpen, waar 't nu nóg zoo is, gelijk het voorheen in zoovele plaatsen was. Alles modern, allis afgevallen, alles van de liefde des Heeren ver.reemd. Geen psalm des lofs meer aangeheven. En van al wat er eens geestelijk bloeide, hoogstens nog twee, drie bezien aan de opperste twijgen over. Soms onder hen een enkele gegosde landman. Maar meest kleinen naar de wtreld. Soms niets dan armen, maar armen die rijk in hun God zijn.
Voor die twee, drie is het op zulk een verlaten en ontledigd dorp een geheel eigen leven. Ze kennen elkaar. Ze zoeken elkaar op. Ze sluiten zich aan elkaar aan. Ze voelen dat hun de heilige vaten van hun God zijn toevertrouwd, en dat ze die met de uiterste zorg bewaren moeten. Geestelijk is hun omgang. Geestelijk hun gesprek. Een klein „gezelschap" vormt zich onder hen. En dan wordt Gods Woord opgeslagen. Een stichtelijk boek saam gelezen. Saam gebeden. En als 't even kan, en er een zanger bij is, een psaimvers Gode opgezongen.
Soms om te benijden.
Een veel inniger, godzaliger leven dan in dorpen, waar alles orthodox werd. Een vol, broederlijk vertrouwen dat den toon aangeeft. Soms te vetl geestelijk zelfbehagen en te weinig bekommering om de afgedoolden. Maar een rijk leven in Gods verborgen omgang. Zoo iets dat weer denken doet aan het leven der eerste Christenen. Afgezonderd van de menigte, maar juist in die stille afzondering iets van den eeuwigen Sabbath.
o. Als later^het geloof in een dorp weer doorbrak, en schier heel het dorp gewonnen werd, konden de ouden van dagen, die dien zoeten tijd gekend hadden, soms zoo terugverlangen naar die dagen van ouds. Het is later alles wel in de breedte uitgegroeid, maar innigheid en diepte heeft het zoo veelszins verloren. Die teedere liefde voor elkaar en voor eikaars gezin. Dat vrije onderling verkeeren. Dat voelen van de broeder-en zustetbanden. Dat half hemelsche leven in geeste lijke weelde. Het was in de afzondering en in de verdrukking zoo rijk geweest. En nu is het wel rijker in het getal, maar zooveel armer aan innigheid geworden. Neen, ze klagen niet, eer danken ze, want hun God heeft wonderen gedaan, maar toch, dat vroegere leven, toen de fijnen schier uitgejouwd werden, het had zoo veel schoons, dat nu verging.
Zoo gaat het op en neder in Christus' kerk.
Eerst het heel kleine kuddeke. Dan begint dat kleine kudde zich uit te breiden. Eindelijk is heel 't dorp gewonnen. Maar nauwelijks is de olijfboom weer met vrucht beladen, of ook de plukker sluipt in den hof binnen. Het geestelijk leven verarmt. Afval dringt binnen. Het geloofsleven veruitwendigt zich. En dan mindert het getal der degelijke vromen zich weer zienderoog. In steeds kleiner kring trekt het echte geloof zich saam. En weer zijn 't ten slotte twee, drie bezien die aan den oppersten top verblijven, om straks van die twee, drie weer nieuw leven te doen uitgaan. Dan bloeit de olijfboom weer aan al zijn takken. En zoo gaat 't op en neder. De takken zijn niet sterk genoeg om de weelde te kunnen dragen. Er is geen honger meer naar de gerechtigheid. En eerst als die honger weer nijpen gaat, dan komt de zegen van het Woord weer terug.
En, de wetenschap dat't zoo op en neder gaat houdt er dan den moed in, als het weer op de twee, drie bezien is uitgeloopen. Er is altoos weer een rijsje opgeschoten uit den dorren wortel. Zoo kan, zoo zal het met de hulpe Gods ook nu zijn. En daarom, nooit gewanhoopt, nooit vertwijfeld, al zijn er ook maar twee, drie overgebleven. De Heere kan wonderen doen. h
En dus ook nooit in zulk een stille afzondering beschimmelen in zelf behaagzieke mystiek, en veeleer altoos de heilige vaten des Heeren uitdragen, ja, niet rusten eer het Woord des Heeren weer m heel het dorp is uitgedragen. Altoos getuigen. Aldoor de conscientie aangrijpen Geen middel verwaarloozen. Zich geestelijk voeden om verder te kunnen. Niet als de mier, die alleen voor zich zelf oplegt, maar als de bij, die honig puurt voor de aemechtigen.
En voorts, laat ons, die in minder afgezonderde positie leven, die twee, drie broederen en zusteren in de eenzaamheid toch nooit vergeten, maar hunner gedenken in liefde, en voor hen doen, wat onze hand vindt. Ook ze gedenken in onze gebeden.
Maar bovenal, laat hun inniger, rijker geestelijk leven ons tot jaloerschheid verwekken. Laat de ruimte waarin wij ons bewegen, aan de innigheid van ons geestelijk leven niet te zeer afbreuk doen. Veruitwendiging van het geloof berokkent ons zoo bange geestelijke schade. Laat de goede hand onzes Gods, die ons snoer in zooveel lieflijker gaarde deed vallen, niet door onzerzijds geestelijke afkoeling verzondigd worden.
Die twee of drie in zulk een vergeten dorp, ze benijden óns zoo telkens ons rijker levenslot. Laat ons dan toezien, dat we niet door geestelijke armoede bij hen ten achter geraken, o. Het zou zoo heerlijk zijn, zoo in de tente, wier pinnen bij ons wijd uiteen zijn gezet, even diep en innig geleefd werd ais onder die twee of drie in de verstrooiing.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1908
De Heraut | 4 Pagina's