De classis Bolsward
Amsterdam, 13 Maart 1908.
De classis Bolsward heeft in een keurig rapport de vraag aan de orde gesteld, of bij de examinatie van de a.s, dienaren des Woords, ook onderzoek moet worden gedaan naar de »inwendige roeping."
Na eerst enkele historische opmerkingen gemaakt te hebben, gaat het rapport aldus voort:
In de derde plaats heeft Uwe commissie getracht, de dubbele vraag te beantwoorden, in welken zin voor zulk een onderzoek wel, en in welken zin daarvoor geene voldoende redenen zijn aan te voeren. Om met dit laatste te beginnen: men zou met dit onderzoek kunnen bedoelen een onderzoek naar de mate van levensernst en van godzaligheid, die bij den examinandus aanwezig zijn, welke dingen dan zouden moeten blijken uit een verslag zijnerzijds vds de wijze, waarop hij van den aanvang af met den door hem begeerden Dienst is werkzaam geweest, hoe hij ertoe gekomen is naar dien Dienst te staan enz. Voor zulk een onderzoek acht Uwe commissie geen voldoenden grond aanwezig. Wat de godzaligheid van den betrokken persoon aangaat, mag en moet de Classis zich tevreden stellen met de attesten, door kerkeraad en professoren in de theologie, met het oog op dit onderzoek aan den examinandus verstrekt. Wel is het waar, dat een Dienaar des Woords in godzaligheid en levensernst anderen ten voorbeeld heeft te zijn, maar wie deswege bij het examen een onderzoek wilde instellen, of deze deugden in voldoende mate worden bezeten, zou 10 vergeten, dat het onmogelijk zou zijn vast te stellen, in welke mate deze deugden aanwezig zouden moeten zijn om iemaud den weg tot den Dienst des Woords te ontsluiten, en 20. dat een onderzoek als het bedoelde geheel onvoldoende zou zijn om over de mate van iemands godzaligheid eenigszins een oordeel kunnen vellen.
Er is echter voor een onderzoek, als waarvan in de aan Uwe commissie gegeven opdracht sprake is, een veel betere grond aan te voeren. In navolging van Calvijn hebben de beste Gereformeerde theologen geleerd, dat de roeping van een Dienaar des Woords niet alleen bestaat in eene uitwendige, die middellijk door de gemeente geschiedt, maar ook in eene inwendige, bestaande in eene onmiddellijke werking des Geestes in het hart van den persoon zelven. Het zou gemakkelijk zijn, een aantal getuigenissen van onze eerste theologen, zooals Calvijn, Polyander, Bastingius, Voetius, De Moor, Bavinck, aan te halen, waaruit blijkt, dat deze allen leeren, dat tot eene rechte bediening van het ambt noodzakelijk is, dat de dienaar innerlijk van God daartoe geroepen is; al wordt dit dan ook op onderscheidene wijze omschreven, als b.v. dat hij een goed getuigenis des harten hebbe, dat hij het aangeboden ambt aanneemt uit eene oprechte vreeze Gods en uit eene begeerte om de kerk te stichten, of dat hij door een innerlijken aandrang van den H.G. krachtdadig bewogen worde tot het begeeren van de heilige bediening, of dat hij uit reine liefde en ijver bereid moet zijn om den dienst op te nemen en uit te voeren, of dat hij eene ernstige en standvastige begeerte tot het ambt moet a hebben.
Echter moet hieraan aanstonds worden toegevoegd, dat geen dezer theologen hieruit heeft afgeleid, dat degene, die staat naar den Dienst des Woords, nu ook expresselijk op dit punt zou moeten worden onderzocht. s
Zelfs zegt Calvijn, dat van de inwendige roeping een iegelijk dienaar zich voor God bewust is, en de kerk daarvan niet kan getuigen.
Ongetwijfeld moet dan ook de omstandigheid, dat onze beste theologen bij al den nadruk, dien zij op de inwendige roeping legden, de noodzakelijkheid van een opzettelijk onderzoek hiernaar niet hebben gevoeld, in dezen tot omzichtigheid manen. Echter moet anderzijds worden opgemerkt, dat zij toch ook de vraag naar de innerlijke roeping niet als ongeoorloofd of ongewenscht hebben gequalificeerd. Althans bij Voetius, die op dit punt het uitvoerigst is, blijkt veeleer het tegendeel. Hij toch zegt, dat naar deze inwendige roeping door de kerk wel terdege een onderzoek wirdt ingesteld, n.l. in de eerste vraag van het formulier om te bevestigen de Dienaren des Goddelijken Woords, die immers luidt: „of gij gevoelt in uw hart, dat gij wettig van Gods gemeente, en mitsdien van Godzelven, tot dezen heiligen Dienst geroepen zijt". Blijkbaar wil Voetius dus zeggen, dat niemand in zijn hart kan gevoelen, wettiglijk van God zelven tot den Dienst te zijn geroepen, enzij hij overtuigd is, dat aan de wettige roeping er gemeente de inwendige zich paart.
Het slot van dit rapport geven we een olgend maal om dan tevens ons eigen ooreel te zeggen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 maart 1908
De Heraut | 4 Pagina's