Uit de Pers.
In de Basuin verraste Ds. Gispen de lezein plotseling met een brief, waarin de oude schrijver er van de brieven aan een vriend in J Tusalem nog eens het zoeklicht van zijn fijn vercuft over heel het kerkelijk en - politiek leven spelen laat.
Waarde Broeder!
Gij vraagt mij, of de schrijver van de brieven aan een vriend te Jeruzalem reeds heelemaal dood is en zich niets meer aantrekt van het openbare leven, in kerk en staat en maatschappij ?
Mijn antwoord hierop is: neen, hij is nog niet heelemaal dood, maar toch wel stervende, zoodat er geen hoop op beterschap of weer opbloeien van het ingezonken leven meer bestaat.
Ik wenschte wel er te kunnen bijvoegen wat Paulus zegt: terwijl de uitwendige mensch verdorven wordt, wordt de inwendige vernieuwd, van dag tot dag; of: vergetende hetgeen achter is strek ik mij uit naar hetgeen voor is!
Dit zijn evenwel dingen, waarover men niet zoo in het openbaar kan schrijven. En ook is het de lijd niet, althans in, onze kringen, om veel op het inwendige leven te letten. Een levend mensch klaagt nu meer over de sociale toestanden, dan over eigen 'zonden en ongelijkvormigheid aan Christus. Wat heb je aan al dat klagen ?
Toen ik, m 1856, in het predikambt gesteld werd, was de Scheiding pas 22 jaar oud. Alles was toen, bij nu vergeleken, nog zeer primitief. Men lette toen meer op gaven dan op geleerdheid, en we deden niet zoo correct naar de theorie, maar we deden het zoo goed we kónden, en met middelen, die toen onder ons bereik vielen, en als we voedsel en deksel hadden, konden we nog wel eens danken voor de trouw en goedheid des Heeren, die in onze nederheid voor ons zorgde, en ons niet beschaamd deed uitkomen. Hetgeen men nu de «eigen Inrichting der Kerken» noemt, was toen nog in waarheid de Theologische School. Een jongeling of een jonge man, die in zijn gemeente als bekeerd of godvreezend bekend was, kon toen nog »van grondsop« opleiding tot het predikambt ontvangen, en met een jaar of vijf studie, in den dienst der gemeente treden. Nu hebben we nog slechts den naam, maar in werkelijkheid een theologische faculteit, met pro'essoren, tentamens, examens en wat verder tot een faculteit behoort. Om in dien kring te worden toegelaten, moet men het eindexamen aan een Gymnasium hebben doorstaan, of een admissieexamen doen, dat daarmede gelijk staat. Voor het overige is nu de Theologische School, sedert jaren, het kruidjeroer-me-niet in ons kerkelijk leven.
Vader van Alpen leerde in zijn tijd de kindertjes zingen: Als iemand verre reizen doet, dan kan hij veel verhalen. Ik zeg wei eens bij mij zelven: Als iemand lange jaren leeft, dan kan hij veel beleven. En sommige dingen moet men meermalen beleven. In Paulus' dagen had men ook al zorg ten aanzien van »het brood der Kerka en in de dagen van Calvijn werden de predikanten door sommige bedelaars genoemd, en waren ze al blijde als de stadsregeering hun een oud huis en wat graan om brood te bakken, met een vaatje wijn en een nieuwe toga schonk. Nu mogen wij niet eens meer een toga dragen, en toch is het vraagstuk van shet brood der Kerk« nog altijd aan de orde. Mijn oude vriend, Ds. W. Diemer, heeft zelfs zijn lievelingspaardje, vroeger art. 168 nu art. 171 der grondwet, nog eens weer van stal, gehaald. Dat beestje is al ongeveer een veertig jaar oud, en toen ik paard en ruiter weer zag, voelde ik neiging om te vragen: »Amice, vind je zelf niet, dat ie wat stram in de beenen wordt ? En toen ik op de jongste synode te Utrecht nog eens een kijkje sam en een paar keer naar de discussies luisterde, trof ik het o.a. dat een broeder, ook synodeman van jaren, oreerde over de verzorging van emeritipredikanten, en precies dezelfde gedachen ontwikkelde, die ik hem een kleine veertig aar geleden ook al had hooren uitspreken. Ik ad hem wel willen toeroepen: houd toch op, en egrijp toch dat de omstandigheden u over het oofd gegroeid zijn; ga naar huis en rust een einig.
Gij ziet dus, waarde broeder, dat de schrijver an de brieven aan een vriend te Jeruzalem nog el niet heelemaal dood, maar toch stervende is, n zich onbevoegd acht om een houding aan te emen alsof hij, nog frisch en vroolijk, over alles ag meepraten.
Toen de laatste Synode van de Christelijke Gereformeerde Kerk, in de Plantagekerk te Amsterdam, gesloten werd, heb ik gevoeld dat hiermede ook een tijdperk in ons Kerkelijk en, in verband hiermede, ook in mijn persoonlijk leven, werd afgesloten. En nu is het wel zoo, dat we bij ons gevoel niet mogen leven of daar een grond van maken; maar dat neemt niet weg, dat het er toch is, en dat het ook behoort tot ons menschelijk wezen. Nog niet zoolang geleden heeft de Standaard een belangwekkend college gegeven over »Ons instinctieve leven« en de macht en belangrijkheid er van aangetoond. De ontwikkeling, die na 1892 gekomen is, heeft mij dan ook in mijn gevoel bevestigd, en mij doen begrijpen, dat er ook een tijd van zwijgen is. Toen ik mijn congé als redacteur van de Bazuin thuis kreeg, kon ik zeggen; ik heb het verwacht. Overwegende dat niemand macht over ons jheeft, tenzij het hem van boven gegeven zij. heb ik in alles volkomen leeren berusten.
En nu wil dit niet zeggen, dat ik de verschijnselen en de toestanden, die in het leven treden, niet meer volgt en met belangstelling gade sla. En ook niet, dat mijne vingers te stram zijn om te schrijven, maar wel, dat ik niet meer kan'schrijven met voldoende kennis en juistheid van oordeel, om anderen voor te lichten. Het zou een matte herhaling worden van wat ik meermalen gezegd heb, en daarbij het gevaar doen ontstaan, dat nog enkelen er zich aan klemden', en daardoor zou de strijd der meeningen nog grooter worden.
Gij zult toch ook wel hebben opgemerkt hoe, bij de krachtige ontwikkeling van de «Christelijke pers«, het meer en meer in gebruik is gekomen dat geestverwanten elkander vaak scherp critiseeren. Nauwelijks heeft iemand een gedachte uitgesproken of een voorstel gedaan, of dadelijk volgt de kritiek, de terechtwijzing, en zoo iets wat in de studentenwereld «afkammen« genoemd wordt. Ik wijs slechts op iets dat nog zeer jong is, het rapport van de deputaten Synodi in zake het verband tusschen de Kerken en de Theol. Fac. der Vrije Universiteit. Nauwelijks was het publiek gemaakt, of men leest al van «deputaten in de kou» en van «eeuwige beginselen van Gods Woord», die in dit rapport veronachtzaamd zijn.
Soortgelijke krachtwoorden zijn niet bevorderlijk voor het welzijn der dingen waarbij v; ij allen geestelijk belanghebben. Gods Woord zegt: laat alle dingen eerlijk eti met orde geschieden. Aan dat beginsel hebben we voor ons kerkelijk leven genoeg. Althans zoo werd er in vroeger jaren over gedacht, en in onze Belijdenis wordt dic ook zoo beleden. Maar ook in ons kerkelijk leven schijnt het parlementarisme zich meer en meer te ontwikkelen, en wie daar niet aan mee kan doen, omdat hij de gave er voor mist, doet beter met te zwijgen,
Van staatslieden in eigen kring hoort men nu telkens de bewering, dat de Oud Minister Kuypcr in de Kamer behoorde te zijn. Zijne weigering om, in de tegenwoordige omstandigheden, een zetel te bezetten, kan men «niet goedkeuren», Voor mij is - '=-die weigering juist het bewijs, dat de oude doctor zijn vijf zinnen nog bij elkaar heeft. Wat zou hij op dit oogenblik en in de tegenwoordige omstandigheden, in de Kamer moeten doen? Leider der rechterzijde zijn? Maar wanneer heeft de rechterzijde hem tot leider verkozen ? Leider van de antirevolutionaire partij en van de club? Maar een geacht orgaan der partij heeft, voor eenigen tijd, zoogoed als het overlijden dier partij den volke aangekondigd, ea niet onduidelijk laten voelen, aat Ur. Kuyper aan haar doodgaan niet onschul cug was. Oppositie voeren tegen een bevriend kabmet/ Maar vrienden, die hem deze taak wilden opdragen, zijn zeker niet de verstandigsten.
Als er geen wmd is kannen groote zeilschepen evenmin varen als kleine schepen. Dit moest men |„-„j toch begrijpen. , ; i„ ; > „ A Voor • j een ", "—•— landman "'"& > • moge •"='• het niet "'= ; Zn dT nt't tVden itV^n^ is1t"ell? de ware stuurman niet,
Zoolang men in de studeerkamer zit, kunnen beginselvaste en logische hoofden uitnemend koers of streek houden. Maar voor mannen, die in de practische staatkunde moeten optreden is het eenigszins anders. Zij iebben met wind ên stroom vaak te worstelen, en hunne verantwoordelijkheid voor schip en lading wordt door, hen het meest gevoeld.
En daar komt dan nog bij dat Dr. Kuyper eenige dingen gedaan heeft, die hem nooit vergeven zullen worden. Denk slechts aan de doleantie en de wijziging der wet op het hooger onderwijs, waardoor de wetenschappelijke graden, door ds Vrije Universiteit verleend, ook uitwerking hebben verkregen voor het burgerlijke leven. En dan de Stafwetnovelle van 1903, en de drankwet, en — niet te vergeten, het onbewimpeld blootleggen van de antithese, Inzonderheid bij het debat over de beginselen in de wetenschap!
Het Calvinisme, om dat woord nn ook eens te gebruiken, is thans, niet minder dan vroeger, een steen des aanstoots, zoowel bij de massa der geloovigen als bij de vrijzinnigen. Ik ben geneigd uit te spreken, dat het in Nederland nooit populair is geweest, en dat het zijn tijdelijke overmacht aan velerlei omstandigheden te danken heeft..Na de Doi-dtsche Synode zien we weinig anders dan verbastering. Nooit heeft de overheid weder eene nationale Synode bijeengeroepen, om de kerkelijke vraagstukken kerkelijk te behandelen. En na den dood van Prins Willem III, koning van Engelsnd, is mij geen enkel feit bekend uit de allerhoogste kringen, waaruit eenige sympathie voor het Calvinisme kan afgeleid worden. Men was protestant, lAln of meer godsdienstig, en van de groote kerk. En daar bleef het bij, tot op dezen dag.
Toen in de vorige eeuw het Calvinisme, zoowel in wetenschappelijken als populairen vorm, weer krachtiger optrad, hoorde men in vrome kringen, waarin de geest van het Calvinisme nog het zuiverst was bewaard gebleven, zelfs spreken van een nieuwe, ja gevaarlijke leer!
De eeuw der Hervorming ligt reeds zoo verre achter ons, en men is nu al blijde als men het woord Christelijk mag gebruiken, en daaronder alles kan samenvatten, wat niet loochent dat Jezus Christus in het vleesch gekomen is.
En dat het nog zóó is, moet tot dankbaarheid stemmen. Het kon, als we naar andere volken zien, nog veel erger zijn
Ik voor mij kan dan ook de publieke bespreking der dingen, zonder verdriet, aan anderen overlaten. In mijn jongen tijd had ik slechts ééne, mijn leven beheerschende, begeerte, om verkondiger van de vrije genade Gods te zijn. Geheel mijn zelfbeschouwing en levensbeschouwing wortelt in de eeuwige, vrijmachtige verkiezing. Eerzucht was mij volkomen vreemd. Maar toen, in later jaren, de menschen mij naar voren drongen, toen is ook de eerzucht gekomen, en met haar de verdorring des gemoeds. En nu begeer ik niets anders dan te mogen eindigen gelijk ik begonnen ben: verkondiger te zijn van de vrijmachtige en algenoegzame genade Gods, zoolang de krachten van ziel en lichaam daartoe geschonken worden. Voor het overige wensch ik belangstellend en biddend toe schouwer te blijven.
Hiermede meen ik uwe vraag beantwoord te hebben.
Van harte.
Was het De Genestet niet, die gezegd heeft, dat echte humor bestaat uit een lach en een traan?
En al lacht ge om zoo menig fijnen zet, voelt ge niet den diepen weemoedsernst, die achter dit schrijven schuilt?
Metterdaad deze humor staat te hoog — ook een volgend schrijven, waarin Ds. Gispen correctie van enkele drukfouten vroeg, tintelde van vernuft — dan dat hij verdiend had, op zoo plompe wijze er aan herinnerd te worden, dat hij het Latijn niet meester is.
Voor zulk soort humor heeft ons volk een naam, dien we hier liever niet herhalen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1908
De Heraut | 4 Pagina's