Dereenigingsleven.
DE UTRECHTSCHE ZENDINGSVEREENIGING.
Reeds meer dan eenmaal hadden we gelegenheid in deze rubriek er de aandacht op te vestigen, hoe de slechte gang van zaken, die over 'c algemeen in ons land wordt waargenomen, en die voor een groot gedeelte het gevolg is van het toegeven aan de speculatiezucht, welke ten onzent in niet geringe mate nadeelig werkt, veroorzaakt heeft, dat in den laatsten tijd de gaven voor allerlei christelijken arbeid minder mild dan voorheen zijn gaan vloeien.
Helaas worden we aan hétzelfde kwaad weer herinnerd door het jongste maandbericht van de Utrechtsche Zendingsvereeniging, hetwelk komt met een droeve klacht over gebrek aan geld, met een klacht, die daardoor zoo ernstig klinkt, wijl de waarschuwing er aan vastgeknoopt wordt, dat, als er geen afdoende hulp komt, met eigen band afgebroken zal moeten worden wat met veel gebed en met veel moeite werd opgebouwd.
We lezen toch in de mededeeling van het Hoofdbestuur het volgende, dat — al hebben onze Geref. Eerken haar eigen zendingsarbeid — toch met genoeg belangstelling door de lezers van De Heraut zal vernomen worden:
„Reeds is ons Bericht voor de maand April ter perse. Het getuigt weder, zooals in den laatsten tijd herhaaldelijk, van rijke zegeningen Gods. De beweging op Nieuw-Guinea is niet tot stilstand gekomen. Gods geest blijft er krachtig werken, en het aantal aanvragen om goeroes evenals dat der doopcandidaten neemt gestadig toe. Ook op Boeroe en Halmaheira blijft het werk vooruitgaan".
„Zullen wij dezen zegen Gods aanvaarden? Tot nu toe hadden wij niet de vrijmoedigheid de dringend noodige maatregelen te weigeren. En de sympathie van onze vrienden, zich openbarende hetzij op vergaderingen, waar men ons aanmoedigde, hetzij door geldelijke bijdragen, drong ons daartoe. Wij gevoelden het: er werd met ons medegeleefd en medegebeden; en deze gebeden bleven niet onverhoord. Het jaar 1907 was in zeer vele opzichten een goed jaar.
„Maar met 1908 zijn nieuwe zorgen gekomen. De inkomsten waren, het blijkt uit dit Bericht opnieuw, buitengemeen laag. Wij waren reeds edwongen onze bezittingen voor een aanzienijk bedrag te bezwaren. En in den loop der aand April tot en met den aanvang van Mei al minstens een vijf en twintig duizend gulden oeten betaald worden. Wordt dit bedrag niet oor ons ontvangen, dan zullen wij onze zenelingen moeten aanschrijven, dat wij onze
toezeggingen niet gestand kunnen doen; dat zij de reeds bestaande posten moeten opheffen; in een woord, dat met eigen hand moet worden afgebroken, wat met veel gebed en met veel moeite werd opgebouwd.
„Natuurlijk mogen wij een zoodanigen maatregel niet nemen zonder vooraf de Gemeente van Christus te waarschuwen. En wij doen dat in het vertrouwen, dat onze roepstem om hulp niet te vergeefsch zal zijn. Wij kunnen niet ge looven, dat de Gemeente nalatig zal zijn, waar het er op aankomt de vervulling harer gebeden te aanvaarden. Zij heeft immers tientallen van jaren met ons gesmeekt om de komst, van Gods Koninkrijk op Nieuw Guinea, Halmaheira en Boeroe!
„Reeds ontvingen wij eenig bewijs, dat ons vertrouwen niet wordt beschaamd. B. te H. zond ons een bedrag van ƒ 250. Dat is ons een geloofsversterking. Zouden er nog niet 99 personen te vinden zijn, die, hetzij persoonlijk, hetzij in vereeniging met anderen, ons die som willen zenden? Het getal onzer vrienden is toch veel meer dan 100. Duizenden hebben ons jarenlang met hun gebed en gaven gesteund. Moge God veler hart bewegen, opnieuw blij moedig een deel van het hunne af te zonderen voor de belangen van Zijn Koninkrijk."
Zoo ziet men, dat de Utrechtsche Zendingsvereeniging met groote moeilijkheden te wor stelen heeft. Maar, gelijk het Hoofdbestuur in den aanhef van zijn oproep zegt, mag zij toch ook getuigen van rijke zegeningen Gods, die vooral groot zijn op Nieuw-Guinea, waar de beweging onder de bevolking naar het Christendom toe, niet is tot stilstand gekomen.
Daarover schrijft Zendeling van Balen in een brief van 18 Jan. j.l. het volgende:
„Zoo dikwijls ik naar Roon voer, vreesde ik te zullen vernemen, op grond van ondervinding, dat de eb was ingetreden na den vloed van belangstelling. Doch telkens hoorde ik van nieuwe belangstelling, van meerdere catechisanten. Voor ongeveer een maand schreef mij de guru: Het aantal is reeds de 100 nabij, maar eergisteren avond hier komende, werd ik door een nog grootere schare goed gekleede Roonen begroet, zoodat 't een heelen tijd duurde, eer ik mij komende uit mijn motorboot kon verfrisschen. Ik vernam dat nu leeren 70 mannen en 54 vrouwen, dus samen 124. Maar wat ik ook vernam is iets geheel nieuws op Papua. Oudeaarsdag heeft men aan het strand een groot vuur gestookt van korwaars, amuletten ea heidensche rouwteekens, dus openlijk met het heidendom gebroken. Zij hadden volgens den guru gezegd met dien rommel het nieuwe jaar niet te willen intreden. Ik vroeg hem of hij er niet op aangedrongen had. Hij had er niet aan gedacht en was zelf ten hoogste verrast. Gis teren morgen en daar straks was bij den mor gendienst de kerk geheel gevuld. Zondags moeten er een menigte planken op ledige kistjes worden gelegd om de lieden te kunnen plaatsen, dan moet de kerk letterlijk eivol zijn. t j hbhw v w e n m G
Van welken kant ik alles ook bezie, ik kan niet twijfelen of dat Gods werk is. Het is mij — die aan gansch andere dingen gewoon ben — alles even wonderlijk. Het éénige wat ik kan, is God smeeken: laat van dien milden regen droppelen ook op Windèsi. Welk een zaligheid voor den zoo zwaar beproefden zaaier op Roon, wijlen Br. Bink, als hij de Engelen mag hooren juichen over het ontkiemen van het door hem zoo moeizaam gestrooide zaad! Ik kan Br. Starrenhurg benijden, dat hij in dat wsrk zal ingaan, en toch, het is beter dat het door jeugdige frissche krachten wordt aangevat."
Deze berichten worden geheel bevestigd door die, welke schrijver dezes van Zendeling Starrenhurg, een ouden schoolmakker, juist dezer dagen ontving, en waarin het ook heet: God werkt daar (te Roon) op bijzondere wijze".
Men kan zich hier anders nauwelijks voorstellen, met hoeveel moeite en zorg de arbeid van de zendelingen gepaard gaat, vooral in zóó ver afgelegen streken. Roon wordt slechts éénmaal in de twee maanden door een boot aan gedaan, zoodat men bijna geheel van de bechaafde wereld is afgesloten.
Moge dat erg zijn in dagen waarin alles sijn gewonen gang gaat, wanneer geen buitengewoon leed het harte treft, heel wat erger is bet nog, als de engel des doods in woningen , der zendelingen komt, en ze in diepe droefheid gedompeld worden, droefheid, die ze alleen hebben te dragen met hun God, ver van familie en vrienden.
Daar werden we weer eens aan herinnerd door de laatste berichten uit Indië, waarin door twee zendelingen melding gemaakt werd van het overlijden van een dierbaar kind, door een hunner van het sterven van zijn eenige lieveling.
Men kan trouwens bijna geen zendingsblad ter hand nemen, waarin niet van lijden en sterven van zendelingen, van repatrieeren om gezondheidsredenen, en zoo meer, gewag wordt gemaakt. Het Zendingswerk is door zijn aard reeds een moeilijk werk, — zeker nki in de eerste plaats finantieel, — maar het wordt nog moeilijker door allerlei bijkomende omstandig heden, die veelal niet door geld uit den weg geruimd kunnen worden.
En daarbij komt dan nog, dat de Zendingsarbeid dikwijls zoo weinig gewaardeerd wordt en zoo weinig gesteund ook door der geloovigen gebed.
Men hoort er zoo weinig over spreken, vermoedelijk omdat het hart er allerminst vol van is. En als in het hart de liefde voor de Zending niet warm en innig is, dan zijn er meestal allerlei redenen voor finantieelen nood, waarmede zij te kampen hebben, die de gelden der Zending hebben te beheeren.
Of zou men denken, dat het feit, dat de Utrechtsche Zendingsvereeniging in zoo grooten nood is, getuigt voor een bij onze Nederlandsche Christenen algemeen bestaande vurige liefde voor de Zending?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 26 april 1908
De Heraut | 4 Pagina's