Uit de Pers.
Uit de belangrijke beschouwingen die Ds. Wielenga in de Geldersche Kerkbode over cns Huwelijksformulier geeft, nemen we ook ditmaal een stuk over:
Door den val is de vrouw in het htiwelijk onder een Godsoordeel gekomen, dat haar verhouding tot den man nog duidelijker accentueert (doet uitkomen) als een verhouding van afhankelijkheid.
Het formulier wijst daarop met de woorden:
„En na den val heeft God tot Eva, en in haar persoon tot het gansche vrouwelijke geslacht gesproken : tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.”
Een enkele tekstcritische opmerking vooraf.
In de meeste uitgaven van onzen liturgiebundel staat: Uw wil zeil den men onderworpen zijn ett hij zal uw heer zijn. Gen. 3 : 16." Ook in het formulier van den Paltz staat het zoo, dus afwij kend van onze Statenvertaling, die de bovengenoemde formule heeft. Reden van dit verschijnsel is, dat in de oudste lezing van ons huwelijksformulier, die aan de Dordtsche Statenvertaling eenige tientallen jaren voorafgaat, bij het aanhalen van dezen tekst de bijbelvertaling van Luther gevolgd is. In vele na-Dordtsche exemplaren is deze Luthersche vertaling gehandhaafd, zoodat wij thans meestal een van de officieele Statenvertaling afwijkende aanhaling te dezer plaatse hebben. In de uitgave Rutgers c.s. is natuurlijk de Statenvertaling ingevoegd. Aan deze overzetting hebben we ons te houden.
„Tot uwen man zal uwe begeerte zijn, en hij zal over u heerschappij hebben.”
Schijnbaar is dit oordeel gelijk aan de ordinantie, doch onze kantteekenaren verklaren terecht: »D.i. gij zult gehouden zijn u naar uws mans wil te voegen, en hij zal macht over u hebben, om over u te gebieden, hetwelk u naar den vleesche lastig zal zijn, terwijl het u vóór den val niets dan lieflijk was.”
Op deze laatste woorden komt het aan.
Vóór den val had de man niet minder gezagsrecht, dan na den val, maar na den val wordt het mannelijk gezag der vrouw tot een yz/yè, omdat ze een ander hart heeft, een hart waarin het revo lutionaire beginsel huist.
In zekeren zin was er vóór den val van heerschappij en onderwerping geen sprake, omdat bij de vrouw het volgen van den man, het zich laten leiden door zijn wil, ingeschapen instinctieve neiging was. Maar na den val, als de twee willen botsen, en de vrouw haar wil onderwerpen moet, niet uit kracht van instinctieve neiging maar door bewuste gehoorzaamheidsplicht, die haar menigmaal zelfverloochening kost, wordt de ordinantie een oordeel.
In zijn Gemeene Gratie zegt Dr. Kuyper van deze Schriftplaats (biz. 79): »Metterdaad is hier dus sprake van het verleenen van een macht-, van een zeggenschap, van een recht om te gebieden. De afhankelijkheid bestond krachtens de schepping reeds vanzelf, maar zoo, dat de vrouw niet anders wilde. Te volgen was haar toen een vanzelf heid. Toen kwam er alzoo geen gebieden te pas, en was er geen sprake van heerschappij. Maar nu de twee willen tegenover elkander kwamen te staan, nu moest er orde in den chaos geschapen, en daarom stelt God alsnu de heerschappij van den man over de vrouw in. Van nature is thans de invloed van de vrouw op den man veel sterker dan de invloed van den man op de vrouw ; maar als het op zeggenschap, op beslissing, op beschikking en op het stellen van orde en regel aankomt, is de man van Gods wege met autoriteit over zijn vrouw bekleed.
Vooral in dit laatste is eigenaardige visie.
Dr. Kuyper zegt daar, dat de invloed van de vrouw grooter is dan die van den man, hoewel zij de dienende persoon in het huwelijk is.
Dit is geheel overeenkomstig het verloop van den zondeval. Elke zonde zet een stempel op het karakter. Hoeveel te meer heeft de eerste zonde aan de menschelijke ziel een plooi gegeven. Nu is die eerste zonde aldus gepleegd, dat de man zich door de vrouw heeft laten verleiden. Hij keerde de orde om en gaf zich aan haar invloed over. Dit was een abdicatie fafstand doen) van zijn ge zag, die nawerkt in het huwelijksleven. Nu gaat het den man menigmaal als den koning, die officieel het gezag heeft, maar in werkelijkheid regeert naar den drang van zijn parlement. Spottend drukt de volkstaal dit uit: de man het hoofd, maar de vrouw de nek, die het hoofd doet draaien Wat de vrouw in lichamelijke en intellectueele kracht bij den man tekortschiet, haalt zij menig maal, en overvloedig door een aangeboren sUmheid in. Zij verstaat zoo de kunst op den wil des mans te influenceeren, dien wil naar den haren om te buigen. Gelukt het door honigzoete taal niet, dan door tranen. En sommigen hebben het in deze kunst zoover gebracht, dat zij den man weten te nopen haar wil te doen, terwijl hij toch waant zijn eigen wil te doen.
Dit is de straf op de zonde, dat Adam te kwader ure naar de vrouw geluisterd heeft.
Maar met dat al blijft de ordinantie, tot oordeel verscherpt na den zondeval, dat de man de heerschappij beeft. En reeds dit enkele feit is der vrouwelijke natuur menigmaal een kwelling. Zelfs het dragen van het gezag in naam door den man voelt zij als een vernedering. Ook al is haar invloed op de regeermacht schier doorloopend overwegend, zoodat in vele gevallen haar inzicht en wil zegevrert, het feit, dat formeel haar man haar heer is, kan haar wel eens tot een ergenis zijn. Het feit, dat zij, terstond bij het huwelijk haar naam verliest, haar kinderen den naam des mans dragen, de wet haar tot volgen verplicht, haar man voor staat en kerk het gezin vertegenwoordigt, dat alles is haar in stee van een lust niet zelden tot een last.
En in de emancipatiedrift, onzer dagen is zij bezig aan die ontevredenheid met haar lot in verschillende toonaarden uiting te geven.
Een poging zich te ontworstelen aan het oordeel Gods over haar om der zonde wil.
Een rammelen aan de huwelijksketen.
Een protesteeren tegen het Goddelijk ordonneeren.
O, dat de vrouw meer de rechtvaardigheid van het oordeel erkenne en God leere liefhebben in zijn heiligen wil.
^Want het is toch waar, — ook de apostel Paulus wijst er op, — dat de vrouw het eerst in de overtreding was.
De laatste in de schepping, de eerste in de zonde.
Wel is Adam als het bondshoofd de verantwoordelijke mensch, maar het mag toch der vrouw een rede tot'diepgaande verootmoediging zijn, dat zij den man tot een satan geweest is, door hem te verlokken tot het kwade, gelijk satan haar verlokt had.
Adam draagt naar Goddelijk bestel de schuld, maar de vrouw is de aanleiding tot de ontzettende catastrofe, die een wereld verwoestte.
Lees onze kerkvaders, en ge staat verbaasd, hoe deze vroede mannen de vrouw hierover durven aanspreken. In een taal menigmaal, die ons door het schoone geslacht thans ten hoogste zou worden kwalijk genomen.
In zijn »De Cultu feminarum«. Lib I, i, spreekt TertuUianus de vrouw aldus aan: «Weet gij niet, dat gij een Eva zijt? Gij zijt de deur des duivels l), gij zijt de schendster van dien boom, gij zijt de eerste vernielster der goddelijke wet, gij zijt het die hem, dien de duivel niet dorst aanvallen, ten kwade overreed hebt; gij hebt het beeld Gods, den mensch, zoo maar verbroken; om uw zonde heeft de Zone Gods moeten sterven.»
En in denzelfden toon heffen ook Cyprianus en andere kerkvaders hun vermanende stem tegen de vrouw op, om de vrouw, kon het zijn, in haar conscientie te overtuigen van de billijkheid van Gods oordeel: en hij zal over u heerschappij hebben. Een oordeel, — we hebben het vroeger gezien, — dat door Gods algemeene genade fijn verzacht wordt, want de liefde in het huwelijksleven maakt de last licht en het juk dezer heerschappij voor den teederen vrouwenschouder niet te zwaar. Ja, de particuliere genade, de gemeenschap der heiligen in het huwelijk neemt uit dit oordeel allen prikkel weg.
Een enkel woord dient nog gezegd ter toelichting van hetgeen in de sententie Gods vooropgaat, n.l. •Atot uwen man zal uwe begeerte zijm. Op he eerste hooren schijnt het ietwat vreemd, dat in deze woorden een oordeel over de vrouw wordt uitgesproken. Is de begeerte, waardoor de vrouw zich naar den man uitstrekt, een straft En is de begeerte van de vrouw tot den man minder sterk dan die van den man tot de vrouw?
Lutber vertaalde, gelijk wij zagen: uw wil zal den man onderworpen zijn. Verdient deze vertaling in verband met hetgeen er terstond op volgt: en hij zal over u heerschappij hebben, — niet de voorkeur ?
Voor wie nadenkt springt de zielkundige en geschiedkundige waarheid (nog afgedacht van zuiverder taalkundig vertolking) van de statenvertaling te dezer plaatse in het oog.
Het is waar, dat in vrouw en man beide een drang is ingeschapen die hen tot elkander voert. De schier magnetische liefdekracht, die den ganschen mensch boeit. En Pr zijn tijdpeiken in het leven, dat deze liefdekracht bij den man sterker, hartstochtelijker drijft dan bij de vrouw, zoodat bet schijnt alsof het oordeel Gods over den man gesproken ware: tot de vrouw zal uwe begeerte zijn. Maar ervaring leert, dat over het geheel genomen bij de vrouw een intensiever, zij het vaak onbewust, verlangen naar het huwelijk is dan bij den man. Te verklaren is dat deels hieruit, dat de vrouw, indien zij niet huwt, alleen en menigmaal hulpeloos in de wereld blijft staan. »Er over te blijven", „zitten te blijven", zooals het volk het uitdrukt, is voor een meisjeshartgewoonlijk een grievend leed. Het is de desillusie (teleur stelling) van haar leven. En er is ook soms iets tragisch in, een jonge vrouw, die met schoone idealen haar leven begon, te zien verwelken als een bloem, en te zien heengaan zonder (althans door den man) begeerd te zijn.
Anderzijds is dit begeeren der vrouw te verklaren hieruit, dat zij door het krijgen van een man tevens een naam en een levenspositie, een huisgezin en een zekere levensvrijheid (die zij in het ouderlijke huis miste) erlangt. Eene vrouw die bijv. een medicus huwt, huwt daardoor tevens de eere en de beteekenis die aan dezen stand verbonden is. In Duitschland wordt zulk een vrouw terstond Frau Doctor genaamd.
Vandaar dat tot den man hare begeerte is.
Niet om redenen vanpassioneelenof zinnelijken aard dus (want de man is over het algemeen hartstochtelijker dan de vrouw), maar om het ideaal: getrouwd te zijn verwerkelijkt te zien, en het schrikbeeld over te blijven te ontvlieden, is de begeerte van de vrouw tot den man.
Bij de ééne vrouw is deze begeerte de oorzaak van stilgedragen zielelijden, dat haar tot krankwordens toe ontroeren kan, bij de andere, de zedelijk lager staande vrouw, leidt die begeerte tot een estrijd om den man" (zooals een Duitsch schrijfster het onlangs uitdrukte), waarin zij dikwijls door mama, die haar dochters gaarne naan den man" heeft, wordt doorgegaan.
Welk een geflirt en gekonkel, welk een intrigeeren en etaleeren om den man in de opgezette strik te vangen en de huwelijksketen hem om teslaan.
In onze kringen, waarin het Puriteinsche levensbeginsel onzer vaderen nog krachtig nawerkt, kent men dezen »jacht om den man« zoo niet. Trouwens deze strijd is niet in overeenstemming met de Calvinistische wereldbeschouwing. Maar in de kringen buiten onze engere grenzen, en niet het minst in de hoogere standen, is de toestand veelal zooals wij dien even teekenden.
Ja men kan verder gaan en zeggen, dat de begeerte tot den man zich niet bepaait tot de z.g. jacht om den man. Ook in het huwelijk ondervindt de vrouw het oordeel. Er staat immers: tot uwen man zal uwe begeerte zijn. Het niet alleen kunnen zijn, het leeg zijn van haar leven als de man uit is of door koelheid haar liefde niet beantwoordt, het begeeren van zijn tegenwoordigheid en algeheele zielstoewijding, zonder dat die begeerte recht bevredigd wordt, schept in haar menigmaal een gevoel van onvoldaanheid en levensdéceptie (ontnuchtering).
Een vervulling van het oordeel Gods na den zondeval tot de vrouw gesproken: Tot uwen man zal uwe begeerte zijn.
i) Diaboli janua. Bedoeld wordt, dat de vrouw de deur is, waardoor de duivel de wereld is binnengekomen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1908
De Heraut | 4 Pagina's