De zilveren koorde.
VI. (Slot).
la de staatssubsidie schuilt dus in de eerste plaats het gevaar, dat de Kerk daardoor afhankelijk wordt van de Overheid. En wanneer de Overheid van die fïnantieele afhankelijkheid gebruik wil maken, om aan de Kerk voorwaarden voor te schrijven, die voor haar leven belemmerend zijn, dan komt de Kerk voor de bange verzoeking te staan, ter wille van het brood harer dienaren, haar zelfstandigheid prijs te geven.
In de tweede plaats heeft staatssubsidie altijd ten gevolge, dat de band tusschen de gemeente en de dienaren des Woords verslapt; de invloed, dien de gemeente op de dienaren hebben kan, daardoor minder sterk wordt, en allerlei richtingen, die feitelijk tegen het levensbeginsel der Kerk ingaan, zich daardoor staande kunnen houden. De Oi^erheid betaalt toch het tractement, en om het oordeel der gemeente behoeft men zich niet te bekommeren.
Hierbij komt in de laatste plaats — een bezwaar, welks ernstige beteekenis dezer dagen zelfs door de Nieuwe Rotterdammer erkend werd — dat de Overheid door staatssubsidie aan de Kerken uit te keeren, voor hopelooze moeilijkheden komt te staan, zoodra een conflict in den boezem der Kerk ontstaat.
Op Roomsch standpunt bestaat die moeilijkheid niet. Vandaar dat Rome tegen staatssubsidie dan ook nooit bezwaar had. Rome houdt toch ia absoluten zin aan de eenheid der Kerk vast. Breuke met de bestaande Kerk is volgens Rome nooit en onder geen omstandigheid geoorloofd. Rome kent maar één Kerk, en al wat buiten die eene Kerk staat is geen Kerk meer. De Overheid heeft dus deze eene ware Kerk te subsidieeren, en wat met deze Kerk breekt, heeft vanzelf alle recht op subsidie verloren. Zelfs ligt in deze staatssubsidie aan de ware Kerk een middel om te zorgen, dat men niet te spoedig en te lichtvaardig i, van de Kerk zich afscheiden zal.
Het Protestantisme heeft echter principieel met dat denkbeeld van de ééne Kerk gebroken. Het gelooft niet aan een onfeilbaar gezag van den paus. Het eischt geen absolute onderwerping aan wat de Kerk zegt. Het kent aan den geloovige het recht toe, al de uitspraken en de belijdenis der Kerk aan Gods Woord te toetsen. Het legt hem zelfs den plicht op, wanneer de Kerk zoo diep verbasterd is, dat aan herstel niet meer te denken valt, met die Kerk te breken. Op dit standpunt is conflict in de Kerk dus niet alleen denkbaar en geoorloofd, maar onder^sommige omstandigheden zelfs plicht.
Op Protestantsch gebied is de eenheid der Kerk dan ook reeds lang te loor gegaan. Niet alleen dat men Lutherschen en Gereformeerden naast elkaar ziet staan, maar tal van kleinere kerken en secten hebben zich allengs afgezonderd, en die afzondering gaat nog steeds door. Men heeft Methodisten, Kwakers, Mennonieten, Remonstranten, Irvingianen, Apostolischen, Darbisten, Mormonen enz. En al mag men de grondstellingen dezer secten op grond van Gods Woord veroordeelen, het f ormeeie recht van deze andersdenkenden, om zich aan de Kerk te onttrekken en een eigen Kerkelijke gemeenschap te stichten, kan op Protestantsch gebied niet betwist worden. De vrijheid der conscientie moet ook in andersdenkenden worden geëerbiedigd.
Maar juist dat maakt, dat de Overheidssubsidie op Protestantsch gebied tot zooveel moeilijkheid aanleiding geeft.
Stelt men toch, dat de Overheid die subsidie alleen heeft te geven aan de zoogenaamde volkskerk of aan enkele geprivili gieerde kerken, gelijk thans ten onzent geschiedt, dan komt daartegen het billijkheidsgevoel op. Een neutrale Overheid mag geen partij kiezen. Ze moet alle kerken en secten gelijke bescherming gunnen. Bovendien, de subsidie, waarvoor door allen betaald wordt, behoort rechtens uok aan allen te worden uitgekeerd. En toch voelt ieder, hoe niets voor het kerkelijk leven schadelijker zou zijn, dan dat de Overheid aan elke groep van malcontenten, die zich afscheidt van de Kerk, terstond subsidie toestond voor haar kerkelijk leven. Die subsidie zou als 't ware een premie op de sectevorming worden. Want het groote bezwaar, dat thans deze sectevorming nog ten deele tegenhoudt, is juist, dat zulk een groep uit eigen middelen voor den eeredienst heeft te zorgen. Maar laat dat bezwaar wegvallen, laat de Overheid zorgen voor de tractementen van al wat zich als kerk gelieft aan te dienen, en aan de versplintering van het kerkelijk leven zal geen einde komen. Vrije kerkjes zullen als paddestoelen uit den grond oprijzen. De neiging om voor dominé te spelen, een kleinen kring van volgelingen om zich te verzamelen en zoo een geheel op zichzelf staand kerkje te vormen zonder eenig zedelijk toezicht, zou door de Overheid als 't ware stelselmatig worden gevoed. En wil men, om aan die fatale consequentie te ontkomen, de Overheid de macht geven om te beslissen, wat een wettige en geoorloofde Kerk is en wat als ongeoorloofde secte is te beschouwen, dan geeft men de Overheid weer volkomen macht om in de kerkelijke aangelegenheden als scheidsrechter op te treden. Hoe men het ook wendt of keert, de moeilijkheid is niet op te lossen.
En niet minder scherp treedt diezelfde moeilijkheid in het licht, wanneer in den boezem eener Kerk conflict ontstaat over de rechte handhaving der belijdenis, en dientengevolge een scheuring ontstaat, waarbij beide groepen zichzelf als de ware voortzetting der oorspronkelijke kerk beschouwen.
De vraag komt dan terstond aan de orde: aan wie de Overheid nu voortaan de subsidie uitkeeren zal? Gaat de Overheid daarbij uit van het denkbeeld, gelijk dit thans het geval is, dat de Kerken saam een genootschap vormen, en dat ieder, die zich aan het genootschap onttrekt, daarom zijn recht op de subsidie verliest, dan houdt de Over heid het genootschap in stand, werkt ze elke poging tot reformatie tegen en kiest ze feitelijk voor de eene groep tegen de andere partij. En omgekeerd, rekent de Overheid niet met den genootschapsband, erkent ze beide groepen als voortzetting der kerk en geeft ze nu aan beide subsidie, dan steunt ze het verzet, zelfs al ware dit niet gewettigd; dan werkt ze de scheur makerij en het schismatisme in de hand ; dan is ze oorzaak, dat de Kerk zich steeds meer ontbindt, versplintert en oplost. Terwijl natuurlijk, door dit telkens uitkeeren van subsidie bij elke nieuwe scheuring, het budget voor eeredienst zoo hoog zou stijgen, dat de rijkste Staatskas het niet bekostigen kon
Zoo ziet men, hoe het stelsel van staatssubsidie onvermijdeirjk, of men het wil of niet, tot Overheidsinmenging in de zaken der Kerk leiden moet. Want natuurlijk kan er geen sprake van zijn, dat de Overheid aan elke secte, aan elke vrije Kerk, aan al wat zich afscheurt van de Kerk, toch subsidie zal verleenen. Geen regeering zou, al was het alleen maar uit fiaantieele overwegingen, daartoe bereid zijn. En moet de Overheid dus wel een keuze doen, wat een werkelijke kerk en wat een secte is; moet ze wel beslissen welke scheuring geoorloofd is en welke niet — en daaraan kan ze niet ont komen, wanneer ze subsidie uitkeert — dan verlaat ze ook haar neutraal standpunt; dan beslist ze over kerkelijke aangelegenheden ; dan werpt ze haar beurs in de weegschaal ten gunste van de eene of andere partij.
Ook het voorstel, dat thans gedaan is, om de subsidie aan de kerkeraden uit te keeren en niet aan de genootschappen of predikanten, brengt uit deze moeilijkheid ons niet uit.
Vooreerst niet, omdat een wetsbepaling, waarbij de subsidie geregeld wordt, zóó moet worden ingericht, dat ze voor alle kerken gelijkelijk geldt. Nu hebben niet alle kerken „kerkeraden; " zelfs gaat dit heele begrip van een „plaatselijken kerkeraad" tegen de idee van sommige kerken in. De Roomsche Kerk, die toch twee vijfden van onze bevolking omvat, bezit niet alleen geen plaatselijken kerkeraad, maar wil daarvan ook niets weten. Het zou een aantasten van haar hiërarchie zijn, wanneer de Over heid aan de plaatselijke kerk als autonome macht de subsidie uitkeerde. Een uniforme regeling is hier dus niet te tre fTen; voor elke kerk zou een afzonderlijke regeling moeten gemaakt worden. En ten slotte zou het toch weer de Overheid zijn, die besliste aan welke kerkelijke machten de subsidie werd uitgekeerd.
En ten tweede baat deze uitweg niet, omdat bij conflict men telkens ziet, dat twee kerkeraden naast elkaar optreden en beide aanspraak maken op den naam van den wettigen kerkeraad. Zoo was het ia 1886 en zoo zal Thet telkens worden gezien, En de Overheid zal dan toch bij elk conflict hebben te beslissen, welken kerkeraad zij als den waren beschouwt en daarmee aan den eenen kerkeraad officieel het stempel opdrukken, dat hij de wettige kerkeraad is.
Voor al deze practische moeilijkheden plaatst ons de staatssubsidie. Er is geen middel, geen uitweg, geen oplossing te bedenken, waardoor aan die gevaren kan ontkomen worden. Zoolang het kerkelijk leven in kalme bedding voortloopt en geen conflict dreigt, zal dat gevaar niet worden gevoeld. Maar bij conflict zal dat gevaar plotseling aan den dag treden. En de Kerken zullen evenals in 1834 ea 1886 ondervinden, welk een fatale macht in de Staatssubsidie schuilt.
We hopen daarom, dat God de Heere onze Kerken bewaren moge voor de „zilveren koorde". Al mag het worsteling en inspanning kosten voor onze kerken, om zelf voor haar eeredienst te zorgen ; al is de onbillijkheid grievend, dat wij, die voor onze eigen kerken niets vragen, mee moeten betalen om anderen te onderhouden; al eischt het een offer van onze Dienaren des Woords —• we roepen onze Kerken toe: staat dan in de vrijheid, waarmede Christus u heeft vrij gemaakt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 3 mei 1908
De Heraut | 4 Pagina's