Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Pro Hege.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Pro Hege.

18 minuten leestijd

DERDE REEKS.

III.

Een iegelijk dan, die mij belijden zal voor de menschén, dien zal ik ook belijden voor mijnen Vader, die in je Hemelen is. Matth. lo : 32.

Vragen we nu wat de eerste plicht jegens onzen Koning is, voor wat onze persoon (afgezien nog van onze positie in het leven) aangaat, dan staat uiteraard geheel op den voorgrond onze dure verplichtisg om onzen Koning ie belijden, voor' hem uit te komen, en wat onze vaderen noemden, zijn veldteeken te dragen. Ieder kent Jezus driïigends, dreigende uitspraak: „Zoo wie mij belijden zal voor da measchen, dien zal ik belijden voor mijnen Vader, die in de hemelen is, " maar ook: „Zoo wie mij verloochenen zal voor de menschen, dien zal ik verloochenen voor mijnen Vader." Ons woord: belijden, dat hier in de vertaling gebezigd is, heeft met het woord: lijden niets uitstaande. Het komt af van een vroeger gebruikt woord: Hen, dat door de voorvoeging van: be, meer nadruk erlangde, en dat Hen schijnt oorspronkelijk niet veel anders dan: geluid geven beteekend te hebben. Men zou de grondbeteekenis derhalve aldus kunnen weergeven: Niet uw geluid inhouden, niet zwijgen, maar geluid gei'en, spreken. Ia den Griekschen tekst is de uitdrukkicg: homologein gekozen, en welk woord Jezus zelf in het Arameesch gebezigd heeft, is ons onbekend. Dit „homologein" nu beteekent letterlijk: 't gelijke spreken, het eens zijn, in wat een ander zegt zijn gevoelen terugviadea. Stel na, er v/ordteen stemming gehouden over een vraagstuk of over een persoon, dan vormen zij die 't eens zijn met elkander, in zeker opzicht een partij, en hooren tot eenzelfde groep. Wie zich bij die groep aansluit, geeft door dat feit zelf te kennen, dat hij 't met haar eens is. En trekt zich dat nu saam op éen persoon, zoodat de groep 't gelijke, spreekt, homologe!, met dezen ééaeri, dan verklaart ze hiermee hem te willen, hem te bedoelen, in hem de belichaming van haar overtuiging te vinden, zich bij hem aan te sluiten, zich voor hem te verklaren, en zijn persoon te eeren. Daar het nu bij Jezus, in dan strengsten zin van 't woord, om zijn heiligen persoon ging, lag het voor de hand om dat woord homologein en belijden ook toe te passen op de verhouding waarin dejongeren tot hun meester stonden. Ze moesten er voor uitkomen, dat ze hem kenden en verstonden, dat ze zich voor hem verklaarden, dat ze bij hem hoorden, dat hij hun Heer en meester was, en dat ze, als behoorende tot zijn volk, hem als hun Koning huldigden en eerden, tegenover ieder en in weerwil van elke bedreiging en van elk verzet.

Dit belijden van Jezus was niet een hulde die ze hem, als den man hunner eigen keuze, brachten, gelijk dit onder menschen voorkomt, b.v. wanneer de troepen in overmoed een officier op het schild heffen, en daardoor als bevelhebber over zich aanstellen, noch gelijkt het op de manier waarop een groep zich zelve een leider of voorganger kiest. Opzettelijk heeft Jezus, vlak voor zijn gang naar Gethsemané, het zijn jongeren met nadruk nogmaals herinnerd: „Niet gij hebt mij uitverkoren, maar Ik heb u uitverkoren, " wat natuurlijk niet terugslaat op de eeuwige verkiezing ter zaligheid, maar uitsluitend doelt op de verhouding waarin hij als Koning tegenover zijn jongeren als zijn onderdanen stond. Niet hij was een door zijn volk gekozen Koning, zoodat er eerst het volk was, en uit dat volk de Koning is opgekomen. Zulke koningen waren er wel onder de koningen der volken geweest, maar zulk een Koning was hij niet. Vlak omgekeerd was hier de Koning er eerst, en het was de Koning die zijn volk om zich verzamelde, door tot zijn onderdanen diegenen uit de te kiezen, die hem van den Vader gegeven v/aren. Saul ia zijn dagen was een door het volk gekozen koning, maar juist daarom was niet Saul, maar David het voorbeeld van dezen eeuwigen Koning, die juist deswege zijn positie tegenover de zijnen niet beter en niet scherper kon uitdrukken, dan door te verklaren: Niet gij hebt mij uitverkoren, maar ik heb u uitverkoren, en op grond hiervan zijt gij mij eerbiedenis, trouw en hulde schuldig.

Door tegenover het belijden het verloochenen te stellen, heeft Jezus zelf de bedoeling en strekking van dat belijden klaarlijk toegelicht. Iemand verloochenen is loochenen dat ge bij hem hoort, loochenen dat ge van de zijnen zijt, loochenen dat ge met hem gemeene zaak maakt, dat gé 'met hètn wiit gerekend worden, en dat ge alzoo deelen moet in zijn smaad, maar dan ook deelen raoogt in zijn eere. Da droeve mtglijdlng van Petrus licht dit, zoo duidelijk het kaa, toe, ea ontkent eens en voor goed hst recht van bestaan aan de opvatting, alsof het belijden van Jezus alleen dan plicht ware, zoo 't iets bijzonder gewichtigs gold, en alzoo niet zou doelen op het gewone leven. Toen aan Petrus in het Voorhuis van de zaal van den Hoogepriester tot driemalen toe gevraagd werd, of hij niet tot da volgelingen van Jezus behoorde, lag er in die vraag, op zich zelf genomen, niets van bijzonder gewicht. Het v/as het dieastpersoneel, dat bij de poort ea bij des> . ingang van de zaal stond, dat zich uit louter nieuwsgierigheid en om den tijd te korten, een oogenblik met Petrus inliet. De een meende hem aan sija trekken, de ander aan het Galileesch accent vaa zijn tongval te iF-rkennen, en volstrekt niet btj manier vaa gerechtelijk onderzoek of als inleiding op een rechterlijke instructie, maar aOeen uit praatiucht en om eikaar bezig te houden, lieten ze aan Petrus merken, dat ze hem herkend hadden; hoogstens daarbij door zekere plaagzucht gedreven, om Petrus angst aan te jagen ea zich in dien angst te vermaken. Het had dus niets van een publieke oproeping om ^ich voor of tegen Jezus te verklaren, want in zulk een geval zou Petrus ongetvvijfeid kloek en moedig zijn Heere en Meester beleden hebben en desnoods voor hem gestorven zijn. Dat Petrus het ant'^/oord eerst ontweek, scheen daarom tegenover zulk een vrijpostige vraag van die dienstmaagd tamelijk on-.schuldig, en alleen doordien de vraag hem prikkelde en werkelijk eenigszins beangst maakte, gisg hij bij de tweede, en vooral bij de derde maal dat da iastiga vraag tot hem kwaro, tot geheel oanoodige eedawt» ring over. Hadden de dienaren van het Sanhedrin in last gehad ook dejongeren ts arresteeren, zoo zouden ze dit in Gethsémar/é zonder moeite hebben kunnen doen, want op ééa na waren ze ongewapend, en toen Petrus met het zwaard sloeg, verbood Jezus dit hem terstond. Zelf had Jezus tot de politieagenten, éïe hem kwamen gevangen nemen, gezegd: Zoo gij dan mij zoekt, zoo laat dszQ heengaan, — ea zoo weinig had de officier van de wacht zich hiertegen verzet, dat hij terstond daarop met Jsïus als gevangene Jerusalem binnentrok, en de j> ageren stil gaan liet. Petrus zelf mag om zijn trekken van 't zwaard ea het wonden van Malchus oor zekere angst bekropen zijn, dat ze hem daarover ter verantwoording zouden roepen, maar de genezing van Malchus' wonde door Jezus maakte die vrees geheel herschenschimmig. Op zichzelf miste alzoo die driewerf herhaalde vraag van het dienstpersoneel elk ernstig karakter. Het spreekt toch wei vanzelf, dat zoo dit personeel lust had gehad, om ook den discipel van Jezus in arrest te semen, ze dit •om zijn ontkeHniog niet zouden gelaten hebben, en ook Johannes wel bij het kruis zouden gearresteerd hebben. Johannes toch was te Jeruzalem en in den kfing van het hoogepriesterlijke paleis alleszins een bekende. Nu is het geansaias overtollig hierop de aandacht te vestigen, omdat juist hieruit blijkt, hoe ernstig Jezus het_ belijden vaa zijn naam bedoeld heeft. Wel verre toch, dat Jezus deze poging van Petrus om onbekend te blijven, door de vingers zou hebben gezien, of als minder ter zake doeads, zou verontschuldigd hebbes, heeft Jezus veeleer met nadruk en opsettelijk deze zwakheid van Petrus als een tekortschieting in belijdenis van de ergste soort gebrandmerkt. Jazus heeft Petrus' lafheid in het minst niet vergoelijkt of als min schuldig vrijgesproken, maar ze op alle manier ten scherpste veroordeeld. Jezus wist, dat Petrus' binnentreden tot bij de zaal van den hoogepriester, zijnerzijds een daad van trouw en liefde was! Waren de anderen gevlucht en hadden zij een goed heenkomen gezocht, Petrus had geen rust of duur. Hij wilde weten wat ze met Jezus doen gingen, en volgde daarom den stoet die Jezus wegleidde; en toen hij gezien had, dat ze Jezus naar binnen hadden gebracht, en hij dus wist, dat ze hem voor het Sanhedrin stelden, wilde hij weten hoe dat afliep, en drong daarom achter den stoet mee binnen. Hier sprak alzoo geen zondige nieuwsgierigheid, maar trouw en warme belangstelling. En toch heeft Jezus Petrus' zwakheid zonder sparen en op 't sterkst gevonnist. Ltt er slechts op, hoe Jezus vooruit aan Petrus had aaugezegd, dat satan hem zou pogen te ziften als de tarwe, en hoe deze duivelsche inwerking daarin zou uitkomen, dat hij hem drie malen zou verloochenen. Jezus kiest het hardste woord. Jezus zegt niet dat Petrus in moed of trouw zou te kort schieten; ofdat hij een oogenbUk van zwakheid zou hebben. Neen, Jezus zegt het uitdrukkelijk dat satan .hem verleiden, en dat hij Jezus verloochenen zou. Petrus zelf voelde dit, toen de daad geschied was, dan ook zoo diep, dat hij, toen Jezus hem uit de rechtszaal aanzag en de haan kraaide, op eens diep in zijn hart ontroerd werd, en bitterlijk begon te weeöen. En om het scherp te doen uitkomen, dat hij door deze verloochening zich het apostolaat onwaardig had gemaakt, en niet weer als apostel koa optredfen, tenzij vooraf de verloochening was te niet gedaan, heeft Jezus bij het meer van Genesareth, hem door de driewerf herhaalde vraag: Simon, Joaa's zoon, hebt ge mij lief? diep in het hart getrofifen, ea zoo eerst zijn herstel in eere mogelijk gemaakt. Wel een bewijs dus, dat Jezus de verplichting die op zij a discipelen rust, om hem te belijden, zeer nauw neemt en zeer streng opvat, ea het niet belijden, v/aar beleden moet worden, niet als te vergoelijken verzuim, maar zeer concreet als verloochening oordeelt. Zelfs zou men kunnen zeggen, dat Jezus, door het gebeurde met Petrus, zijn geloovigen uit alle eeuwen zeer nadrukkelijk heeft willen te verstaan geven, dat hij den plicht om hem te belijden, zeer breed en voor elk voorkomend geval bedoelde; en elke poging om zich die belijdenis te onttrekken, als breuk-e van trouw, als tekort-Echieting in liefde ea als schuldig plichtverzuim, ja als de zonde der verloochening, ten strengste gispte en veroordeelde. Niets, volstrekt niets, kan op dit punt zich voordoea als vatbaar voor vergoelijking. Steeds en overal wil Jezus dat we voor hem en voor zija zaak openlijk en moedig zullen uitkomen.

In schier alle landen draagt elke manschap van het leger do cor^.rde met de kleuren van zijn koning. Niet zelden worden de soldaten door een eed vaa trouw aan hun koning in het leger ingelijfd, en in vredestijd zoowel ais ia tijden van oorlog op het oorlogsveld, vertoont elk krijger voor aller oog zijn veldteeken. Ea zoo nu ook moet een iegelijk die Jezus toebehoort, £: « veldteeken openbaren. Wie tot de gemeente van Christus toetreedt, doet dat door belijdenis, en die belijdenis is het zweren vaneen eed van trouw aan onzen Koning. Wel wordt geen eedsformulier daarbij gebezigd, omdat onder de Christeaea het/a, ja moet zijn, en hier alzoo een eed geen pas heeft. Maar het uitspreken van het /«sf, of ook het buigen van het hoofd, staat met een eed gelijk. Het is het zweren van trouw, van de trouw aan den Koaing bij wien mea zich aansluit, ea onder wiens banier men verklaart voortaan te willen strijden. Dien eed nu gestand te doen, die trouw niet te vcrzakea, en loyaal tegenover zija Koning al de dagen zijns levens te staan, dat is het belijden. Wie Jezus toebehoort, is vanzelf een krijgsknecht. En daar nu in het Koninkrijk der hemelen het oaderscheidingsteekea niet in de kleur van een cocarde, maar in het woord ligt, is belijden het vaste oaderscheidiagsteekea van een iegelijk die zich aan Jezus zijde schaart, en onder hem dienst neemt. Dat het hier op trouv/ en moedig belijden aankomt, vloeit voort uit den aard van Jezus Koninkrijk. Dat Koninkrijk komt in deze bedeeling niet met uitwendig gelaat. D. w. z., Jezus heeft op aarde geen paleis, ea geen troon, ea geen kroon vaa diamanten ea paarlen. De heirschare die voor Jezus als Koning hier op aarde optrekt, draagt geen uaiform, heeft geen eigenlijk vaandel, bezit geea cocarde-met aangewezen kleuren. Dit Koninkrijk van Jezus heeft op aarde geen ruiters en geen wagenea, geen vestingen en versterkte steden ter zijner-beschikking. Het bezit geea politie of veldwacht. Het heeft niets, waardoor zija alles overtrefifinde macht ia het zichtbare zou uitkomen. Het Koninkrijk van Jezus komt niet met uitwendig gelaat, maar is binnen in u. Het heeft zija zetel ia het hart. Het bezit zija kracht in de geestelijke sterkte die Jezus in het hart der zijnen instort. Het openbaart zich door de trouw en de aanhankelijkheid van de vfijgekochtea des Heerea. Het heeft zija manschap, als we ons zoo mogen uitdrukkea, ia de bezegelden met den heih'gea Doop. In deze heirscharen nu is een licht, waardoor ze als een stad op een berg zijn, en dat Ucht moet uitstralen. En door wat in hen gewrocht is, zijn ze als een bederfwerend zout, dat de ontbindende kracht der zonde in ons menscheiijk leven stuiten moet. Maar hun wapen is hei woord, en dat in zoo bepaalden zin, dat ia de visioenen van Johannes op Pathmos, de Koning zelf ons geteekend wordt, als hebbende een tweesnijdend zwaard in den mond, ter aanduiding van de macht die door het woord van hem uitgaat. Van dat woord, dat van den Koning uitgaat, lezea we, dat het „levend ea krachtig is en scherpsnijdender dan eenig tweesnijdend zwaard, dat doorgaat tot de verdeeling der ziel en des geestes en der saamvoegselea ea des mergs, en een oordeeler is van de gedachten ea overleggingen des hartea." (Hebr. 4 : 12). De Christus is het eeuwige Woord, en in het woord is zija macht. Vandaar dat ook voor zija volk, voor zija onderdanen, voor zija krijgskaechtea het hoofdwapen gegeven is in het woord. Belijden nu is, dit zwaard van het woord glinsteren laten. Zwijgea is, dit zwaard in de scheede houdea. Verloochenen is, dit zwaard op de knie in twee breken. Die belijdenis, dat machtoefenen door het woord, draagt nu altoos dit bijzonder karakter, dat het woord tegenover de niet belijdende wereld uitgaat. Het Koninkrijk van Jezus op aarde is van het leven der wereld onderscheiden. Het is in de wereld, maar het heeft ia die wereld een eigen bestaan, eea eigen streven, een eigen bedoelen, ea is ia die wereld deopeabaring van een macht, die niet uit die wereld opkomt, maar van boven tot ons afdaalt, ea zich tegea die wereld overstelt. Zal Jezus nu ia die wereld openbaar wordea, zijn aanzijn gevoelen laten, en zijn macht ia die wereld openbaren, daa geschiedt dit alles door zijn geloovigen, door degenen die hem toebehooren, en hem den eed vaa trouw zwoeren, ea zulks wel doordien deze voor hem uit-ea opkomea, het met het woord uitspreken, dat zij zija onderdanen zijn, en zich aan hem als hun Koaing onderwerpen. Stel, alle geloovigen meden dit of lieten het na, dan zou Jezus Koninkrijk op aarde verdwenen zijn. Ea daarom mogenmt niet schuilen, moeten ze spreken, is het hun dure plicht om te getuigen, en mag de belijdenis van Jezus als hua Koning nooit worden verzaakt. De gezv/oren eed, de trouw, de moed des geioofs eischt dit. Een ieder \& de wereld, die tegen Jezus pverstaat, moet van hen weten, dat men in hen met onderdanen en krijgsknechten van Koning Jezus te doen heeft, ea wel met onderdanen ea krijgsknechten, die zich hun Koning nooit ééü oogenblik schamen.

Hoor ïsu wat men hier tegea inbrengt. Er is gezegd, zoo voert men u tegen, dat niet een iegelijk die roept Heere HEERE, zal ingaan ia het Koninkrijk der hemelen, maar die daar doet den wil van den Vader die in de hemelen is, Schromelijker misverstand is al niet denkbaar, dan om tegen den eisch der belijdenis van zijn Koaing, zich op dat woord te beroepen. Er is tweeërlei kring, de kring der geloovigen onderling, en ds kring van wie niet in Jezus gelooven, of wilt ge de kring der wereld. De waarschuwing nu tegea het Heere HEERE roepen, doelt natuurlijk op den eersten, niet op dea tweeden kritsg. Sluipt ia het volk des Heeren, gelijk ia Israel, misbruik vaa het heilige ia, dan ontstaat het gevaar, dat men door het roepen vaa Heere HEERE ia dïea kriag van het volk des Heeren zich eea roep vaa heiligheid tracht te verwerven, ea daartegea is het dat Jezus' scherp vermaaa uitgaat. Het belijden daarentegen geschiedt juist tegenover dien aaderea kring, tegenover den kriag der wereld, ia welken kring het belijdea juist geen eere geeft, maar veeleer smaad met zich brengt, en hiermee heeft het vermaan tegea het Heere HEERE roepen, aiets hoegenaamd uitstaande. Het is alzoo misbruik maken vaa dit woord van Jezus, zoo men, zelf meer tot schuil blijven geneigd, en bij de wereld geea smaad maar eere zoekend, zich op dit heilige woord van Jezus beroept, om zijn gebrek aan moed en zijn gemis aan trouw te vergoelijken.

Een tweede bedenking, die men u tegenwerpt, is dat de apostel immers zelf gezegd heeft, dat een geloovige vrouw door haar Christelijk gedrag „zonder woorden", den ongeloovigen maa moet pogea te winaen. Ook dit heeft met de trouw in het belijdea niets gemeen. Die oageloovige maa wist zeer wel, dat zija vrouw een geloovige was en Jezus als haar Koniag beleed ea eerde. Aaders toch zou geheel de opmerking vaa dea apostel geen zin hebben gehad. Hier is alzoo geen sprake van belijden „zonder woorden, " wat reeds in zichzelf een contradictie zou zijn, maar vaa een ijveren voor Jezus en eea winnen voor Jezus. Het diepste zielsverlangen vaa die vrouw was, om ook haar maa tot Jezus te. brengen ea het oageloofin zija hart te brekea. Nu had die.vrouw natuurlijk aiet van Jezus gezwegen; haar man wist volkomen goed wat hij aaa haar had. Maar bij die geheel bijzondere betrekking, waarin die vrouw tot hem als haar maa stoad, zou een aanhoudend „preeken, " gelijk wij het aoemea, allicht het tegenovergestelde effect hebbea gehad, en haar maa juist te meer vaa Jezus hebbea vervreemd. En met het oog daarop nu zegt de apostel, dat zulk eea vrouw beter kans vaa slagea heeft, zoo ze in haar gedrag en optreden de vrucht van het Christelijk geloof toont, dan zoo ze rusteloos haar man „bepreekt." Een stelregel die nog altoos doorgaat in zoo menig gezin, waarin ook nu weer de geloovige vrouw getrouwd is met een man, die het geloof verzaakt en soms zelfs er vijandig tegenover staat.

En een derde bedeaking, die ge gedurig opperen hoort, is, dat het ^e/j^'üfew het Pharizeïsme kweekt. Nu staat het met het Pharizeïsme zóó, dat het nooit opkomt in ongeloovige kringen. Het Pharizeïsme was in Jezus dagea noch te Rome, noch te Athene, noch te Alexandrië denkbaar. Het koa alleen opkomea onder Israel, waar de kennisse der waarheid was en de ware belijdenis gevonden werd; en daarom juist was het van Israels volkstoestand onafscheidelijk. Nooit en nergens kan in deze zondige en onoprechte wereld het geloof zich ia breeder kring openbaren, of de woekerplant van het Pharizeïsme slingert zich om den heiligen stam. In tijden van vervolging verdwijnt het, maar zoo niet wordt aan dea kring vaa geloovigen een tijd vaa rust ea vrede geguad, of het Pharizeïsme komt v; eer op uit het giftig zaad, dat allerwegen gereed ligt. Het is niet de vrucht vaa het geloof, maar bet komt uit de wereld, uit de zoade ia dea heiligea kring bianen. Ter wille nu van dit Pharizeïsme het geloof tot zwijgea te wiiiea breagea, is de trouw te niet doen, doordien ontrouw dea valschen schijn van trouw aanneemt, eigen eerzucht de eere van onzen Koning te niet doet, en het valsch belijden niet den Koning maar het eigen ik bedoelt. De oude regel nu, dat het 't toppunt van dwaasheid is, terwille van het misbruik het gebruik op te heffen, vindt ook hier zijn volle toepassing, en tegenover het misbruik van het valsch belijden behoudt het waarachtig belijden van Jezus als onzea Koniag, zijn oaveranderlijke kracht. Alle schijavertoon moet ook hier met alle kracht bestreden worden, doch deze regel geldt alken in den kring der geloovigen. Zoodra men daarentegen tegenover de wereld of tegenover de ongeloovigen komt te staan, is vanzelf alle gevaar voor Pharizeïsme geweken, is niette belijden plichtverzaking, ea blijft altoos weer opnieuw belijden, niet uit overmoed, maar uit den drang vaa het hart onafwijsbare plicht. Maat moet, als in alle dingen, natuurlijk ook hier gehouden. De schuchterheid in het heilige mag nimmer verzaakt. Maar zwijgen waar ge spreken moet, komt niet op uit schuchterheid, maar vindt zijn grond in gemis aan gelo ofsmoed en in ontstentenis van trouw.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Pro Hege.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908

De Heraut | 4 Pagina's