Leestafel.
1. B. VAN SCHELVEN. „Houd in gedachtenis, dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt". Leerrede over II Timotheüs II ; 8. Amsterdam. H. A. van Bottenburg. 1908.
Nu onlangs, op den 2 5 sten Aptil, herdacht Ds. B. VAN SCHELVEN, de ure waarop hij vóór vijf en twintig jaren op den predikstoel in de Nieusve Kerk aan den Dam zijnen arbeid als Dienaar des Woords in de hoofdstad aanving. Hij heeft dit feit óók herdacht in de leerrede, uitgesproken in de Keizersgrachtkerk op Zondag 26 April, welke thans ia druk voor mij ligt.
Het gaat natuurlijk niet aan alle in druk verschenen gelegenheids leerredenen van predikanten onzer gereformeerde kerken hier te bespreken.
Niet al wat gebeurt is gesclüedenis, en niet al het gebeurde wat herdacht wordt, is in zijn gevolgen van genoegzame beteekenis om er ook in ruimer kring aandacht voor te vragen.
Anders staat het echter met deze leerrede van dezen predikant.
Ds. B. VAN SCHELVEN, vóór alles onverdacht Calvinist, maar daarbij, door andere qualiteiten, waaronder niet het minst zijn hooge urbaniteit, mij steeds herinnerend aan BEEÏS, — heeft de keikelijke geschiedenis der laatste vijf en-twintig jaren ten onzent mee helpen maken. Hij behoort tot de „mannen van beteekenis" in onze kerkelijke wereld.
Als zoodanig is hij echter reeds in ons blad door een ander geteekend. Ik heb het hier dan ook niet over hem, maar over zijn vijf en twintigjarige gedachtenisrede.
Tusschen 1883 en 1908 ligt 1886.
En in de leerrede wordt herdacht de vijfentwintigjarige evangeliebediening in de gereformeerde-kerk van AMSTERDAM.
Van AMSTERDAM dat zich, als in de X7de eeuw, ook in de 19e eeuw betoond heeft te zijn D'MATER' SALEM.
Zij, die 1886 op kerkelijk gebied hebben doorleefd, „hetzij als toeschouwers, hetzij als handelende persenen", weten hoe toen van uit Arasterdam de leiding der beweging is uitgegaan.
En ook hoe de Amsterdamsche predikant VAN SCHELVEN daarbij tot de „handelende personen" behoorde.
Het is deze omstandigheid welke aan de leerrede die hier voor mij ligt, genoegzame beteekenis geeft om er ook in ruimer kring de aandacht op te vestigen.
Zij doet weer gedenken; zij herinnert u weer '86.
De dagen der Doleantie.
En VAN SCHELVEN doet u met den hem eigen fijnen takt zóó gedenken, dat, niettegenstaande hij er een van de „handelende personen" bij s p was, hij zelf terugtreedt, van zichzdf heel weinig zegt. Men leze het begin dezer leerrede, waar de prediker verhaalt van zijn komen uit Haarlem naar Amsterdam:
»Het was anders geen gemakkelijke zaak, om toen den herderstaf op te nemen bij dat deel der Gereformeerde kerk, dat nog leefde onder het juk eener organisatie, welke in volkomen tegenstelling was en is, met wat uit den aard der Gereformeerde belijdenis voortvloeit. Jaren achtereen was reeds geworsteld, om, de gemeente uit dien kerker te verlossen. Waar meer werd begeerd dan alleen de vrijheid, om naast anderen ook zijn eigene overtuiging te mogen verkondigen, en het er om ging dat door alle dienaren en in eiken dienst de reine predicatie des Evangelies en het zuivere gebruik der Sacramenten gewaarborgd zou zijn en blijven, was het te speuren, dat een conflict kon komen en fel kon zijn.«
»Dat dit gekomen is, heeft dan ook niemand verrast; al is de gang van zaken een andere geweest dan sommigen, velen wellicht, hadden vermoed en gehoopt, die toen en sinds zijn achtergebleven en zich onder het juk weer hebben geschikt «
»Het treffen is niet uitgebleven. En in het feit, dat wat in dè Nieuwe Kerk aan den Dam werd aangevangen, nu in deze Keizersgrachtkerk herdacht wordt, teekent zich voor ons bewustzijn scherp de gang van wat is voorgevallen.«
En wat nu in deze gedachtenisrede van een der „vaderen der doleantie" zoo weldadig aandoet, is alle gemis aan „doleantisme".
In dit stuk toch is een dankbare erkenning ook voor het machtig Godswerk van 1834; van het werk dat de Heere wrocht in de Separatie.
Men leze waar de prediker van den zegen Gods in ons kerkelijk leven van de laatste j «en handelt, op p. 7 :
«Maar zegen mag zeker wel genoemd de gebeurtenis, dat in dien weg hereeniging gevonden werd met eene schare van medegeloovigen, voor wie reeds vroeger de ure was aangebroken van ontkoming aan de doodelijke omarming, van wat met Gods Woord in strijd is. Zulke gemeenschap des geestes, zulke broederlijke banden als sinds die jaren gelegd zijn en meer en meer werken, zijn een werk des Heeren en zegel zijner trouwe gunst.»
Dit warm wcord doet goed.
En niet minder dat andere op het einde van de preek, als de prediker in zijn toepassing in de^e woorden herinnert aan het kerkelijk leven der 19de eeuw:
»Was niet een geest van zóó diepen slaap over onze kerken uitgegoten, dat in den jare 1S16 het den vorst mogelijk was over die allen het net te werpen der synodale hiërarchie ; haren dienst des Woords te brengen onder de macht van de scholen der wijsbegeerte, die gebroken hadden met het Woord der Openbaring; en ze ten overvloede nog te binden met zoete zilveren koorden ? «
Woorden waar dan op vclgt:
»Toch is tot twee reizen toe gebleken de macht des Heeren, die het leven verwekt tegen de heerschappij in van den dood. De jaartallen 1834 en 1SS6 zijn geijkt als de aanduiding van deze keerpunten.«
Dan, waar VAN SCHELVEN U doet gedenken aan '86, waar hij zelf gedenkt aan zijn vijfentwintig jarig ambtswerk, doet bij dat alles iu het licht van het groote feit, dat Jezus Christus uit de dooden is opgewekt.
Ook dit zijn woord is bediening des Woords.
Een duidelijke verklaring, zooals men dal in de wijze van prediking van Ds. v. SCHELVEN gewoon is, van het Schriftwoord 2 Timotheüs 2:8.
En niet alleen wordt dat woord u duidelijk verklaard, maar ook hier komt het „weerleggend' element, dat in een prediking van dezen dienaar des Woords schier nooit ontbreekt, weer uit.
En meelevend met zijn tijd, bepaalt de „weerlegging", die VAN SCHELVEN biedt, zich dan niet tot de dwalingen van het verleden, maar zij is ooR bij uitstek actueel.
Zoo tref het mij, dat in deze preek, zonder dat het met name werd aangeduid — wat dan ook niet noodig was — de beschouwing van DR. A. H. DE HARTOG over de Heilsfeiten een weerlegging vond.
Voorbeeldig noem ik ook de toepassing van het Schriftwoord. Eerst toch wordt aangewezen, waarom nu juist in dien tijd en onder die omstandigheden door Paulus dit woord aan Timotheüs werd geschreven, en dan wordt dit woord in deze zijn verbijzondering en eigenaardigheid eerst aan de Gemeente in het algemeen en dan aan den eenling ter vertroosting geboden.
Men leze, ook buiten Amsterdam, deze gedachtenisrede.
Zij heeft waarde uit historisch, zoowel als uit homiletisch oogpunt.
De uitgever gaf er een welgelijkend portret van den jubilaris bij.
2. K. STRAATSMA. Onttrekken. Proeve van eene beknopte populaire Christelijke Ethiek. Tweede druk. Rotterdam. J. M. BREDEE.
Van dit werkje van Ds. STRAATSMA, Hervormd Predikant te FERWERD, zegt PROF. IS. V. DIJK te GRONINGEN in zijn aanbevelend woord o.a.;
„De Schrijver treedt hier niet op met wetenschappelijke pretentiën, maar hij wil zeker ook niet geacht worden te hand te lichten met ernsligen arbeid."
Het bestaat uit een Inleiding en vier deelen.
1e. De mensch als degene, in wien het Chr. zedelijk leven tot ontwikkeling moet komen.
2e. Het Christelijk zedelijk leven zelf, als datgene wat in den mensch tot ontwikkeling moet komen.
3e. De verschillende plichten als de verschuldigde verrichtingen en uitingen van het Christelijk zedelijk leven.
40, De onderscheidene levenskringen als de oefenplaatsen en werkplaatsen van het Christelijk zedelijk leven.
Ik acht deze partitie niet boven alle bedenking verheven. Ook wil het wij voorkomen, dat de uitdrukking Christelijke Ethiek, zij het ook niet in zoo sterke mate als die van Christelijke Dogmatiek, geen aanbeveling verdient. Verder zou ik tegen sommige beweringen van den geachten schrijver ernstig bezwaar hebben. Zoo b.v. op p. 68 „dat het geweten datgene is, wat van de in 't hart geschreven wet des Heeren is overgebleven, en dat bij den Christen weder door Gods wet verlicht is." Voor mij toch is het „geweten" niet anders dan de drang tot zelf beoordeeling in den zondaar; welke zelf beoordeeling dan, gelijk alle beoordeeling, zeker een norm eischt.
Zoo b.v. op 4, waar van de Wet gezegd wordt, dat zij wel een spiegel is waarin wij beide Gods wil en onze zonden kunnen zien, maar waar het mij voorkomt, dat de schrijver aan het geestelijk karakter van de wet en aan haar usus normativus geen recht doet wedervaren, en waarvan dan het gevolg is dat de Wet, zelfs in het derde deel dat een plichtenleer geeft, niet tot haar recht komt.
Met dit al is uit dit boekje, dat door den chrijver zeer nederig: eene proeve van beknopte opulaire Christelijke ethiek wordt genoemd, al
is het ook geen specifiek Gereformeerde ethiek, veel te leeren.
Het is een weikje in het genre van JJs. r. T V MELLE'S zeer lezenswaardig Repetitorium.
3. A. H. V. MINNEN, De Gereformeerde Eere dienst 's Gravenzande. J. v. Deventer. 1908.
Ds VAN MINNEN, predikant te's Gravenïande, schreef in zijn Kerkbode een reeks artikelen over 0Dz.; n Gereformeerden Eeredienst. Dit boekje is van die artikelen een herdruk.
Ik kan het ten zeerste aanbevelen.
Allerminst bedoelt het eene wetenschappeliike uiteenzetting onser liturgie, maar alleen, de leden der gemeente eenigszins in'elichten aan aaande die plechtigheden, waaraan zij telkens in Gods huis de-lnemen; Ja, maar al te vaak deelnemen zonder zich recht rekenschap te geveii van wat er geschied; en van wat zij zelve doen.
Was de bedoeling al niet een wetenschappeliike uiteenzetting, toch heeft de schrijver zich de moeite gegeven een vrij rijke litteratuur over ixxü. onderwerp te raadplegen.
Het boekje handelt van de gewone Bediening des Woords; van de Sacramentbediening; van nog andere bijzondere •plechtigheden. (Afsnijding en wederopneming; Bevestiging in het ambt; Huwelijk, enz.)
Voor wie geen opiettelijke studie van den eeredienst heeft gemaakt, valt ook hier veel uit te leeren.
Wat de Schrijver op p. 33 zegt „van de afkondiging, die aan het uitspreken van den zegen moet voorafgaan" — heeft mijn hartelijke instemming.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908
De Heraut | 4 Pagina's