Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Voor Kinderen.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Voor Kinderen.

7 minuten leestijd

DE KLOKKETOREN.

VII.

BEZOEK.

't Was ongeveer twee uur in den namiddag. De zon scheen helder en wierp haar vriendelijke stralen over stad en veld. Hoe schoon was nu van onzen toren het uitzicht in de verte over de Elbe en het omliggende land! Maar tegelijk viel mijn oog op de witte tenten daar ginds en de schansen die er waren opgeworpen. En een oogenblik later ratelden beneden mij de wielen der kanonwagens, en zag ik nog hier en daar rook opgaan van verbrande huizen. Ja, 't was wel oorlogstijd en geen vrede, al zwegen voor het oogenblik de kanonnen !

Oom en ik gebruikten den maaltijd, waarbij weinig gesproken werd. Ik wist dat oom aan zijn vrouw dacht, gelijk ik aan tante, en dat wij beiden haar zeer misten. Doch daarvan wou ik liefst niet spreken.

Juist hadden we gedankt, toen tot onze verbazing aan de deur werd geklopt. Wie kon daar zijn, zoo hoog in den toren? Ik ging open doen,

Een oogenblik later trad een vrouw binnen, eenvoudig maar net gekleed. Zij droeg op den arm een kindje van een jaar of zoo, naar ik gis. Twee andere kinderen, waarvan het oudste zes jaar zal geweest zijn, volgden haar en hielden haar rok vast. De vrouw hijgde van het vele trappen klimmen, en dat met drie kinderen; haar eigen oogen zagen rood en waren gezwollen. Zij was blijkbaar zeer moe. Want zoodra was zij niet binnen, of uitgeput viel zij op een stoel neer.

„Wel juffrouw Finkier, " riep mijn oom, die de vrouw zeer goed kende, verbaasd uit; „komt u hier? Wie had dat gedacht 1 Zijt ge niet bang geweest, vooral met die kleine kinderen, dat een kogel u zou treffen? En dan die hooge, steile trappen. Hoe zijt ge er nog op gekomen."

„Een mensch kan veel, als hij moet en wil, " sprak de vrouw, die nu wat begon te bekomen, „'t Verwondert u natuurlijk mij hier te zien. Maar ik dacht, ik moest juist naar u gaan; 'k zou hier wel hulp vinden."

„Ik Wou dat ik iets voor u doen kon, goede vrouw, " zei mijn oom, terwijl hij opstond, om uit de kast wat melk te halen voor de bezoekers. „Maar ik heb mijn vrouw al weggezonden, en vrees dat ik zelf hier niet lang zal kunnen blijven. Elk oogenblik kan de toren ook beschoten worden en in brand geraken, en dan is vluchten 't eenige wat ons overblijft."

„Toch wist ik geen andere toevlucht dan bij u, onzen ouden vriend, " was het antwoord. „We hebben een vreeselijken nacht gehad. De Pruisen hebben ons huisje in brand geschoten, en ik moest van nacht om drie uur met de kindertjes de vlucht nemen. Er was geen hulp en alles is verbrand. Wat moet een vrouw doen, als haar man mee is in den oorlog! We hadden wel niet veel te verliezen, maar toch, al onze meubeltjes, al ons linnengoed is verbrand. Wat moet ik beginnen!"

„Troost u, " zei mijn oom. „God leeft en regeert, en Hij weet dat wij er zijn en zal voor ons zorgen. Ik zelf verkeer in groot gevaar; alles is reeds, ge ziet het, ingepakt, en kom eens mede."

Zij gingen naar buiten op den omloop en oom wees haar, hoe zij in geval van nood met de mand moest doen, om veilig naar beneden te komen. Toen zij weer binnen waren, sprak hij: „Ge moet allen eerst wat eten en slapen, dan zullen we verder zien."

Zoo gebeurde. Te zeven uur des avonds zaten we weer bijeen, behalve de kinderen, die nog rustig doorsliepen op de zakken en matten, waar in der haast een bed van gemiakt was.

„Nu moet ge me toch eens vertellen, juffrouw Finkier, " sprak oom, „waarom ge niet naar den broer van mijn zwager zijt gegaan. Hij kan tienmaal meer voor u doen dan ik; hij is rijk, heeft een groot huis, en daarbij hebt ge hem vroeger zoo lang en trouw gediend, dat hij zeker alles aan u doen zal. Ge zijt hiervan harte welkom en kunt zoo lang blijven als ge wilt. Maar dat kan elk oogenblik uit zijn, ea't is hier gevaarlijk ook voor de kinderen. Beneden is 't veel veiliger."

De vrouw kreeg een kleur als iemand die ontstelt. Toen zei ze:

„Ge hebt volkomen gelijk, Schoenebeck, en ik heb ook eerst gedaan zoo als gij zegt. Maar het baatte niets."

Dit laatste begreep ik volkomen. Uit hetgeen ik u vroeger vertelde, wist ik maar al te goed dat mijn oom van vaders zijde, er de man niet naar was, om armen of vervolgden te helpen.

Hij had ook voor ons niets gedaan. Oom Schoenebeck echter scheen het nog niet recht te kunnen vatten, en zag de vrouw met bej vreemding aan,

„'t Behoeft u niet zoo bijster te verwonderen, " sprak juffrouw Finkier met bitterheid; „hij is welbekend als een hardvochtig, gierig mensch, en aan een andermans kinderen heeft hij een hekel."

Ik dacht weer aan wat ik zelf ondervonden had.

„Hij zei het me ronduit, " ging onze bezoekster voort, „toen ik hem vroeg mij voor een poosje een onderdak te geven, dat hij het geschreeuw eii de drukte van kleine kinderen niet hebben kbn. Daarbij was het zoo'n slechte tijd, dat hij onmogelijk zoo veel monden kon open houden. Wat ik ook bad en smeekte, het hielp niets. Hij wees mij al gauw met een barsch gezicht de deur. En dat een man die zooveel geld heeft, en zoo goed verdient!" 't Is verschrikkelijk antwoordde mijn oom.

U zijt zooveel jaren in zijn huis geweest. Ik dacht dat hij wel allereerst voor u wat zou willen doen, "

„Ook hij deugt niet, " sprak de vrouw, „ik zeg, dat ik liever geen geld had, dan dat ik er aan kwam zoo als hij. Ik heb daar nooit over gesproken, maar nu wil ik het doen, want eigenlijk behoort gij het te weten, en deze knaap ook, die bij u w.oont; het kan te pas komen.

„Ge moet weten, " ging zij voort, „en ge hebt

dat zeker ook wel van anderen gehoord, dat hij het meeste geld dat hij bezit, niet heeft verdiend, met zijn handel, maar geërld heeft van zijn neet, den ouden Schnabe, die daarginter buiten de poort woonde. Ik heb met mijn oogen gezieu, en met mijn ooren gehoord, alles wat er tusschen dien neef en hem, die toen onze meester was, is voorgevallen. Hij heeft zijn broer, den vader van uw neef Jan, op de leelijkste wijs belasterd en hem bij den neef zwart gemaakt. Zoo kwam mijnheer Schnabe er toe, om al lijn geld alleen aan den eecen broer bij testament te vermaken, en deo ander niets te geven, zoodat mijnheer Carl Schaeffer erfgenaam werd van het geheele vermogen."

Mijn oom luisterde met gespannen aandacht, ook ik was geheel oor.

„Naderband, " zoo ging de juffr'^uw voort, „schijnt mijnheer Schnabe gemerkt te hebben, dat hij verkeerd had gedaan. Hij wilde toen met alle geweld zijn testament weer veranderen. Maar mijnheer Carl in wiens huis de oude man toen ziek las, heeft wel gezorgd dat zoo iets niet gebeurde. Hij liet geen mensch bij den zieke toe, dan m'j om hem op te pasren. De man is spoedig gestorven en mijn meester kreeg al 't geld. Ik ben maar een arme vrouw, en toch zou ik zoo niet rijk willen wezen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Voor Kinderen.

Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908

De Heraut | 4 Pagina's