Zoowel Ds. Bouwman
Zoowel Ds. Bouwman in het Fjfiesck Kerkblad als Ds. Littooy in het Zeeuwsch Kerkblad hebben bezwaren ingebracht tegen hetgeen v/e schreven over de verplichting van den Kerkeraad om desgevraagd een attestatie af te geven.
Het hoofdargument van Ds. Bouwman is, dat de beide Kerkengroepen in 1892 zijn overeengekomen, dat da Kerkeraden op één plaats niet zonder wedersijdsche bewilliging leden van elkander mogen overnemen, en dat deze bepaling nooit wettig is afgeschaft. Onze opvatting, dat deze bepaling niet anders zeggen wil, dan dat de Kerkeraden door het afgeven der attestatie van deze bewilliging moeten doen blijken, wordt door hem gewraakt op. grond dat Art. 61 der K. O, dit reeds voorschrijft en deze bepaling dan geheel overbodig zou zijn geweest. Terwijl hij voorts verwijst naar de Bepalingen I art. 3, bij de vereeniging aangenomen, waaruit volgt, dat als de grensregeling tusschen twee kerken eenmaal is vastgesteld, deze bepaling wel geen' terugwerkende kracht heeft, maar toch voor het vervolg degenen, die ten Avondmaal worden toegelaten, bindt.
En nog sterker laat Ds. Littooy zich uit:
Bij het lezen van De Heraut over het afgeven van attestaties in de hier boven aangegeven gevallen konden ook wij de opvatting van den hooggeachten Redacteur van De Heraut iiiet deelen. Is deje interpretatie van het besluit der Synode juist, dan betreuren we dat besluit, ja dan hebben wij het niet begrepen, dan achten wij het zelfs, zonder opzet of bijbedoelwgen natuurlijk, terugkomen op hetgeen bij de ver eeniging der Kerken mst wederzijdscHe toestemming, — wij gelooven met wijsheid — besloten is, zoolang de jimmetlijke gedeeldheid der plaatselijke Kerken bestaat. Ja de ongebondenheid, de willekeur, het krenken van anderen, leeraar en leden, in de hand werken, al stemmen wij toe, dat geen Synode bindende bepalingen kan maken voor de toekomst. Doch daar staat tegenover, dat, wanneer men weet, als in casu, men ra de eerste Synode de meet derheid en dus de macht heeft, men dan kan aacgaan wat men acht te moeten doen, wijl het dan later veranderd kan worden. Doch dit mag zelfs niet gedacht worden. In dergelijke gevallen, dunkt oas, behoort men saam wel overtuigd te zijn, dat de verandering geboden is. Om geen leden vaa elkander af te snoepen, om de zondige willekeur der leden geen bot té vierep, ja om allerlei redenen, zonder van woonplaats te veranderen, van de eene naar de andere plaatselijke Kerk over te gaan, kan o.i. geen ordening zijn, die in de ordeningen Gods gegrond is. Als zelfs de attestatie ten slotte moet afgegeven worden, al is de reden van het gaan van de eene naar de andere plaatselijke Kerk diep „zondig", wijl de vrijheid der leden moet geëerbiedigd worden, gelooven wij met, dat naar den wil van God is. Het is als Kerken en Kerkeraden mee te doen aan hetgeen verkeerd is. Het is het kwade doen, waaruit de grenzelooje vrijheid o. i. moet voortvloeien.
In ongewone, in overgangstijden en toestan den, heeft men onwillekeurig bepalingen, die van den regel afwijken; m die overgangstijden getroost men zich wat anders niet geldt.
De bepaling is, „met wederzijdsche bewil liging", gemaakt, om de willekeur, die God verbiedt, aan' banden te leggen en om allerlei moeilijkheden en hatelijkheden te voorkomen.
Met wederzijdsche bewilliging is hier, en wij meenen ook elders, de volledige vrijheid gegeven aan de leden der gemeente, die in het huwelijk treden, opdat zij samen zouden opgaan ten huize des gebeds en later met de kinderen, die het den Heere believen zal hun te geven, tot ééne afdeeling zouden behooren.
Moge een kort antwoord hierop volstaan.
Ook door onze redactie is op den voorgrond gesteld, dat dergelijke overgan gen van de eene kerk naar de andere op dezelfde plaats kerkrechtelijk niet in den haak zijn, maar dat de schuld van dit ongerief in de eerste plaats te wijten is aan het naast elkaar bestaan van twee kerkelijke instituten op eenzelfde plaats. Het eenig afdoende middel om dergelijke onordelijke toestanden uit den weg te ruimen, is, dat men de plaatselijke gedeeldheid opheft.
Intusschen is men, zoolang deze toestand voortduurt, natuurlijk gebonden aan de beslissingen der generale Synodes, voorzoover deze niet tegen Gods Woord ingaan.
Nu is op de Synode te Groningen in 1889 uitdrukkelijk gelast aan een Kerkeraad, die weigerde een attestatie af te geven, dat het geschieden moest. En in het rapport, dat op deze Synode is ingediend en waarvan de conclusie is overgenomen^ is evenzeer uitdrukkelijk verklaard, dat de bepaling van 1892 aangaande dé „weder zijdsche bewilliging", niet zeggen wilde, dat de Kerkeraad op den duur aan een lidmaat, niettegenstaande diens uitgesproken wensch, de attestatie weigeren mocht.
Indien de „wederzijdsche bewilliging" nu in dezen zin moest worden opgevat, dat zonder toestemming van beide kerkeraden nooit een attestatie mocht worden afgegeven, dan zou de Synode te Groningen bij het eerste concrete gevji, dat de Synode ter beoordeeling werd voor-^eUgd en waarin de eene Kerkeraad die toestemming weigerde, eenvoudig te verklaren hebben gehad, dat de zaak daardoor was uitgemaakt en de overgang niet kon plaats vinden.
De Synode deed dit echter niet. Ze gelastte de attestatie af te geven En ze deed dit niet op grond van except ion eele omstandigheden, of om Jat in dit geval de overgang haar wenschelijk toescheen, maar op grond, dat een Kerkeraad op den duur een attestatie niet weigeren mag, omdat anders aan de vrijheid der leden wordt tekort gedaan.
Nu geldt de regel, dat de uitlegging en verklaring van eenige Synodale regeling in de eerste plaats door de Generale Synode zelve behoort gegeven te worden. En de kritiek door Ds. Bouwman en Ds. Littooy geoefend, geldt feitelijk niet ons, maar de officieele verklaring door de Synode te Groningen gegeven.
Ds opmerking van Ds. Bouwman, dat onze Kerken, wanneer de grensregeling eenmaal is vastgesteld, het toch niet aan de vrijheid der leden overlaten om bij een naburige Kerk te behooren, heeft met dit punt niets uitstaande. Wie op eenbepaalde plaats woont en lid is van de aldaar gevestigde Kerk, kan natuurlijk niet tot een Kerk op een andere plaats behooren. Dat volgt uit het begrip der plaatselijke Kerk zelf. Maar een Kerkeraad zou nooit aan een lidmaat, die naar een andere plaats wilde verhuizen, attestatie kunnen weigeren, zelfs al keurde de Kerkeraad de motieven voor die verhuizing af. En zoo staat het ook, wanneer op een plaats twee kerken naast elkander worden gevonden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908
De Heraut | 4 Pagina's