„Der zee het zand tot een paal".
Zult gijlieden Mij niet vreezen? spreekt de HEERE; zult gij voor mijn aangezichte niet beven? Die der zee het zand tot eenen paal gesteld heb, met eene eeuwige inzetting, dat zij daarover niet zal gaan ; ofschoon hare golven zich bewegen, zoo zullen zij toch niet vermogen; ofschoon zij bruisen, zoo zullen zij toch daarover niet gaan. Jeremia 5: 22.
Het land, waarin Gods heilige profeten optraden, lag over heel zijn leegte langs de zee. Breed was het niet, ea van een eenigszins hoogen berg kon men altoos tegelijk èn de woestijn in het Oosten èn de toenmalige wereldzee in het Westen aan den geaichteinder ontdekken, en beide èn in die woestijn èn langs die zeekust hing 't alles aan de zandkorrelen. In de woestijn het vreeslijke zand, dat met overstuiving en dood dreigde, en aan dea zeeoever ditzelfde zand middel in Gods hand om het land tegen overstelping met het water te vrijwaren. Hetzelfde nietige kleine stofzand ia de woestijn dreigend en op de kust reddend, en beide malen God de Heere ook in de geringheid van dit zand zijn Goddelijke almacht verheerlijkend.
De aanblik van de zee is, als ge, bij opkomend stormweer, aan het strand slaat, zoo majestueus en geweldig. Die eindelooze, onoverzienbare watermassa die eerst rustig in haar deinen voortkabbelde ea schier statig zich voortbewoog, schijnt dan plotseling in een monsterachtig wezen verkeerd en omgezet te zijn, dat hoog zijn armen opzwaait en met zijn voeten naar den afgrond trapt, ea onder het zich opstapelea en doen onsrollen van zijn hooge golven, en onder het gapen van zija diepe kolken, stuivend, bruisend, en alles voor zich weg blazend, op de kust aanstuwt, de duinen bespringt, tegen alles inbulderend de oevers beukt, en tegen de arme kustbewoners opvliegt, ze dreigend met geweld en vernieling.
Tegenover zulk een woedende, razende zee staat, wie er tegen-in staart, zoo machteloos, en voelt zich het hart benepen van angst bij de enkele gedachte, dat die dood en verderf dreigende golven, de duinen over, heel het land verzwelgen konden, 't alles neertrekkend in haar afgrond en in haar kolken. En het zou ook alles weg, ea 't zou alles verlorea zijn, zoo God de Heere die groote zee ook maar één oogenblik van den teugel liet. Maar God houdt ze.
Ze kan woeden en Gods majesteit toonen, maar God zelf roept haar 't „tot hiertoe en niet verder" toe. Er is een grens gesteld die ze niet zal overschrijden. God zelf heeft haar een paal gesteld, dien ze met haar onstuimigste golven niet zal kunnen wegslaan. En die grens, die paal, dat perk van haar mogendheid, 't was in het heilige land niet een rotskust, geen hooge muur van graniet, maar, juist zooals in onze landen, een heir van millioenen en biilioenen en trillioenen korrelkens van vormloos en schier kleurloos zand.
Hier is majesteit tegenover majesteit. Majesteit in het bulderen en opstijgen en neerslaan van de golven, en majesteit daartegenover in het bedwingen van die machtige zee door niets dan korrelkens zand. En hierop is het dat de Heere zelf ons wijst, als hij door Jeremia, zijn profeet, aan Israel en aan alle volken vraagt: „Zult gijlieden mij niet vreezen ? Zult gij voor mijn aangeïicht niet beven? die de zee het zand tot een paal heb gesteld, met een eeuwige inzetting dat ze niet daarover zal gaan. Ofschoon haar golven zich bewegen, zoo zullen zij toch daar niet o/ergaan, ofschoon zij bruisen, zoo zullen zij toch niet vermogen!"
En niet alleen bij Jeremia wijst de Heere op dit perk, dat aan de zee is gesteld, de zee als een openbaring van zijn mogendheid. Bij Job heet het: „Hij heeft een gezet perk over het vlakke der wateren rondom afgetee kend tot aan de voleinding toe des lichts." Of anders, en in nog verhevener taal: „Wie heef i de zee met deuren toegesloten, toen zij uitbrak, en uit de baarmoeder voortkwam, toen ik voor haar met mijn besluit de aarde doorbrak, en haar zette grendels en deuren, en zeide: Tot hiertoe zult gij komen en niet vetder, en hier zal Ik mij stellen tegen den hoogmoed van uw golven!"
Of eindelijk, gelijk het bij den Psalmist van de groote wateren heet: „Van u.w schelden vloden zij, zij haastten zich weg voor de stem uws donders. Gij hebt een paal gesteld dien ze niet overschrijden zullen. Ze zullen de aarde niet weder bedekken."
Altoos weer de verwijzing naar de oppermacht die God in sijn Almacht over het geweld van den oceaan besit. Hoe de zee ook woede, en zich scheure, en baldere én zich omhoog verheffe, God houdt ze in zijn hand, en ze komt geen schreef verder dan God haar grenzen bepaald heeft. Ea het instrument dat God de Heere voor dit betoon van zijn Almacht bezigt, is bij die geweldige zee niets anders dan ^«^2iJ«rf dat hij aan den oever schiep en waaruit Hij haar oever opbouwde.
Hoog is zijn majesteit daarboven. Hef slechts uw oogen op naar het firmament bij nachtelijk donker, en zie wie al dit stargefljnker geschapen heeft, „wie ze alle bij name roept, omdat Hij sterk van vermogen is, en zie, er wordt er niet één gemist." Maar even geweldig is die majesteit des Heeren HEEREN op deze aarde beneden. Zie maar dat onwezen van de stormen de zee aan, dat alles voor zich uitdrijit en de schepelingen met angst des doods vervult. En toch ook die geweldige zee is aan Zijn macht onderworpen, en om daarbij zijn almacht te schitterender te toonen, bedwingt Hij die zee door niets dan het zand !
Voor God is er geen groot of klein, en hoe verder de natuur ons haar geheimnissen ontsluiert, hoe sterker we gedurig onder den indruk geraken van de allesoverheerschende macht, die het Hem beliefd heeft, juist in het kleine en schijnbaar nietige op te sluiten. Nog veel, veel kleiner dan het zand zijn de ziektekiemen, die men bacteriën, microben of bacillen noemt. Alleen onder een machtig vergrootglas verraden ze haar aanwezigheid, en toch is één druppel van die miniem kkine wezens machtig om, als ze in uw bloed dringen, heel uw leven te verwoe-iten, en zoo ze niet gekeerd worden, van uw lijk uitgaande, dood en verderf in heel de stad uwer woning te spreiden. Het water dat we • drinken, de lucht die we in ademen, 't is al met zulke minieme wezentjes bezwangerd. En nóg miniemer en nóg kleiner zijn de meer onderstelde dan waargenomen ele menten die heel den dampkring samenstellen, de electrische golven glinsteren doen, en 't alles in trilling en beweging houden.
Heel Gods schepping wordt ons al meer éen indrukwekkende uitstraling van de macht van het kleine.
Ons boeit de steile rots, het hoog gebergte, het flonkeren aan het firmament en het dreunen van den geweldigen donder. Ons in onze kleinheid verbijstert het groote, het majestueuse, het ontzaglijke. En ook onder menschen zien we op tot wat uitsteekt, tot wat wandelt in het verhevene, tot wat talent sprankelen en genie schitteren doet. Ook wel tot wie imponeert door rijkdom en weelde en staatsie, of door als held, als een Nimrod te worstelen op het oorlogsveld. En het kleine, het gewone, het nietige wordt dan onder menschen zoo vaak voorbijgezien en veracht, zóo veracht dat alle keur van onderscheid bij dit kleine versmelt.
Tot zelfs in wat ons wedervaart, rekenen we dubbel met hetgeen ons in groote afmetingen overkomt, 't zij in het droeve, 't zij in het blijde. Het buitengewone treft en boeit ons. Maar het gewone alledaagsche leven gaat in zijn kleinheid voor ons onder. Bij het bloempjs der heide loopt de groote menigte voorbij, maar voor een kunstvuurwerk, dat zijn klappers laat springen, blijft het in verrukking staan. Wie vijf talenten ontving, woekert er mee; die met één talent werd uitgezonden, begraaft het.
Altoos zoeken wij het groote, het machtige, het indrukwekkende, het buitengewone, maar voor het kleine hebben wij geen oog.
En zie nu hoe geheel anders dit bij God den Heere is, die juist in bet kleine en in het kleinste zijn majesteit ten toon spreidt, en den geweldigen oceaan bedwingt door korrelkens zand.
Voor onzen God is het groote iii het stofje aan de weegschaal en in den druppel aan den emmer. Uit druppelen is de zee saamvergaderd, en door zandkorrelkens is baar een paal gesteld. En daarom roept de profeet het aan het volk des Heeren uit alle eeuwen toe : waarom veracht ge den dag de kleine dingen i Waarom, gij machtigen der aarde, veracht ge de kleinen in den lande? Waarom, o, kind des menschen, hebt ge niet meer oog voor de macht van het kleine in uw eigen levenskring?
Schromelijke overtredingen van God§ heilige wet worden scherp en hard geoordeeld, maar wie weegt zijn kleine zonden in de goudschaal van Gods heiligheid af? Voor uitredding uit doodsgevaar en voor groote weldaden ons door onzen God bewezen, danken we in overvloeiing des harten, maar wie dankte, niet met de lippen, maar met het hart, steeds voor de kleine weldadigheden zijns Gods die hem bij dagen en nachten toekomen? Bij indrukwekkende gebeur tenissen des levens staan we eerbiedig stil; maar wie meet af de onmerkbare invloeden, die allerlei kleine ontmoetingen op ons uitoefenen ? Geldelijk' weten we dat veel kleintjes een groote maken, en blijven we soms dood op een penning; maar wie rekent in goede en in booze weiken, in vreugd en in leed, in klacht en iu toewijding met dat miniem kleine, dat aan het gewone oog ontsnapt? Gedurig worden in de Schrift de volken in bun bruisen bij het bruisen der golven vergeleken, maar wie merkt er op, hoe ook het leven der volken door zandkorrelkens ia de historie beheerscht wordt ? Met den psalmist klaagt zoo nienigeen: „Ik ben klein en veracht", hij voelt zich als een zandkorrelken, maar wat voelt hij van de roeping die ook zulk een zandkorrelken voor het leven van zijn gezin en voor het leven van zijn volk hebben kan?
De wereld heeft alleen voor het groote een oog, maar Gods Woord roept u telkens op, om ook te merken op het kleine, de macht van het kleine niet te verwaarloozen; tot in het kleinste getrouw te zijn; en te gelooven dat een „kleine naar de wereld" die God vreest, voor Hem hooger kan staan dan een vorst op zijn troon of een genie in de kunstwereld.
Die macht van het kleine, die Gods Woord u predikt, ze verzoent u met u zelf. Ze troost u in uw vergetelheid. Ze verdubbelt den ernst in uw plichtsbetrachting. Ze maakt uw leven, al is 't klein, zoo rijk. En bovenal ze drijft u uit tot aanbidding niet alleen als de donder in uw leven ratelt, maar ook bij het suizen der zachte koelte, wanneer de adem uws Gods zich naar u toebeweegt.
Het kleine ook in uw leven kan zoo groot zijn voor uw God!
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 mei 1908
De Heraut | 4 Pagina's