Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Derbolgen om den Neere te kennen”.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Derbolgen om den Neere te kennen”.

10 minuten leestijd

Dan zullen wij kennen, wij zullen vervolgen, om den Heere Ife kennen; zijn uitgang is be reid als de dageraad; en Hij zal tot ons komen als een regen, als de spade regen en vroege regen des lands. Hosea 6:3.

Iemand kennen heeft tweeërlei zin. De éene uitwendig en oppervlakkig, als niet anders be doeld is dan de vraag, of ge iemand bij name en van aangezicht kent. De andere daarentegen, op diepgaande kennis van karakter en imborst doelend, als het te doen is om.kennis van iemands innerlijk bestaan.

Op de éene korte vraag: Kent ge hemi de éene maal het antwoord: „Ik geloof dat ik hem eens gezien heb". Maar de andere maal het bescheid: „Ik geloof dat ik zeggen mag dat ik hem ken, ik verkeer nu met hem twintig jaren."

En is het zoo onder menschen, het is evenzoo met het kennen van God. Ge vindt ze bij tientallen, die, als men hun vraagt: Kent gij God? — verwonderd zullen opzien en zeggen: Natuurlijk, wie kent God niet? Maar andere tientallen staan daartegenover, die op geheel dezelfde vraag zullen antwoorden: „Ik durf bet nog niet zeggen." En beduidt dit nu, dat de eerste zooveel vromer zijn en in Gods verbor gen omgang werden ingeleid, terwijl delaatsten buiten Hem omzwierven ? In het minst niet. Eer vlak omgekeerd. Die eersten kennen den Heere onzen God meestal niet anders dan hij name, en juist die anderen spanden zich in, om vromelijk in de kennisse des Heeren in te dringen.

Heel de historie gaat dit onderscheid, gaat deze tegenstelling in de Kerk van Christus dan ook door. Tweeërlei soort lieden. Een breede schare, die niet betwisten dat er een God is, en dat Hij wijs is en almachtig en goedertieren, maar zonder dat ze ooit tot een persoonlijke kennismaking met dien 3od gekomen zijn. En daarnaast een veel kleipere groep, maar die veel inniger leeft, die niet enkel een les OJex God van buiten leerre, maar met den Heilige in persoonlijke ontmoeting is gekomen, en die nu, dank zij dien verborgen omgang, den Heere onzen God ook persoonlijk kent. Nog niet veel, op verre na nog met genoeg, maar eeniger male altiians. En die daarom zich metterdaad op een eigen „kennisse des Heeren" beroemen mag.

Alleen op die persoonlijke kennis des Heeren nu komt het ter zaligheid aan, en vandaar dat de Schrift ons onze verhouding tot den Heere onzen God, onder allerlei vorm, toch steeds op een wijs teekent, die aanraking, omgang en verkeer met den Hoogen God onderstelt, „'k Zal in uwe tent verkeeren, Heer der HEKREN, door uw vleugelen o verspreid". „Gods verborgen omgang vinden zielen waar zijn vreeze in woont." „Ik en de Vader zullen komen en woning bij u maken". Hij is onze Vader en wij zijn zijn geliefde kinderen. Hij is de Herder die voor ons uitgaat op den weg. Een „vriend Gods" genaamd te worden is onze hoogste eere.

Onze wandel kan nu reeds in de hemelen zijn. Onze God is geen God van verre, maar van nabij. Hij spreekt ons toe en we hooren zijn stem. En omgekeerd neigt Hij zijn oor tot ons gebed en luistert naar onze smeeking. Kortom, in alle denkbare vormen stelt de Schrift ons de waarachtige religie steeds voor als een persoonlijk met onzen God te doen hebben, zoodat Hij zich aan ons ontdekt, en wij in zijn persoonlijke gemeenschap mogen ingaan.

Wel is deze bewuste kennis van den Heere onzen God alleen bij het licht van zijn Woord denkbaar, komt uit de prediking van het Woord eerst het geloot op, en kan alleen dat geloof ons met onzen God van aangezicht tot aangezicht ontmoetingen geven; maar zonder een persoonlijke ontmoeting kan toch de kennisse onzes Gods voor ons nooit een innige, bezielde, kinderlijke kennisse zijn. Niet om wat anderen 't kind \an zijn vader zeggen, maar om wat het zelf van zijn vader zag en merkte en ondervond, heeft 't kind zijn vader met innige verkleefdheid lief.

Juist daarom echter is die persoonlijke kennisse van den Heere onzen God nog altoos een zoo geringe, vergeleken met wat ze zijn kon, en eens in het Vaderhuis worden zal.

Ook onder menschen is de persoonlijke kennis die we van elkander hebben, nooit uitgeput, maar gaat altoos door. Hoe langer we met iemand omgaan, hoe nader we met hem in aanraking komen, hoe meer we met hem doormaken, hoe rijker onze ondervinding van hem wordt, hoemeer hij zich tegenover ons uitlaat, en hoe meer we van nabij zijn houding en gedrag in allerlei verwikkelingen des levens te zien krijgen, des te rijker wordt onze kennis van zijn persoon, des te beter leeren we hem begrijpen, en des te klaarder leeft het beeld van zijn innerlijk bestaan, zijn karakter en zijn persoonlijke beteekenis voor ons op. In die kennisse van elkanders wezenlijk bestaan is nooit stilstand, is altoos vooruitgang. En na een omgang van jaren bezien we elkander vaak zoo geheel anders, dan toen de eerste ontmoeting ons met elkaar in aanraking bracht.

Althans indien er in ons een verlangen, een begeerte, een zucht, een neiging spreekt, om elkander steeds beter te leeren kennen. Hoe dikwijls het juist hieraaa faalt, ziet men gedurig voor oogen. Vaak vindt ge zelfs man en vrouw, die na jaren van koel huwelijksleven nog even vreemd tegenover elkander staan, als toen ze pas huwden. Ze zijn zoo zeldzaam niet de ouders, die van het innerlijk bestaan en het karakter van hun kroost zoo goed als niets afweten. Er zijn zusters en broeders, die, na jaren te hebben saamgeleefd in bet ouderlijk huis, straks uiteengaan, zonder elkaar ooit verstaan te hebben. Vooral dienstboden gaan zoo vaak van dienst tot dienst, zonder dat hun volk hen ooit verstond, of zij hun volk. Dat komt van de onverschilligheid. Het niet letten, het niet merken op elkaar. Het naast elkander leven, in plaats van met elkander te leven. Het ontbreken van eiken drang, om door persoonlijk contact ^ijn eigen leven en het saamleven met anderen te verrijken. Zoo blijft men vreemd tegenover elkander staan. Men kent elkaar wel, en weet ook wel iets van elkaar af. Maar de kennisse dringt met door, komt niet verder. En zoo is er wei saamleven, in dien zin dat men in één huis woont, en aan één tafel eet, misschien ook wel samen bidt, maar 'r hart van den één ontsluit ; , ich niet voor het hart van den ander. En zoo tot een in leven in elkanders zielsbestaan komt bet niet.

En ditzelfde kwaad nu openbaart zich zoo g« durig ook bij onzen omgang met onzen God De profeet spreekt daarom van atn vervolgen v m den Heere onzen God te kennen. Iets waarin, C elijk onze kantteekening opmerkt, zeker aller t erst ligt, dat er voortgang, dat er vordering in s e kennisse van onzen God moet zijn. Dat men B ij de aanvankelijk verkregen kennis van onzen k od niet mag blijven stilstaan. Dat we in de ij eerste kennismaking verkregen kennis niet l ogen rusten. Dat we voortvaren moeten in wat we verkregen, tot het meerdere dat ons nog ontging. En dat ge uw ziel verarmt, zoo de kennisse van uw God, die uw ziel bezit, niet steeds inniger, nauwkeuriger en rijker wordt Een altijd voortgaande kennis, begonnen toen ge het eerst tot uw God bekeerd werdt, en altoos wassende, aldoor zich uitbreidende, alle de dagen des levens die u op aarde gegund worden.

Maar toch ligt er in het woord vervolgen, gelijk Calvijn terecht aangeeft, nog zoo heel iets anders. Vervolgen is zooveel als najagen. Wie oorlog voert vervolgt den vijand, en rust niet, en laat niet af, eer hij hem heeft ingehaald en in zijn macht heeft gekregen. De jager vervolgt het wild, en staakt zijn jagen niet, eer hij het wild op het spoor kwam, en ving. In het vervolgen spreekt hartstocht. Het wijst op een zucht, een begeerte, die geen rust laat. Bij hem die vervolgt, is alle onverschilligheid uitgesloten. Hij wacht niet rustig at, tot zijn buit hem in handen komt. Eer integendeel is hij steeds doende, steeds zich inspannende, om zijn doel naderbij te komen. En zoo ook is vervolgen om den Heere te kennen, een toegeven aan een innerhjken, onweerstaanbaren drang der ziel, om zijn God steeds meer nabij te komen, inniger te ontmoeten, en zoo de kennisse van onzen God, door onafgebroken inspanning der ziel, steeds rijker te maken.. Zooals de dorstige jaagt naar de bron, die zijn dorst zal kunnen lesschen, zoo ook vervolgt, zoo ook jaagt de ziel die naar God dorst, om steeds dieper in de kennisse van zijn wezen, door steeds nauwer omgang, in te dringen.

Op een zeer bepaalde kennisse van onzen Go t past de profeet dit toe.

Voor wie zoo pas in die kennisse van zijn God wordt ingeleid, komt die kennisse meestal in dier voege op, dat we in nood of angst onze toevlucht in het gebed zochten, en is dan ons gebed verhoord, en worden we aanstonds uitgered, dan klopt ons hart van heilige vreugde. We hebb'tn dan onzen God leeren kennen, als een Hoorder des gebeds, als een Vader die zijn kind uitredt, als een Herder die het ver loren schaap zoekt, als een Verlosser uit ellende, en in die hulpe onzes Gods juicht en jubelt onze ziel.

Maar nu wordt het op eenmaal anders. Weer d beklemde de nood ons hart, en weer riepen we v naar den Hooge, denkende dat ook nu de red­ v ding aanstonds komen zou. Maar zie, die d redding blijft uit. God verhoort ons nu niet. Hij blijft met ons wandelen in tegenheden. Het is of de hemel zich voor ons sluit. Donkerheid omringt ons, en geen enkele lichtstraal breekt door. En nu prikkelt satan ons hart, om onzen God te zegenen en Hem vaarwel te zeggen. Eigen ondervinding zegt 't nu immers, dat Hij geen Hoorder des gebeds meer is.

Maar wie volhardt, merkt 't wel anders en wel beter. Zoo maar de zucht, de hartstocht g om zijn kennisse van zijn God te verrijken, a hem prikkelt. Zoo hij mia.r vervolgt, jaagt, om in de kennisse zijns Heeren te worden ingeleid. Dan p toch ontwaart Hij, hoe zijn eerste kennisse van zijn God nog niet verder bracht, dan om zijn God in voorspoed en geluk te leeren kennen, en hoe 't er nu voor hem juist op aankomt, om zijn God heel anders te leeren kennen, uu, waar Hij zich verbergt.

Eerst was het een kennen van onzen God zoolang we wandelen in het licht, nu komt het aan op de tweede kennisse, om Hem te kennen als hij zich verborgen houdt en ons in de duisternis laat omdolen.

Ook uit die donkerheid zal, zooals de profeet zegt, de dageraad wel weer opgaan. Maar die dageraad is er nog niet. Ge wandelt nog in de duisternis. Wat voor oogen is steunt u nu niet. Ge moet nu enkel op het kompas van uw geloof zeilen.

En nu wordt u een heel andere kennisse van uw CraA. openbaar. Die kennisse, die u Hem kennen leert als den rijken God, die, ook als ge met Job op den aschhoop zit, u toch innerlijk vertroost en innerlijk sterkt.

En die kennisse nu is daarom zooveel rijker, omdat ge eerst op uw God alleen vertrouwdet, ziende hoe Hij u had uitgered, en omdat ge nu leert op uw God te vertrouwen, om wat Hij innerlijk doet aan uw ziel.

En zóó wordt het eerst met Habakuk: „Al mocht er geen rund in den stal meer zijn, zoo zal ik nochtans in den Heere van vreugde op springen en mij verheugen in den God mijns heils."

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1908

De Heraut | 4 Pagina's

„Derbolgen om den Neere te kennen”.

Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1908

De Heraut | 4 Pagina's