De finantiele nood onzer predlRanten
IV.
Een vergelijking tusschen hetgeen de Vrije Kerken in het buitenland voor den dienst der Kerk opbrengen en hetgeen onze Kerken doen, is niet gemakkelijk, omdat elke statistiek voor ons land ontbreekt. In de handboekjes voor onze Gereformeerde Kerken wordt elke opgave van finantieele bijzonderheden achterwege gelaten. Zelfs het tractement der Dienaren des Woords wordt er niet in vermeld. Bovendien mag men niet vergeten, dat onze Kerken niet alleen, te zorgen hebben voor de salarissen der predikanten, voor de Zending en de Theologische Schooi, maar daarenboven nog een aanzienlijke som jaarlijks hebben te betalen voor rente en aflossing van kapitalen, opgenomen voor kerkbouw, pastorie enz. Vandaar, dat het kerkerlijk budget, school-en armen er nog buiten gerekend, veel zwaarder belast is dan met de finantieele zorg voor den Dienst des Woords. Op verreweg de meeste plaatsen bedraagt het budget zelfs het dubbele van het predikantstractement; op grootere plaatsen stijgt het zelfs tot het driedubbele en vierdubbele.
Aan de offervaardigheid onzer Kerken wenschen we dan ook niets te kort te doen. Vooral wanneer men bedenkt, dat het „niet vele rijken en niet vele edelen" ook nu nog' p onze gemeenten van toepassing is, dan erbaast men zich vaak, dat zoo hooge ommen worden bijeengebracht. Maar al oet dit met dankbaarheid worden erkend, ieruit volgt nog niet, dat we reeds de oogte hebben bereikt, waarop de buitenandsche Vrije Kerken, met name die in chotland, staan. Al kan hier slechts een eer globale berekening gemaakt worden, och is eenige vergelijking wel mogelijk. et aantal onzer predikanten bedraagt ruim 500; stelt men nu het gemiddelde tracteent op ƒ1200, dan geeft dit een som van 600000. Verdubbelt men dit met het oog op de andere kerkelijke uitgaven, dan krijgt men een bedrag van ƒ1.200.000. Met deze som is men er echter niet, want nier komen nog bij de vacante kerken, terwijl bovendien voor de kerken op grootere plaatsen het gemiddelde bedrag hooger moet gerekend worden. Stel hiervoor nog een ronde som van / 300 000, dan wordt de geheele uitgave anderhalf millioen. Een bedrag, dat zeker niet te laag geraamd is. Schat men nu het aantal leden onzer Kerken op ruim 300.000, dan wordt per hoofd ongeveer ƒ 5 opgebracht. Ziet men nu, gelijk weeën vorig maal opmerkten, dat de Methodische Kerk in Engeland alleen voor de Zending per hoofd ƒ7 opbrengt, dan kan dus waarlijk niet gezegd, dat onze Kerken in Nederland de buitenlandsche Kerken in offervaardigheid zouden overtrefifen. In de meeste Kerken kon meer gedaan worden, dan men doet, zonder dat de welstand der gemeenteleden er ook maar eenigszins onder lijden zou. Verhooging van tractement is dus volstrekt niet zulk een onbereikbaar ideaal, gelijk sommigen meenen. Het is alleen maar de vraag, op welke wijze men het best daartoe komen zal.
Voordat we onze eigen gedachten hieromtrent uiteenzetten, zij eerst een kort woord van critiek gewijd aan de verschillende maatregelen, die reeds zijn voorgesteld, om tot deze .verbetering . der predikantstractementen te geraken.
In hoofdzaak laten deze maatregelen zich tot drie groepen terugbrengen. Men heeft het subsidie-stelsel aangeprezen. Men heeft voorgesteld kerkelijke belasting in te voeren. En men heeft gemeend, dat de Synode een minimum tractement moest voorschrijven, beneden hetwelk een kerk niet zou mogen beroepen.
Elk dezer maatregelen schijnt ons echter an zeer ernstige bedenking onderhevig.
Wat het subsidie-stelsel betreft, hebben G e reeds vroeger onze principieele bezwaren d iteen gezet. Elke subsidie van den Staat d rengt de Kerken min of meer in af a ankelijkheid. Reeds op het gebied der p chool wordt dit gevaar gevoeld; de Voor t zitter der Unie wees er met ernst op in de z laatste vergadering der Unie. De „zilveren z koorde" heeft ook voor onze scholen een v zeer ernstige schaduwzijde. Niet alleen, omdat de Regeering aan de subsidie tai o van voorwaarden verbindt, die zeer diep ingrijpen in het leven der school, maar ook omdat, indien in de toekomst de regeermacht in de handen van radicalen of socialisten kwam, de School voor het dilemma kon geplaatst geworden, óf aan allerlei voor het Christelijk karakter der School zeer belemmerende bepalingen zich te moeten onderwerpen, óf haar subsidie te verliezen en naakt aan den dijktestaan. En indien de ernstiger mannen dat gevaar voor de School reeds niet zonder bedenking achten, hoeveel te meer geldt dit dan niet voor de Kerk, die over haar vrijheid als heiligst palladium te waken heeft. Maar ook afgezien van dit principieele bezwaar, gelooven we om practische redenen niet, dat het aansturen op Staatssubsidie ons uit de bestaande moeilijkheid redden kan. Vooreerst niet, omdat deze subsidie den Staat op veel te hooge kosten zou komen te staan. Wanneer het billijkheidsargument, dat de Staat aan de Hervormde Kerk zulk een belangrijke som uitkeert en aan onze Kerken niet, eenige beteekenis heeft, dan zou de eisch moeten wezen, dat de Staat zeg voor ieder onzer predikanten minstens /looo per jaar zou moeten betalen. Reeds dat zou een verhooging van het budget geven van een half millioen. Maar al wilde de Regeering zulk een subsidie aan onze Kerken schenken, ze zou zulk een maatregel nooit kunnen nemen zonder aan de andere, thans zeer karig gesubsidieerde kerkgenootschappen, dezelfde voorrechten toe te staan. Anders kreeg ze zulk een voorstel in het parlement er nooit door. Met het half millioen per jaar was ze er dus niet; dat bedrag zou met oog op deze andere kerken vertienvoudigd worden. En waar zou de Regeering het geld vandaan halen, om zulk een uitgave te dekken ? Waar als tweede practisch bezwaar bijkomt, dat rijkssubsidie de tractementen der predikanten eer zou doen dalen dan stijgen. Staatssubsidie heeft altijd ten gevolge, dat de particuliere offervaardigheid verzwakt. In Engeland ontvangt de lagere geestelijkheid der staatskerk lagere tractementen dan de predikanten der Vrije Kerken, juist omdat de Staat voor de tractementen der staatskerk zorgt. In de Hervormde Kerk ten onzent ziet men hetzelfde verschijnsel; ook daar zijn de tractementen, naar ieder toestemt, beneden peil. En hoeveel moeite kost het, om de gemeenten te bewegen deze tractementen te verhoogen. Men moet tot allerlei vexatoire maatregelen, kerkelijke belasting, dwang vanden kantonrechter enz. de toevlucht nemen. Zoo zou het ook in onze Kerken gaan. De gemeente zou zeggen: de Staat betaalt nu onze predikanten; bijgevolg behoeven we zelf niet meer bij te dragen. e s
Niet minder principieel is ons bezwaar tegen het tweede middel, dat wel is voorgeslagen: het invoeren van een hoofdelijken omslag of kerkelijke belasting, waardoor de leden verplicht zouden worden een vaste jaarltjksche som voor den eeredienst bij te dragen Ook hier Jcunnen we met een korte esumtie van onze bezwaren volstaan. Prinipieel is ons bezwaar, dat zulk een kerkeijke belasting lijnrecht in sttrjd is met het eginsel der vrijwillige liefde, dat in Christus' erk behoort te heerschen. Onder het Oude estament schreef de wet voor, dat tienden er inkomsten voor den tempeldienst moesten fgezonderd worden; maar noch Christus och de Apostelen hebben deze bepaling der Sinaïtische v/et op de Christengemeenten toegepast. Eerst toen in de Roomsche Kerk de hiërarchische idee opkwam, heeft de Kerk de „wet der tienden" weer ingevoerd. Maar zoolang de Kerk nog in haar zuivere gestalte verkeerde, is hieraan nooit gedacht. Bovendien, zal zulk een kerkelijke belasting billijk werken, dan kan geen hoofdelijke omslag geheven worden, die voor allen gelijk is, maar dient rekening te worden gehouden met ieders draagkracht, Zelfs de Staat zou er in onze dagen niet aan denken, een uniforme belasting te heffen voor alle burgers. Maar de Kerk heeft geen middel om te weten, hoe groot het inkomen der leden is; ze kan de belasting dus niet naar klassenindeeling heffen. Waar nog bij komt, dat zulk een kerkelijke belasting alleen dan doel zou treffen, indien de Kerk dwingende middelen bezat, om de onwilligen te verplichten de verschuldigde som te betalen. Nu heeft de Kerk alleen geestelijke tuchtmiddelen. Ze moet daarom wel, gelijk de Hervormde Kerk dan ook doet, de toevlucht nemen tot den machtigen arm v^n den Staat. Die kan alleen dwingen tot betaling. En wie zich herinnert, tot welke voor de Kerk smadelijke processen dit aanleiding heeft gegeven, zal toch waarlijk niet begeeren, dat onze Ke ken dien weg zouden opgaan.
En eindelijk, even ernstig hebben we ezwaar tegen het derde middel, dat de Synode een minimum-salaris voor de predikanten vaststelt. Niet één Kerk heeft ooit gewaagd, een dergelijke bepaling te maken. Zelfs de Vrije Kerk in Schotland, die een minimum-salaris bepaalde, deed dit alleen, omdat de predikants-tractementen daar uit een generaal fonds betaald worden en de Synode dus vaststellen kon, hoe hoog de tractementen moesten zijn; maar ze dacht er niet aan, dit als een wet aan de Kerken op te leggen. En volkomen terecht. Want zulk een besluit zou op zeer ernstige wijze de zelfstandigheid en autonomie der plaatselijke Kerken aantasten. De Synode zou daarmede een hiërarchische macht zich aanmatigen, die haar in onze Gereformeerde Kerken niet toekomt. Bovendien zou zulk een besluit practisch ook niet door te voeren zijn. Indien een Kerk zich aan dat besluit niet onderwierp, en een predikant gevonden werd, die voor lager tractement zulk een Kerk dienen wilde, wat zou de Synode dan moeten doen.'' Zou ze zulk een Kerk daarom buiten het kerkverband moeten sluiten t Waar dan nog bijkomt, dat zulk een besluit ook hoogst onbillijk zou wezen tegenover de arme gemeenten, die ook met den besten wil dit minimum-tractement niet kunnen opbrengen, en dan buiten de mogelijkheid z3uden gesteld v/orden om een predikant te beroepen. Gesteld, dat een Dienaar des Woords, gelijk de Apostel Paulus, zulk een arme gemeente desnoods voor niets wilde dienen, zou de Synode dan tusschenbeiden moeten treden, om dit te verbieden en onmogelijk te maken? Natuurlijk wil dit daarom niet zeggen, dat de Synode zich met dit vraagstuk in het geheel niet heeft in te laten en geen enkele poging mag aanwenden, om in den bestaanden toestand verbetering aan te brengen. Maar daarbij dient dan tweeërlei vast te staan. Vooreerst, dat de Synode hierbij nooit met een hiërarchische macht tegenover de Kerken kan optreden en de Kerken tot een minimum-tractement verplichten kan. En ten tweede, dat de gulden regel voor heel het kerkelijk saamleven ook hier moet toegepast worden, dat elk geval afzonderlijk moet beoordeeld worden. Het leven der gemeente Iaat zich niet in een keurslijf van reglementaire bepalingen dringen.
Ons hoofdbezwaar tegen deze drie voorgestelde middelen blijft echter, dat ze in Gods Woord geen den minsten grond vinden. De Schrift weet niets van staatssubsidie, van kerkelijke belasting, van Synodale bepalingen van een minimum-salaris. Toch was het vraagstuk van de bezoldiging der Dienaren des Woords toen waarlijk niet minder ernstig dan nu. De brieven van den Apostel Paulus handelen er telkens over. En waar het Woord Gods voor ons kerkelijk leven te beslissen heeft, en dat Woord alleen, hebben we wel ernstig toe te zien, dat we menschelijke wijsheid niet boven het Woord Gods stellen. Geen oplossing van dit vraagstuk, hoe afdoende deze ook schijne, kan geoorloofd zijn, die in strijd is met de beginselen, welke de Heilige Schrift ons kennen leert.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 28 juni 1908
De Heraut | 4 Pagina's