„Noudende deze zijne kracht door zijn bod.”
Dan zal hij den geest veranderen, en hij zal doortrekken, en zich schuldig maken, houdende deze zijne kracht voor zijnen God. Hab. I : II.
Van geweldenaars is sprake. Van Koningen van Babel en Assyrië die, regeerend over een machtig volk, en beschikkend over een talloos heir ruiters, volk na volk aan zich onderwierpen, en ten leste, ook op Sion azend, een Rabsakee, den sluwen veldheer, vlak voor de muren van Jeruzalem, den God Israels lieten hoonen.
£n van deze geweldenaars zegt nu God zelf tot Habakuk, dat ze zich hierin principieel schuldig stellen, dat ze deze hun kracht en macht, waarover ze beschikken, houden voor hun god.
Zoo spreekt de Kenner van hun hart. Hij bespiedt ze in hun triumfen, en spreekt nu uit wat in hun verborgen gedachten omgaat.
Want natuurlijk, voor het uitwendige vereerden deze koningen de afgoden van hun land. Voor die afgoden hadden ze schitterende tempels opgericht, bij die tempels waren priesters aangesteld en ook de koningen en de grooten des Rijks aanbaden die afgoden, en offerden mildelijk op hun altaren.
Maar die dienst in den tempel drukte niet uit, wat er in hun hart omging. Voor ieder meuschenkind op aarde is zijn wezenlijke God datgene, waar zijn vertrouwen in rust, waar hij op bouwt, waar hij zijn heil van verwacht, en waarop hij zijn hope voor de toekomst heeft gesteld.
En dat vertrouwen nu, die zekerheid, die hope stelde een Sanherib en een Nebucadnésar niet op Bel of hoe hun goden in Ninevé en Babyion heeten mochten, maar die vastheid, voor nu en voor de toekomst, waanden ze te bezitten in hun geweldige heirmacht, in hun leger, waartegen niemand op kon. Oie heirmacht was hunner. Eén woord over hun lippen, en die legermacht trok uit, en viel aan, en sloeg neer. Zooals de Heere zelf het aan Habakuk teekent. Het waren „paarden lichter dan luipaarden en scherper dan avondwolven". Ze vlogen als een arend, ze slorpten de volken op, en vingen buit als 't zand der woestijn. Ze beschimpten alle andere koningen, ze verguisden de prinsen, ze belachten de vestingen, en het werd al uitgevochten, geheellijk uitgevochten met geweld" (vs. 8—10).
En dat geweld nu, dat ze keeren konden tegen wien ze wilden, en waat niets tegen bestand was, dat was het waarop de Koningen van Babel hun vertrouwen stelden, dat geweld, die alles voor zich neerwerpende kracht die ze bezaten, dat hielden ze voor hun god.
Als dat leger geslagen v/erd, dan waren ze alles kwijt, dan hadden ze geen god meer. Uit hun tempels en van hun afgoden kon hun heil niet komen. Die waren goed om 't volk in ontzag te houden. Hun god, die hen alleen heipen kon, was hun kracht en hun geweld.
Scherp onderscheidt de Heere hier alzoo tusschen een dienen van zijn God in naam en voor den vorm, en tusschen datgene wat de wezenlijke aanbidding in het hart is.
Voor den vorm een god, dien men in zijn tempel aanbidt, maar zijn wezenlijke God zijn eigen ik en die kracht, die aan dat ik ten dienste staat.
Dit onderscheid nu geldt niet alleen voorde koningen van Assyrië en Babyion, maar voor ieder mensch en gaat door ook onder de Christenheid. Niet bij ieder eender, maar bij ieder op zijn eigen manier.
Den levenden God als zijn wezenlijken God te bezitten, is verreweg het gemakkelijkst en kost den minsten strijd voor de armen, voor de behoeftigen, voor de kleinen naar den wereld, die bijna geen kracht bezitten, en die daarom bijna niet in de verzoeking komen, om in hun eigen kracht hun god te zoeken.
Maar, als ge van uw God een-êz-air^jf ontvingt, een kracht waarover ge beschikken kunt, een kracht die u in den strijd van het leven steunt, dan ligt ia die kracht de verzoeking, om op die kracht in plaats van op uw God uw vertrouwen te stellen, en zoo, in plaats van in den levenden God, in deze uw kracht uw eigenlijken god te eeren.
Vandaar dat bij de „mannen van kracht" de echte Godsvrucht, helaas, zoo weinig gevonden wordt.
Het meest merkt ge dit bij de „mannen van het geld". Bij hen spreekt Jezus van den dienst van Mammon, die den dienst van Jehovah verdringt en onderdrukt.
Voor geld is schier alles te koop, bijna, alles te verkrijgen. Wie schatten aan geld bezit, beschikt over een bijna grenzenlooze macht. Al wat zijn hart begeert is zijns. Hij beheerscht den toekomenden dag. Wat hem ook overkome, met zijn geld is alles te herstellen. Als zijn geld hem ontstolen werd, dan ware hij weg. Maar zoolang zijn enorme macht aan geld veilig in zijn schatkamer ligt, wat zou hij dan vreezen?
En neem nu aan, dat zulk een schatrijk man toch ook zijn God vereert, en tot zijn God bidt, en poogt op zijn God zijn vertrouwen te stellen, toch blijft het in zijn hart zoo vaak een tweeslachtig vertrouwen, o, Gewisselijk, hij weet dat hij ook met den levenden God moét rekenen. Maar als hij gebeden heeft, keert toch zijn hart zich zoo licht naar zijn schatkamer. Daar ligt zijn schat, en waar zijn schat is zal zijn hait zijn. Waarom zou hij niet ook ten overvloede op zijn God vertrouwen, maar zijn eigenlijke rust vindt hij toch in de wetenschap, dat zijn schat aan geld hem zijn toekomst verzekert.
En nu zijn er onder de groote geldmannen, die zóó rijk zijn, dat ze den levenden God geheel terzijde hebben gesteld, en volkomen «theïst zijn geworden, pure Mammondienaars.
Maar ook onder de Christenen, die nog gelooven en nog bidden, zijn er maar te veel, die hun vertrouwen in twee deelen splitsen, een deel dat nog op God is gericht, maar een ander deel dat op het geld is gericht, en helaas, dan is soms dat deel dat op God gericht is, zoo klein, en dat andere deel dat op hun geld steunt, o, zoo groot.
Doch niet alleen in het geld komt de verzoeking ' om deze uw kracht voor uw god te houden. Die verzoeking komt in alle goed en in alle gave, die uw God u ter beschikking Stftlt.
Voor koningen en prinsen en potentaten ligt die verzoeking in hun regeermacht. Vroeger meer dan nu, omdat toen die regeermacht zoo geweldig was; en de uitkomst leert dan ook, dat deze machtigen der aarde, nu hun macht is ingeperkt, over het algemeen vroomer zijn, dan voorheen, en hun vroomheid meer meenen.
Maar behalve die regeermacht, is er ook macht van maatschappelijken aard. Macht, waarover de mensch beschikt, door zijn gaven en talenten. De één ontving genie, een ander groote talenten, een derde behoort tot een invloedrijk geslacht, een vierde heeft een forsch, imponeerend karakter. £r zijn groote geleerden, er zijn machtige kunstenaars, er zijn mannen wel ter tale, door het woord of door de pers. Ook zijn er sluwe, slimme, geslepen personen, die anderen te knap af zijn. Er zijn er die beter dan anderen met menschen weten om te gaan en daardoor in wijden kring hun invloed vestigen. Er zijn menschen van zeldzame werkkracht, van een sterke constitutie, van groote lichaamskracht. Kortom, er zijn allerlei gaven en talenten waardoor de ééne-mensch boven den ander uitsteekt. En ook tot deze allen komt de verzoeking, om meer op hun persoonlijke kracht dan op hun God te vertrouwen, en zoovelen zijn er, die, al zeggen ze het niet, ja, al ziet ge hen soms nederig knielen, toch eigenlijk deze hun kracht voor hun god houden. Zelfs van de menschheid kan gezegd, dat ze, nu haar macht over de natuur zoo geweldig toenam, zich aanstelt, als had ze de liefde Gods niet meer van noode, en als kon ze zich zelve nu wel redden en er door helpen met deze haar kracht.
Wie nu een kind van God is, wil dit niet, en bedoelt het niet. Integendeel, hij blijft bidden, hij blijft tegen de verzoeking strijden, maar toch, hoe meer kracht God iemand gaf, des te geweldiger blijft voor hem de verzoeking. Vooral zoo ze voor die verzoeking zelve geen oog hebben. En er is zoo bijzondere genade noodig, om als men rijk in geld, maar vooral zoo men rijk in persoonlijke kracht is, het oprecht en geheellijk te meenen, als men zijn God aan roept, en niet onder zijn bidden door toch altoos, zij 't ook maar voor een deel, te steunen op deze zijn hem verleende kracht.
Een kleine naar de wereld heeft zooveel minder gf loofsstrijdj maar de grooten naar de wereld, groot door regeermacht, invloed, geleerdheid, kunstgenie of door geld, ze hebben het indien strijd met satan zoo hard te verduren, en eer het bij hen in volle oprechtheid komt tot een: Ik niets, gij alles, Heere 1 gaat het door zoo bange stormen bij hen heen!
Toch zijn er, ook onder de machtige potentaten, onder de schatrijken, onder de geleerd sten en invloedrijksten alle eeuwen door man nen en vrouwen geweest, die in dien hangen strijd heerlijk overwonnen hebben.
Hun is groote genade geschied, en voor die genade hebben ze gedankt, gedankt uit het diepste hunner ziele.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 12 juli 1908
De Heraut | 4 Pagina's