Aan de Christelijke Gereformeerde Kerk
Aan de Christelijke Gereformeerde Kerk in Amerika voelen we ons steeds met bijzondere banden verbonden.
Als dochter kerk van de Christelijke Gereformeerde Kerk in Nederland heeft ze reeds daarom op de liefde der moederkerk recht. Haar wording en opkomen valt saam met de glorierijkste dagen van de separatie in ons vaderland. In haar midden wordt het HoUandsche type nog het zuiverst bewaard. Menige dienaar des Woords ging uit ons midden naar haar over. Onze theologische en stichtelijke literatuur wordt er met gretigheid ontvangen en gelezen. Van de beslissingen onzer Synodes wordt met belangstelling kennis genomen. En de besluiten der Utrechtsche Synode in zake de leergeschillen werden ook door de Christelijke Gereformeerde Kerken in Amerika met warme sympathie begroet en overgenomen. En wat bovenal tot eere dezer kieirie maar toch in het geloof sterke Kerk mag gezegd worden: waar de andere Kerken van Calvinistischen oorsprong door den in vloed van het Engelsche Methodisme min of meer gevaar loopen de scherpe kanten van het Gereformeerde dogma af te vijlen, hetfc deze Kerk het pand door de Vaderen ons nagelaten, altoos trouw bewaard.
Dit we daarom 'het leven dezer Kerk, door banden van historie, bloedverwantschap en geloofseenheid zoo nauw aan ons verbonden, met bijzondere belangsteliing gadeslaan, zal niemand verwonderen. We zijn zonen van eenzelfde huis en leven uit één beginsel. En evenals èn in de kerkelijke pers èn op de Synodes dezer Kerk telkens kennis wordt genomen van de strijdvragen in den boezem onzer Kerk en de beslissingen ouiier Generale Synodes, zoo moge door onze broeders in Amerika het niet euvel geduid worden, dat ook wij ons interesseeren voor hetgeen in hun midden omgaat, en daarover ons oordeel uitspreken.
Nu is op de jongste Synode dezer Kerk, van 17 tot 26 Juni van dit jaar te Muskegan in Michigan gehouden, een onderwerp ter sprake gekomen, dat ook voor onze Ketken van belang is. Prof. Ten Hoor had aan het Curatorium der Theologische School en door middel van dit Curatorium aan de Synode van 1906 de volgende vragen gericht:
I. Mag ik in het onderwijs uitgaan van het beginsel, dat God is het object der Theologie.'
2. Mag ik daarin ook uitgaan van het beginsel, dat de Kerk het hoogste gezag heeft over de Theologische wetenschap en over onze Theologische School?
De Synode droeg aan het Curatorium op, de gronden ^aan te geven „voor het dusver ingenomen kerkelijk standpunt" en zoo kwam op de jongste Synode een rapport in. En het Curatorium èn de Commissie van praeadvies meenden beide vragen niet alleen in bevestigenden zin te moeten beantwoorden, maar wilden, dat de Synode zou uitspreken, dat de Christelijke Gereformeerde Kerk het standpunt van Prof. Ten Hoor deelde; m. a. w. dat de Kerk zou verklaren, dat God het object is der Theologie en de Kerk het hoogste gezag heeft over de Theologische wetenschap en de Theologische School.
Welke beslissing de Synode nam, is uit de gepubliceerde acte niet duidelijk. Over het eerste punt schijnt geen besluit genomen te zijn, althans het wordt niet vermeld. En wat het tweede punt aangaat, kwam er een substituut voorstel in van dezen inhoud: „dat de Synode, uitgaande van den feitelijken toestand, dat de Kerk de Theologische School gesticht heefc en haar onderhoudt, uitspreekt, dat zij deze bestaande verhouding opvat in dezen principieelen zin, dat de Theologische School als inrichting tot de opleiding voor den dienst des Woords uitgaat van de Kerk en dat zij dus het eigendom der Kerk is en onder haar gezag staat". De Synode besloot dit voorstel naar de Kerken te zenden, opdat de volgende Synode er een beslissing over nemen zou.
Met alle bescheidenheid en zonder ons eenige zins schuldig te maken aan wat ons volk noemt „een zich bemoeien met eens anders doen", meenen we toch aan onze zusterkerk in Amerika de vraag in overweging te mogen geven, of de Synode zich door deze vragen van Prof. Ten Hoor niet op een gevaarlijk pad heeft laten leiden.
In de historie onzer Gereformeerde Kerken is het een geheel nieuw verschijnsel, dat een Hoogleeraar aan de Synode vraagt, wat hij op zijn colleges leeren mag. Onze Gereformeerde Kerken hebben wel de hoogleeraren willen binden aan de Confessie; ze eischten ook, dat de hoogleëraren afwijkende gevoelens niet zouden verkondigen, maar ze aan het oordeel der Kerk zouden onderwerpen. Maar de gedachte is nooit bij haar opgekomen, dat een Hoogleeraar aan de Kerken vragen moest, van welke beginselen hij bij zijn onderwijs had uit te gaan.
Op het standpunt van Prof. Ten Hoor, dat de Kerk het hoogste gezag hebben moet, niet over haar Theologische School — dat spreekt wel van zelf — maar over de Theologische wetenschap ais zoodanig, is het welicht begrijpelijk, dat zulke vragen aan de Kerken worden voorgelegd. Maar uit deze ragen zelf blijkt dan ook, tot wat onhoudbare consequenties dit standpunt leidt. Feielijk zou dan een hoogleeraar bij elke rincipieele vraag in Dogmatiek en Ethiek a d u d g ao z l niet alleen, maar evenzoo bij Exegese, Hermeneutiek, Kerkhistorie, Kerkrecht, Homiletiek enz. eerst aan de Synode te vragen hebben, of deze beginselen wel juist zijnen of de Synode er haar zegel op drukt. En welk een taak zouden onze Synodale vergaderingen op zich nemen, als ze zoo voor heel het gebied der Theologische wetenschap, ook bij elk onderdeel, de juiste beginselen hadden aan te wijzen.
Maar ook afgescheiden van dit practischebezwaar meenen we, dat de Kerken principieel niet geroepen zijn, om over dergelijke vraagstukken een beslissing te nemen. De vraag of het eigenlijke voorwerp der Theologic God is of de door God ons geopenbaarde kennisse van Zichzelven, is een vraag van zuiver wetenschappelijken aard, waarover onder de Theologen, dis van harte de Gereformeerde belijdenis beamen, verschil van gevoelen bestaat. Niemand zal er aan denken. Prof. Ten Hoor het recht te ontzeggen, hierover zijn eigen gevoelen te hebben en dit op zijn eigen college te leeren. Maar wanneer de Kerken zich officieel gaan uitspreken over een dergelijke quaestie, dan loopen ze gevaar tot een dogma te gaan verbefifen wat niets anders dan een persoonlijke opinie van er.kele godgeleerden is en de libertas prophetandi aan banden te leggen.
De stelling, dat de Kerk het hoogste gezag moet hebben over de Theologische wetenschap, is door geen Gereformeerd theoloog ooit geleerd en leidt naar het Roomsche spoor. Ware die stelling juist, dan zou de geheele Reformatie geoordeeld zijn, want de toen bestaande Kerk heeft de Theologie van een Luther veroordeeld. Wanneer op de Synode als grond voor dit gevoelen is aangevoerd: „omdat God aan Zijne Kerk de belofte heeft gegeven, dat Hij door Zijn Geest haar leiden zou in al d< ; waarheid, en daarin den waarborg gaf, dzt zij de waarheid Gods zuiver bewaren sou" dan wordt daarmede feitelijk uitgesproken, dat de Kerk van Christus nooit dwalen kan; dat hare beslissingen onfeil. baar juist zijn; een stelling, die wel in een Roomsche Kerk, maar niet in een Gereformeerde op haar plaats is.
Nu verdenken we onze broeders in Amerika geen oogenblik, dat ze het Roomsche standpunt zouden innemen. We kennen hen daarvoor als te beslist Gereformeerd. Maar des te meer is het noodig, dat elke schijn, alsof men de Protestantsche lijn verlaten zou, gemeden worde.
We zijn daarom dankbaar, dat de Synode' nog geen definitieve beslissing nam, maar de zaak renvoyeerde naar de Kerken. Ea we hopen, dat onze zusterkerk op een volgende Synode met groote voorzichtigheid hierin handelen zal.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908
De Heraut | 4 Pagina's