„Een riet”.
Als nu de boden van Johannes weggegaan waren, begon hij tot de schare van Johannes te zeggen: Wat zijt gij uitgegaan in de woestijn te aanschouwen ? Een riet, dat van den wind ginds en weder bewogen wordt ? Lucas 7 : 24.
Twee geloofsgestalten staan tegenover elkander: Het riet, dat zwalpt bij 't minste zuchtje van den wind, en de eikenboom, die in den geweldigen storm onbewogen vast blijft staan.
Het riet is een plant, en de eik is een plant. Ze hebben beide hun wortel, blad en bloesem. Ze leven beide van grond, water, lucht en licht. Soms staan ze vlak bijeen. En toch, het riet kan *maar geen vastigheid krijgen. Aldoor zwiept en zwalpt het, zoodra er maar even een windje gaat. Alleen zoo er heel wat riet bijeen staat, kan het nog zwakken weerstand bieden. Maar een tiet alleen zwalpt niet alleen gedurig, maar wordt, als de wind in den storm overgaat, o, zoo licht gekrookt.
En daartegenover staat dan de eikenboom, die niet zoo spoedig opschiet, die tijd voor zijn groei neemt, en niet dan langzaam naar boven klimt, maar die, eens opgeschoten, een vast, stevig hout maakt, zich uiteet naar de takken omhoog gaan, en in wortel, stam en schors, in tak en blad, zoo stevig ineenzit, dat wat van buiten komt hem niet deert, en aan zijn stam geen buigen of verwrikken is.
En nu mint heel de Schrift, na mint ook Jezus de natuurprent, als we ons zoo mogen uitdrukken. Zooals men een kind, dat nog jong
is, niet beredeneeit, maar het liefst platen laat zien, zoo wijst ook Jezus ons telkens oj) de natuur om ons heen, als met de vraag er bij: Ziet ^e daar u zelf wel ? Dat riet zijt gij, en als die eikenboom moest ge wezen. En als we daar dan op ingaan, er dat riet en dien eik wezenlijk op aanzien, en daarin ons zelf, in het riet als reëel, en dan in den eik naar het ideaal, in beeld voor ons zien, dan begint die natuur oni te spiegelen, en dan is 't of God, die zoo wonderbaar die natuur schiep, er bij die schepping een sprekend beeld in sneed, om het ons later te doen vinden, en zóó te doen vinden, dat 't ons toesprak, ons aangreep, en op ons in werkte.
Altoos de twee boeken, waaruit we God en ons zelven kennen: het Woord èn de Natuur. Die hooren bijeen. De Natuur roept om het Woord, en het Woord wijst op de Natuur, Maar de mensch scheidt dan die twee. £n dan krijgt ge aan den éénen kant goede, trouwe, beste vrome menschen, die alleen bij 't Woord aankloppen en de Natuur met gesloten oogen voorbij gaan, en juist daarom o, zooveel van dit Woord niet verstaan. En aan den anderen kant lieden, rijk ontwikkeld, maar verdord in het hart, die o, die Natuur zoo prachtig vinden, en aldoor met die Natuur bezig zijn, maar de zegelen van het Woord verzuimen open te doen, en daarom < ^< ; » gust, die in de Natuur spreekt, niet kunnen beluisteren.
En zoo is het ook hier. Lees in Lukas, dat Jezus vroeg: „Wat zijt gij uitgegaan te zien? Een riet? " en als het daarbij nu blijft, dan leest ge er over heen, en het raakt uw hart niet. Maar let nu op het riet in de Natuur, Zie 't daar voor u, dat riet, ijl opgeschoten, spichtig omhoog gegaan, bij windstilte heel wat vertoonend, maar als even de wind opzet deinend en buigend, her-en derwaarts geslin gcrd, zwieberend en zwalpend. En als ge dat opmerkzaam hebt gadegeslagen, en weet nu: zob is 't riet, en ge leest dan weer die vraag: Wat zijt ge uitgegaan te aanschouwen? eea riet}, — dan voelt ge op eens, hoe dat ook op u terugslaat, en ook tot u de vraag brengt, of ook gij nu waarlijk zoo slap van karakter, zoo onvast in uw geloof geworteld, zoo her-en derwaarts bewogen zijn a/s dat riet.
En als ge dan in diezelfde Natuur daar ginder den eik ziet staan, zoo recht opgegaan, zoo zwaar en vast in zijn schors gevat, met takken breed uitgeslagen, die zelfs als 't stormt alleen in de uiteinden zwiepen, maar zonder dat de stam ook maar even beeft of trilt, en ge leest dan in de Schrift van de eikenboomen der gerechtigheid of van de ceders in het huis uwsGods, dan komt er zoo zielsinnig het heimwee in u op, of ook gij in de voorhoven uws Gods mocht staan, zooals die eik daar staat in het woud. Dan spreekt dat u toe. Dan is het geen klank meer voor u. Dan hebt ge in die natuurprent het beeld van uw ideaal gezien, en dan stamelt ge als vanzelf de bede: o, mijn God, ik ben nog zoo zwak als dit riet, maak mij toch een vast, geloovig worstelaar, vast en onbewegelijk als die eik, disn ik daar voor mij zie staan, en in uw schepping bewonder.
Dan is het God in de Natuur, en juist zooals in die Natuur, zoo diezelfde God ook de Schepper in de wereld der geesten. Eenzelfde God die in natuur en geestenwereld, den eik schiep en den storm door zijn kruin laat gieren, en in dien storm hem vast houdt door zijn indringende, alomtegenwoordige Goddelijke kracht.
Niets toch zoo zeer als juist die natuurprenten, die de Schrift u telkens voorhoudt, wijzen altoos op uw God terug.
Niets in die Natuur zonder Hem. En zoo ook in uw geestesleven uw God de Schepper, de Werker, en de Voleinder.
Als de eik moet ge zijn, en toch doet ge den kenner van het menschelijk hart nog zoo dikwijls aan het riet denken. Niet bij ieder is dit even droef. Maar bijna bij ieder komt gedurig dat beeld van 't riet terug.
Bij wie veel denken moet, en gedurig den storm van den twijfel op zich voelt aandringen, komt dat riet in het belijden uit. In onzen tijd vooral, nu de ontkenning alles aantast, niets van het heilige spaart, en Gods Woord op zij werpt. En dat doet g^ nu wel niet. Integendeel, Gij houdt aan het Woord vast. Ge wilt er u niet van laten afbrengen. Maar gedurig doet de Verzoeker den adem van den twijfel toch ook over uw ziel gaan. Zou 't alles wel waar zijn? Hoe kan 't alles waar wezen ? De kern van de Schrift, ja, maar al wat bij die kern bijkomt? En dan woidt ge in uw denken geslingerd. Dan is het muur raste geloof het uwe niet meer. Van • daag gelooft ge weer alles, maar morgen ontgaat u uw geloof. En ge staat tegenover het heilig Woord van uw God juist zooals het riet aan den oever staat. Heen en weder, her-en der waarts, nu het kopje opheffend en dan weer het kopje neerbuigend. En zoo dikwijls de wind van den twijfel weer opzet, komt telkens dat slingeren terug.
Een ander heeft daar geen moeite meê. In de denkwereld wordt hij niet zoo ingetrokken. De twijfel en bedenking heeft geen vat op hem. Hij leest de Schrift zooals ze daar voor hem ligt, en neemt 't alles aan met kinderlijk geloof. In dit opzicht was hij nooit een riet. Maar hem kwelt de tegenspoed in het leven. In dit leven blijft 't voor hem aldoor tobben. Zijn scheepke dobbert op en neder op de baren. Hij kan maar niet tot een vaste gedragslijn, hij kan maar niet tot de vorming van een vast karakter komen. Zijn stand en lot blijft ongewis. En nu wil hij wel op zijn God vertrouwen, en onder allen tegenspoed toch het hoofd moedig opbeuren. Maar dit gelukt hem slechts bij oogenblikken. En nauwelijks komt er weer een nieuwe storm in het leven tegen hem opzetten, of hij kraakt op zijn wortel, hij voelt als het riet zich krooken, en het oude trillen en zwieberen, het zwiepen en zwalpen begint op nieuw, en zijn hart, dat vast in zijn God moest staan, wordt weer her-en derwaarts bewogen.
En het pijnlijkst van alles is die onvastheid nog, zoo ze bij een derde hem in tijn staat doet wankelen. Vandaag een kind van God, en morgen weer alle hope op aijn verkiezing van zich werpen. Den éénen dag gelooven, dat 't een werk van God in zijn hart was, en morgen 't alles weer voor inbeelding houden. Hopen en verlangen, zonder dat 't bij 't klimmen van zijn jaren tot zekerheid en tot het bezitten van het onderpand des Geestes komt. O, zoo graag willen dat 't zoo zijn mocht, maar te veel afgaande op indrukken en gevoelens, en daardoor telkens weer van zijn hope afgeslagen. Geestelijk zijn leven lang geslingerd, en in zijn kindschap nog op zijn sterfbed wankelend als het riti.
Iets wat dan meest met icnerlijke worsteling saamhangt. Tegen de zonde moet de worsteling van zijn ziel zijn. Zijn God woont in 't a v i heilige. Maar de verleiding komt altoos weer. De verzoeking is er eiken morgen en eiken avond. En dan gaat 't op en neder. Den éénen dag sterk tegen de zonde, en zijn boezemzonde overwonnen, maar dan zwenkt het in zijn ziel weer, en wordt de macht der zonde hem te sterk. En zoo kan het jarenlang gaan, bij den één met deze, bij den ander met die zonde, en ook tegenover die zonde staat dan de zwakke ziel te trillen en te beven als het riet.
En dat duurt dan, tot ge het riet er eens terdege op aanziet, er u aan ergert, en u afvraagt: Ben ik nu werkelijk zóó? Zóó onvast, zóó slingerend, zóó zonder innerlijk bestand? En toch geef ik me voor een geloovige uit, en moest ik als een eik in Gods voorhoven staan. En nu, waar is vastigheid, waar is vaste grond, waar is mijn sterkte, om dat zwieberen van het riet te overwinnen ? En dan wijst Gods Woord u op de Rots der eeuwen, op den onwankelbaren, op den onveranderlijken God, en ge gevoelt het: ik heb 't nog altoos te veel in mij-zelf gezocht. Niet in mij, in Hem is de sterkte en de grondslag der vastigheden. In mij de zandgrond, waar het riet uit opschiet, in Hem de rotsgrond waarop, ook te midden van den bangsten storm, het huis mijns levens on wankelbaar kan staan.
En daar moet een iegelijk door heen. Wie nu een eik is, zal u oprechtelijk bekennen, hoe ook hij eens een riet is geweest.
En daarom, wie nog als een riet zwalpt, hij steune van nu af aan op zijn God en op zijn God alleen; dan geldt ook voor hem de profetie, dat ook hij die een riet was, een eik zal worden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908
De Heraut | 4 Pagina's