Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Uit de Pers.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Uit de Pers.

10 minuten leestijd

De rede, die de Leidsche rector magnificus Dr. J. J. Hartman bij de overdracht van het Rectoraat hield ÏI September 1908 en die in druk verscheen bij E. J. Brill, heeft terecht de aandacht getrokken door de frischheid van denkbeelden die er uit spreekt.

Vooreerst wat de hoogleeraar zegt van den bloei der Hoogescholen:

Ik begin met een geweldig paradox. Een Hooge School bestaande uit één hoogleeraar, maar die werkelijk een groot man was, en één leerling, die beloofde, geheel op zijne wijze, ook een groot man te worden, dat zou ik reeds een bloeiende Hooge School noemen. En werd er ergens eene gevonden die in ieder barer vijf faculteiten vijf zulke hoogleeraren en vijftig zulke studenten konde aanwijzen, ik zou zeggen: shier is een toestand bereikt te schoon haast voor deze onze gebrekkige wereld". Thans denkt men daar anders over. Telkens en telkens weer hoort men van nieuwe professoraten, gewone en buitengewone, lectoraten, privaat-docentschappen en van leervakken die, zooals de geijkte term luidt, tot hun recht moeten komen. En nu ga ik iets zeggen wat lichtelijk misverstaan kan worden. Daarom verzoek ik, voor alle veiligheid, hen die in de termen vallen van mij mijn woorden euvel te duiden, doorddt zij ze verkeerd verstaan, vooraf van mij de plechtige verzekering aan te nemen dat ik over hun beteekenis geen oordeel uitspreek, daar zij óf daarvoor in mijn achting te hoog staan óf een studievak beoefenen dat geheel ligt buiten den kring mijner beoordeeling. Ik verklaar dan dat de tegenwoordige uitbreiding van onderwijskrachten en onderwijsvakken op den duur van een Hooge School noodzakelijker wijze een kweekplaats maken moet van.... op zijn best middelmatigheden. In vroeger jaren benoemde men ook vaak een man van beteekenis tot hoogleeraar al stond er voor hem geen plaats ledig, maar men deed dat op een wijze die nooit kwaad doen kon, wel veel goed: men benoemde hem alleen in de Faculteit; wat hij zou te onderwijzen hebben was van later zorg. Maar thans: nauwelijks heeft iemand van eenig onderdeel van een wetenschap een eenigszins uitvoerige studie gemaakt, of reeds verneemt men den eisch dat onderdeel tot een nieuwe wetenschap te verheffen, die voor 't allerminst een lector behoeft om haar te vertegenwoordigen. Zoo wordt een getal leerstoelen geschapen, dat op den langen duur niet meer op waardige wijze is te vervullen. En juist de verdedigers der thans gevolgde handelwijze doen mij het argument aan de hand van haar volslagene verkeerdheid. Men zegt: »er moet aan de Academie ook wat middelbaar onderwijs gegeven worden." Neen, neen roepen wij uit, niets middelbaars aan onze Hooge Scholen: al is 't nuttig, dat de studenten van dit of dat iets weten, daarmee is volstrekt niet gezegd, dat zij er nu ook van een specialiteit bepaald onderwijs in moeten hebben; er bestaat ook zoo iets dat men eigen studie noemt, en de Academie is nu eenmaal geen Hoogere Burgerschool. Het tweede argument wijst het redmiddel aan uit den 'egenwoordigen benarden toestand. »De concurrentie dringt om de leerkrachten eener Hooge School steeds uit te breiden; elders doet men dat ook en 't mag niet den schijn hebben dat men voor eenig vak bij ons niet, maar bij anderen wel, terecht kan". Op dit onwaardig, maar vaak vernomen, argument geeft het staatsrecht een waardig antwoord: uhet is de plicht van den staat tegen de gevolgen eener al te scherpe concurrentie de burgers te beschernien." Daarom zon een Regeering, die zich werkelijk verdienstelijk voor het Hooger Onderwijs wilde roaken, moeten weigeren in de eerste tien of twintig Jaren nieuwe leerstoelen op te richten en de nieuwe leerstoelen, die binnen dat tijdsverloop vacant kwamen, onbezet laten. Ook zou zij op al te sterke vraag naar steeds meer en beter «materiaal" eindelijk eens moeten antwoorden met een beslist »neen», onder verwijzing naar het onloochenbaar feit dat de grootste geleerden zich meestal met de bescheidenste hulpmiddelen hebben tevreden gesteld en juist daarmede de schoonste ontdekkingen hebben gedaan. Zij zou moeten vaststellen dat het aankomt op mannen, niet op lange lijsten van leervakken, onafzienbare verzamelingen, tallooze werktuigen.

Niet minder merkwaardig dende rector zegt over de is wat de scheidames studenten.

Vaak heb ik een aftredenden rector met een blijkbaar welgevallen in zijn verslag het cijfer hooren oplezen der dames-studenten, alsof hij zeggen "ilde: alweer meer dames-studenten, wat gaat de wereld toch vooruit! En dan kwam mij steeds in °e gedachte deze variatie op een bekend geestig Sedichtje:

Wat gaat de wereld toch vooruit: Je wordt er aaklig van.

Neen, dan zou ons een juichtoon voegen als een rector kon berichten: «dames-studenten, waaryan men vroeger zooveel hoorde, komen sedert jaren niet meer voor; na gezet onderzoek is mij gebleken dat de meisjes, die daarvoor in de termen vielen, getrouwd of verloofd zijn, en, zoover ik kan nagaan zijn die huwelijken zeer gelukkig.« Want in het huwelijk, althans in het huiselijk bedrijf, daar is de natuurlijke plaats der vrouw. Het is wel vreemd, dat ik hier zoo iets kom mededeelen; maar als het ooit mode wordt te beweren, dat hier te lande in de tweede helft van Juli gewoonlijk een nijpende koude heerscht en de velden met sneeuw bedekt liggen, terwijl de dagen tusschen Kerstmis en Nieuwjaar zich kenmerken door een bijkans ondragelijken zonnegloed, dan zal ik ook iedere gelegenheid aangrijpen om tegen die bewering op te komen. Welnu men hoort vaak dwaze vrouwen en nog dwazer mannen verkondigen, dat de werkkring der vrouw vooral ligt op 't gebied van het openbare leven en dat wie haar tot het huisgezin beperkt haar vernedering ensmaadheid aandoet! Tegenover dien zotteklap verwijs ik u naar Xenophons Oeconomicus, vooral naar de aangrijpende zinsnede waarmee verklaard wordt wat het zegt, dat de vrouw de meerdere is van den man, of naar Plutarchus' Praecepta Coniugalia, die leeren dat de vrouw in alles de gelijkberechtigde medewerkster des mans moet wezen. En mocht soms iemand uwer geen Grieksch verstaan, dan verwijs ik hem naar den eenigen schrijver van onzen tijd van wien het vaststaat dat hij de eeuwen trotseeren, 'daar nu, 38 jaren na zijn dood, hij onder de vele millioenen zijner landgenooten de meest populaire, ja de eenig populaire schrijver is, gelijk hij het was bij zijn leven: ik bedoel Dickens. Beschijnt niet Dickens' vrouwengestalten een hooger licht ? En dat terwijl Dickens zich waarlijk nergens beijvert om zwart op zwart, veel min vuil op vuil, te schilderen, zoodat ook onder zijn mannen vele edele zielen voorkomen. Maar wat zijn "de beste hunner bij Agnes, ja zelfs bij tante Trotwood ? Zoo is het: de ware vrouw, de vrouw in 't huisgezin, is een soort van heilige, een priesteres van den huiselijken baard, tot wie wij eerbiedig opzien; voorde vrouw, die een bezoldigde betrekking bekleedt of beroep uitoefent, hebben wij de achting, die wij lederen man toedragen, die op eerlijke wijze zijn brood verdient, niets minder maar ook mets meer. En is er in 't algemeen niets dat den adel van Gods beelddrager meer ontluistert dan politiek geharrewar, een vrouw debatteerende in een vergadering .... dat is een godslastering!

»Maar niet alle meisjes worden ten huwelijk gevraagd.» Ik antwoord dat ik toevallig juist onder ongehuwde vrouwen bet meest van die echte Dickensfiguren heb ontmoet: ook Peggotty was een engel vóór Barkes «willing" was. »Ja maar niet voor alle meisjes is er huiselijk werk te vinden". Dit toegegeven — hoewel ik zeker weet dat 't niet waar is — dat een meisje studeeren gaat in de letteren, de rechten, des noods de theologie dat is zoo erg nog niet — aangenomen althans dat de ervaren medici het mis hebben met hun bewering dat de lichamelijke constitutie der vrouw en haar zenuwgestel tegen de vermoeienissen der studie niet zijn opgewassen. Maar dat zoovele in de medicijnen studeeren gaan, dat vind ik wel erg, zeer erg zelfs. En hier komt mij een ervaring uit mijn rectoraat te stade. Nog steeds griezel ik bij de herinnering aan zekeren brief, maanden geleden door een manspersoon te Amsterdam aan onze medische faculteit geschreven, maar die wegens het adres door mijn handen moest gaan. Dat individu vroeg om opneming in ons Ziekenhuis, maar niet voor alles in de wereld zou ik de schaamtelooze bewoordingen op de lippen nemen waarmee hij rijn werkelijk walgelijke ziekte beschreef. En zoo'n schepsel zal nu door jonge vrouwen moeten worden behandeld in tegenwoordigheid van jonge mannen. v

Nu begrijp ik pas wat ik meer dan ééne medische studente, idie haar studie reeds geheel of bijna eheel had volbracht, heb hooren verklaren: »als ik alles had geweten, was ik het nooit begonnen”.

Maar 't geen voor ons toch de meeste waarde heeft, is het slot:

Doch er is iets hoogers dan wetenschappelijke zin, zachtmoedigheid, zedelijke reinheid. Én nu juist dat allerhoogste — ziet er is een tijd geweest dat men aan de Hooge School daarvan zóó weinig werk maakte, dat schijn-geleerden meenden niet beter te kunnen doen dan er den spot mee drijven of voor het minst het hooghartig voorbij gaan. Dat was in den tijd toen men eaa heerlijk kon declameeren over »de wetenschap" met ik weet niet hoeveel pond gewicht op het lidwoord en een eigenaardigen draai in de beginletter van het zelfstandig naamwoord. Die menschen waren klein in hun verwatenheid. Wil ik er eens iets groots, iets zeer groots, tegenover stellen? Ik ken in de heele geschiedenis niets verheveners of aangrijpenders dan het verhaal van het «CoUoque de Poissy”

In een schitterenden kring zat het hof van atherina De Medici en haar jeugdigen zoon Karel X geschaard en nevens hen namen plaats de oogste vertegenwoordigers van den heerschenden odsdienst: in 't midden van dien kring werden 12 ugenootsche predikanten binnen gelaten, zij ochten zich daar staande verdedigen. En toen un het woord gegeven was, wat denkt gij dat zij oen deden ? Een geleerd theologisch betoog houden en bewijze dat zij in 't bezit der waarheid waren ? een, op 't voorbeeld „van hun voorganger Theoorus Beza knielden allen neder, en uit Beza's ond klonken de onsterfelijke woorden: »Heere od, eeuwige en almachtige Vader, wij bekennen n belijden oprechtelijk vóór Uwe heilige Majesteit at wij arme zondaars zijn.«

Niets verhevener of aangrijpender in de heele historie. Ik kan er slechts éene bladzijde nevens leggen, een plaats vanPiutarchus. Achtbare wijsgeeren redeneeren daar over een zeker E dat ergens in den tempel van Delphi is aangebracht: dat dat het teeken is voor de syllabe E» daarover is men 't van ouds eens. Maar welk woord wordt bedoeld ? Veelal neemt men aan: de conjunctie, wantmeti ndien beginnen ^gewoonlijk de antwoorden van het orakel en de vragen tot het orakel gericht. Maar de wijste onzer wijsgeeren weet iets beters: het is, zegt hij, de tweede persoon van het werkwoord zijn, en daarmee beantwoordt de mensch hetgeen de godheid hem toevoegt bij zijn binnentreden. De God spreekt: »ken (J zelven« en de mensch antwoordt: »ik ben in 't geheel niet, ik word, verander, verga, het ware xijn komt alleen aan U toe o God!«

Ziet, dan is de eindige mensi^h het grootst als bij zich klein voelt tegenover den Oneindige. En daarom: eerst dan heeft de Hooge School haar grootsten, haar volledigen bloei bereikt, als al hare leden, leiders en volgelingen, bij bun schitterendste ontdekkingen zoowel als bij hun bescheidenste pogingen eerbiedig het hoofd buigen en belijden:

Den hoogen God alleen zij eer En dank voor Zijn genade.

Zulk een toon zijn we aan onze Staats-universiteiten niet gewoon en daarom te meer zij er met dankbaarheid op gewezen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Uit de Pers.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's