Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

INGEZONDEN STUKKEN.

4 minuten leestijd

{Buiten verantwoordelijkheid van de Redactie). Geachte Redacteur !

In zijn „Brieven naar Antiochie" in het Zendingsblad No. 7 wordt door Ds. Dijkstra de Soemba Zending tot voorbeeld gesteld, ten bewijze, dat tot heden bij de keuze van een arbeidsveld en van arbeiders maar al te veel, luk raak, wordt gehandeld; het redelijk verstand naast het geloof daaraan geen leidinggeeft.

Dat de Ned. Geref. Zend. Ver. op aanbeveling van wijlen den heer Esser, alhoewel zij zoo goed als niet wist van dat land, Soemba bezette en, zonder onderzoek, of br. Van Alphen voor die geheel eenige taak berekend was, hem daarheen zond, —voor dat getuigenis ben ik den heer Dijkstra ten hoogste dankbaar, maar — niet voldaan.

Dankbaar, omdat juist daardoor het onwaardige van mijn ontslag aan het licht treedt; heel het gedrag der Geref. Kerken is geoordeeld in zake mijn losmaking.

Want ligt volgens dit getuigenis de fout niet bij den uitgezondene, maar bij zijn zenders, toch heeft men die op den onschuldige en wel óp zulk eene voor de Kerken onwaardige wijze gewroken.

Maar niet voldaan: omdat de heer Dijkstra minder eerlijk is, ZEw. de halve waarheid zegt, en zoo een valsch licht werpt op de Soembazending en de daarmede in betrekking staande personen.

Want, zoo onkundig als de heer Dijkstra voorgeeft, was de vereeniging niet. Voorgelicht door den heer Esser wist zij zeer wel, dat Soemba een puur heidensch land is, buiten invloed van Chr, beschaving en zoo goed als aan zich zelve overgelaten door het Ned. gouvernement.

Zóó zelfs, dat wijlen Ds. Smit van 's-Hage in zijn „Maranatha" de aandacht vestigde op het onschriftmatige en onverantwoordelijke der uitzending van een broeder naar dat oord; en de heer Greve, bestuurslid, mij den raad gaf gedurende de enkele dagen, die toen aan mijn vertrek voorafgingen, een paar practische lessen in de verloskunde in het gemeente-ziekenhuis van Amsterdam bij te wonen, omdat ik getrouwd uitging en niets aangaande die wetenschap had geleerd.

En, wat het onderzoek betreffende de geschiktheid aangaat, wel terdege had dat plaatsgehad en nog wel in de vergadering der Synode der Chr, Geref. Kerk te Leeuwarden, die voorafging aan mijn vertrek.

Wat men aan zijn zendeling had, wist men dus zeer goed; van teleurstelling kon geen sprake zijn.

Iets anders is het, of die verkregen kennis in overeenstemming was met de eischen van het arbeidsveld, daarna aangewezen.

Volmondig antwoord ik daarop; „neen".Wel was die kennis berekend op een geregeld arbeidsveld, maar niet op een akker, woest en onbekend.

Dooï deze mededeelingen wordt zeker de schuld van de vereeniging verzwaard. En toch heeft de heer Dijkstra niet het recht steenen op haar te werpen, want aan datzelfde euvel heeft ook de Chr. Geref. Kerk zich schuldig gemaakt.

Immers, toen de Zendings Commissie, na her-

Iwald en ernstig aandringen om hulp, er eindelijk toe overging als zoodanig een broeder naar Soemba te zenden, kwam deze niet verder dan Soerabaia en weigerde pertinent verder te gaan, omdat hij van de verloskunde evenmin studie had gemaakt.

Nog iets: Ds. Dijkstra doet het voorkomen, alsof door de onberadenheid der Ned. Geref. Zend. Ver. het doel der zending van mij is gemist geworden. Daartegen kom ik ernstig in protest.

Mijn aangewezen taak was pionierswerk, en daarin ben ik, wat ik met bescheidenheid meen te mogen opmerken, niet geheel zonder succes geslaagd.

Bij mijn verlaten van Soemba heb ik kunnen overleggen:

1. £ene niet onbelangrijke Soembaneesche woordenlijst.

2. Had ik kennis van Land en Volk, zeden en gewoonten opgedaan.

3. Was ik in staat een jeugdigen Soembanees, een gewezen slaaf, br. De Bruijn toe te vertrouwen, die sedert hem van dienst is geweest en zelfs als tolk en leermeester door br. Wielenga op prijs wordt gesteld.

4. Kon. br. De Bruijn te Kambaniroe eene solide woning betrekken en vond daar eene Gemeente uit de kolonisten, die gedurende 5 jaar door mij was bediend geworden.

5. Kon ik wijzen op het tweejarig bestaan eener school te Waingapoe, die ik heb moeten sluiten, omdat daarvoor geen cent mij was uitgekeerd geworden.

En zeker zou die reeks van resultaten vermeerderd hebben kunnen worden, indien finantieele steun mij niet had ontbroken.

Zou Ds. Dijkstra wel eene juiste voorstelling van het pionierswerk op Soemba hebben gehad, toen Z.E.W. zijne laatste „Brieven naar Antiochië" schreef, en bij vernieuwing broeders pijn heeft gedaan?

Mag ik u beleefd verzoeken dit schrijven in uw geacht blad een plaatsje te willen verleenen ? Met de verschuldigde hoogachting

Uw dien.

ISlijmegen, 27 Juli 1908.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's

INGEZONDEN STUKKEN.

Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908

De Heraut | 4 Pagina's