Pro Hege.
DERDE REEKS. (Tweede gedeelte).
Christus Koningschap en de Kerk,
IV.
En zijnen mond geopend hebbende, leerde hij hen. Matth. 5: 2.
Na aldus zijn toekomstige apostelen met Koninklijke autoriteit zich toegeëigend en tot zich getrokken te hebben, begon Jezus aanstonds met deze mannen op U leiden. Ze hebben bij Jezus een school doorloopen. Jezus heeft ze op bijzondere wijze ingeleid en ingewijd in de dingen van zijn Koninkrijk. En hij heeft dit gedaan:10. door zijn persoonlijken omgang; 2". door wat wij zouden noemen het geven van college, en 30. door voorloopige uifzïnding. Gemeenlijk wordt hierop bij het lezen der Evangeliën minder gelet, en ook in de prediking over de Evangeliën minder nadruk gelegd. We lezen de Evangeliën, evenals heel de Schrift, meest voor onze persoonlijke stichting, en ook in de prediking blijft de stichting, de opbouwing der gemeente hoofddoel. Daarbij komt dat het woord: iscipel, soms iets misleidends heeft. Discipel, leerjonger van Jezus, willen we immers allen wezen, en 200 verstaan we dan veelal al wat Jezus tot zijn Twaalftal sprak, als ook tot ons, of wil men, als tot zijn volgelingen in het gemeen gesproken. We letten er dan niet op, wat Jezus onderscheidenlijk tot de schare, en wat hij afzonderlijk tot de Twaalven sprak. Zoo verliezen we het onderscheid uit het oog tusschen hetgeen we een „college" voor zijn toekomstige apostelen noemden en tusschen zijn algemeene prediking, en hiervandaan komt het, dat de bepaalde opleiding die Jezus aan zijn Twaalven gaf, zich niet in een juist begrensd beeld voor ons afteekent. Het blijft dan alles vaag en onbepaald. Bij zijn omwandeling werd Jezus door zeker aantal mannen — zoo stelt men het meest voor — nu eens veel, dan weer weinig, vast gevolgd. Die mannen hebben zooveel van Jezus gezien en gehoord. En dusdoende zijn een twaalf van die mannen allengs gerijpt voor het apostolaat. Alles ging van zelf, alles onopzettelijk, als zonder plan en toeleg. Toch was het zoo niet. Die mannen liepen Jezus van zelf niet na, om van hem te leeren, maar Jezus had ze met Koninklijk gezag in zijn dienst gesteld. En evenzoo, toen Jezus beslag op hen gelegd en ze zich toegevoegd had, is Jezus aanstonds begonnen ze voor te bereiden voor hun toekomsfige levenstaak. In Mattheus 4 vernemen we van hun roeping, en terstond daarop in Mattheus 5, 6 en 7 begint het speciale onderwijs. De dusgenaamde Bergrede toch is niet een toespraak die tot de schare is gehouden, maar een ontsluiting van de mysteriën van het Koninkrijk, die Jezus apart en afzonderlijk aan zijn uitgekozen discipelen gaf. Het staat er zoo duidelijk mogelijk. De wonderen der genezing, die Jezus deed, hadden heel Pales J tina in beweging gebracht. Zijn gerucht was uitgegaan in Galilea, in Samaria, in Judea en in het Over-Jordaansche. Van allen d kant liep men uit, om Jezus te zien en ook zijn eigen zieken genezen te krijgen. Heele t scharen van menschen drongen op Jezus s aan en verzamelden zich om hem. Het o stroomde menschen. En dit nu ontweek Jezus, en hij deed dit op de eenvoudigste manier waarop men dit in Galilea doen kon, door namelijk een bergpad in te slaan en zich boven op den top van dien berg terug te trekken. Daar kon hem die groote l menschenmassa vanzelf niet volgen, en zoo bevond Jezus zich ten slotte boven op dien berg met zijn discipelen alleen. Het staat i er dan ook bijna overtollig bij, dat hij alsnu niet de schare, maar alleen zijn discipe z len toesprak, en wel bepaaldelijk om hen te leeren: Als hij nedergezeten was, kwamen zijn discipelen tot hem, en zijn mond geopend hebbende, leerde hij. hen." Heel de voorstelling alsof Jezus van den top van dien berg de schare zou hebben toegesproken, die beneden aan den voet van den berg stond, kon dan ook alleen opkomen bij iemand, die niet recht weet wat een berg is, en althans de bergen van Galilea niet kent.
Ook de inhoud zelf van wat Jezus toen sprak, toont bovendien, dat hetgeen Jezus zeide niet voor de schare gold, maar alleen en bepaaldelijk voor de discipelen. „Gij zijt het zout der aarde", „Gij zijt het licht der wereld", gold de Twaalven, en kon niet van die groote menschenmassa gelden. Toch wil dit niet zeggen, dat er allicht ook niet uit de schare enkelen meê naar boven waren gegaan, Jezus gaf aan zijn jongeren geen geheime leer. Wie kon, mocht het hooren. En zoo blijkt dan ook uit het slot van de Bergrede, dat die enkelen, beneden gekomen, oververtelden wat ze gehoord hadden, en dat de scharen, dit vernemende, zich ontzetten over zijn leer, en den indruk ontvingen, dat hier heel iets anders ontsluierd was, dan wat de Schriftgeleerden hun voor hielden. Tendeele doet Luk. VII: I zelfs de vraag rijzen, of niet een deel van wat men de Bergrede noemt, een afzonderlijke rede is geweest, van de eerste, die tot de discipelen alleen gehouden werd, afgescheiden. De inhoud van het laatste deel zou hiervoor pleiten, en in Luk. VII: I staat uitdrukkelijk: „nadat hij deze woorden voleindigd had ten aanhoore des volks." Of ook bestaat de mogelijkheid, dat Jezus een gedeelte van de Bergrede later voor het volk herhaald heeft. Herhaling toch is bij redenen als deze in het Oosten verre van ongewoon. De spreuken der Wijzen werden juist zóó veelal ingeprent. Doch hoe dit zij, daarna, zoo zegt ons hoofdstuk VIII : I, is Jezus van den berg afgeklommen. De scharen hadden aan den voet van den berg gewacht. En toen hij nu weer beneden kwam, ging de schare weer achter hem aan, en genas hij weer hun kranken. Ook de tweede groote rede, die we bij Mattheus vinden, is niet tot de schare, maar wederom tot de discipelen alleen gehouden. Ge vindt Z2 in Mattheus X, bij de voorloopige uitzending der Twaalven onder Israel. Ook van die rede toch heet het in Matth, Xï : I: „En het is geschied als Jezus geëindigd had zijn twaalf discipelen bevelen te geven." Niet alsof Jezus ook niet tot de schare sprak. Er staat toch in hetzelfde vers, dat Jezus „voortging te leeren en te prediken in hun steden." In het 7e vers vinden we dan ook een proeve van Jezus prediking tot de schare. „Toen heeft Jezus begonnen tot de schare te zeggen van Johannes" (vs. 7). Daarop lezen we dan van gesprekken van Jezus met de Parizeen en de Schriftgeleerden. En van de eerste uitvoerige rede door Jezus tot de schare gehouden, vinden we voor het eerst melding gemaakt in Mattheus XIII, het bekende hoofdstuk vol van gelijkenissen.
Juist nu in dit hoofdstuk vol van gelijkenissen komt het onderscheid tusschen hetgeen Jezus tot de schare in het gemeen, en hetgeen hij tot zijn Twaalven in het bijzonder sprak, scherp uit. Het hoofdstuk begint toch met opzettelijk mede te deelen, dat „vele scharen" zich om Jezus verzamelden, en zegt ook dat Jezus op een schip, dat aan den oever lag, ging staan, en van dat schip „vele dingen tot hen (d. i. tot de scharen) sprak door gelijkenissen. Die wijze van prediking bevreemdde de discipelen. Het was zoo heel anders dan de manier waarop hij hen zelven onderwees. Van daar hun vraag: „Waarom spreekt gij tot hen door gelijkenissen? " En wat antwoordt Jezus daarop.' Dit, dat het wel aan de Twaalven gegeven was, om de verborgenheid des Koninkrijks te weten, maar dat ditzelfde niet gegeven was aan de schare, en dat Jezus daarom tot de scharen door gelijkenissen sprak. De scharen konden het niet vatten. Het volle licht des Evangelies konden ze niet dragen, het zou hen verblind hebben. En dan trekt Jezus de grenslijn tusschen de schare en de discipelen het scherpst in deze woorden: „Doch uwe oogen zijn zalig, omdat zij zien, en uwe ooren omdat ze hooren." Het voorafgaande werk van den Heiligen Geest had de discipelen verlicht. Wat Jezus elders zei: „Werpt het heilige voor de hondekens niet, noch de perelen voor de zwijnen, " had gelijke strekking. Ook van de rede, ons in Matth. XVIII medegedeeld, staat er uitdrukkelijk bij, dat ze tot de discipelen gehouden is. Eerst in Matth. XXIII volgt er dan, dat Jezus zijn rede hield „tot de schare en tot zijn discipelen." En zoo kan men nauwkeurig, schier heel het Evangelie van Mattheus door, nagaan: i". wat Jezus tot de schare sprak; 20. wat Jezus redetwistte met de Parizeen en Schriftgeleerden, en 30. wat het onderwijs was, dat hij uitsluitend aan zrjn Twaalven gaf. Van zelf hoorde tot de laatste categorie ook de rede die ons in Johannes 14, 15, 16 en 17 wordt medegedeeld, met inbegrip van het hoogepriesterlijk gebed. De voorstelling alsof al wat ons uit Jezus' redenen wordt medegedeeld, openbare prediking ware geweest, voor al het volk gehouden, wordt derhalve niet alleen door de feitelijke mededeeiingen der Evangelisten weersproken, maar het is zelfs onbegrijpelijk, hoe zoo vele lezers en predikers van het Woord dit gedurig zoo voorstellen, niettegenstaande Jezus zelf zoo met klem en nadruk er op gewezen heeft, dat hij zóó tot de schare niet spreken mocht en niet spreken kon, en zulks om de aJdoende reden, dat het hun niet gegeven was de verborgenheden des Koninkrgks te verstaan, zoodat het hun niet ten zegen, maar tot een oordeel zou worden.
De uitkomst van dit onderzoek toont derhalve, dat Jezus : ï > !!een met Koninklijk gezag over zijn Twaalven beschikt heeft, maar hen ook opzettelijk heeft voorbereid voor de taak, die voor hen was weggelegd. Zou er een zichtbare Kerk optreden, dan moesten de mannen zijn aangewezen, die, na Jezus hemelvaart, de instrumenten zouden zijn, waardoor Jezus zijn Kerk bouwen zou; dan moesten die mannen van meetaf weten, waartoe ze bestemd waren; en dan moesten ze, in onderscheiding van anderen, hiertoe worden bekwaamd en hiervoor worden voorbereid. Daartoe was hun noodig èn' geestelijk licht van den Geest èn uitwendige vorming. Dat ze dit licht des Geestes ontvangen hadden, blijkt uit wat Jezus tot Petrus sprak: „Geen vleesch en bloed heeft u dit geopenbaard, maar mijn Vader die in de hemelen is", en evenzoo uit wat Jezus reeds vroeger aan al de Twaalven had verklaard: „Uwe oogen zijn zalig, omdat ze zien, en uwe ooren, om wat ze hooren, want u is het gegeven de verborgenheden des Koninkrijks te verstaan, maar aan die anderen is het niet gegeven." De aanwijzing van hun toekomstige taak lag in wat Jezus van meetaf hun betuigde: „Ik zal u visschers van de menschen maken, gij zijt het zout der aarde, en het licht der wereld." En de opzettelijke voorbereiding ontvingen ze, doordien het hun vergund werd, deze drie jaren lang steeds bij Jezus te zijn en zijn heerlijken persoonlijken omgang te genieten; voorts te zien al wat Jezus deed en getuigen te zijn van al de wonderen die hij tot stand bracht, ja bij de spijziging uitdeelers van zijn wondere mogendheid te zijn; maar dan ook zeer bepaaldelijk doordien Jezus hen~ opzettelijk onderwees, in de verborgenheden van het Koninkrijk inleidde, en hooren deed wat niemand hoorde dan zij. Er is alzoo in dit alles plan, er is de uitvoering van een bepaald voornemen, er is de gereedmaking van wat, als Jezus opvaart ten hemel, gereed zal moeten zijn. En dit alles beoogt in het minst niet de persoonlijke zaligheid der Twaalven, maar wel ter dege de vorming van de mannen, die straks gereed moeten staan om de Kerk, om het mystieke Lichaam des Heeren, onzichtbaar als het in zijn wezen is, toch ook openlijk in de wereld te doen uitkomen. :
Ook bij dit werk van vorming en voorbereiding is Jezus niet wat wij leeraar noemen, maar treedt hij altoos als Meester op; een naam en titel waarin zijn zeggenschap over zijn jongeren vanzelf besloten lag. Deze uitdrukking: eester toch wordt door Jezus niet als doode klank gebezigd, gelijk dit onder ons bij advocaten het geval is, maar zeer eigenlijk. De jongeren zullen met den Meester lotgemeen zijn. Hebben ze den Meester vervolgd en gesmaad, ze zullen ook de jongeren, die bij hem aangesloten zijn, haten en dreigen. Gedurig verbindt daarom Jezus het begrip van meester en heer, en daarnaast dat van discipel, dienstknecht en gezant. In Matth. X : 24 lezen we: De discipel is niet boven zijn meester, noch de dienstknecht boven zijn heer! Het zij den discipel genoeg dat hij worde gelijk zijn meester en de dienstknecht gelijk zijn heer." En in Joh. 13 : 16 heet het: Voorwaar, voorwaar zeg ik u, een dienstknecht is niet meerder dan zijn heer, noch een gezant meerder dan die hem gezonden heeft." En die beide begrippen van meester en heer vat Jezus eens zelf saam in dat van „heer des huizes, " als hij naar luid van Matth. 10 : 25 zegt: Indien zij den heer des huizes Beëlzebub hebben geheeten, hoeveel te meer zijn huisgenooten". Een patriarch in zijn gezin oefent gezag uit en is tevens de wijze, die de kennis in zijn geslacht voortplant, en zoo vindt Jezus in den „heer des huizes" beide vereenigd, zoowel dat hij der jongeren heer is die over hen beschikt, als dat hij hun meester is, die hen met gezag onderricht. Men zal daarom goed doen, met het begrip van leeraar bij Jezus niet te zeer in den humanistischen zin van enkel docent te nemen, maar het steeds op te vatten in den Oostersch-schriftuurlijken zin, die gezag en onderricht eng verbindt.
Sterker nog komt dit gezag uit in de voorloopige zending, die Jezus aan de Twaalven opdroeg. Bij hun eerste roeping was nog alleen maar hun bestemming uitgesproken. Ze kwamen in Jezus dienst om tot visschers van de menschen te worden gevormd. Maar daarna, zoo lezen we in Mark. 3 : 14, „stelde hij er twaalf, opdat ze met hem zouden zijn, en opdat hij ze zou uitzenden om te prediken." Daarin nu, dat Jezus hiertoe overging, lag hun voorloopige aanstelling. Iets wat vooral daaruit blijkt, dat ze reeds bij deze eerste uitzending bekleed waren met macht. Met macht om zieken te genezen en duivelen uit te werpen. Jezus heeft aan alle gerechtigheid voldaan. En al wist hij, dat Israel hem zou verwerpen, en dat eerst in de heidenwereld zijn kerk zou opbloeien, toch heeft Jezus tot den einde toe de prioriteit van Israel, die in Gods ordinantie lag, geëerbiedigd. Hij sprak het zelf uit: De zaligheid is uit de Joden." Hij stierf onder het opschrift: De Koning der Joden." Buiten Israel heeft Jezus zelf niet gepredikt. En toen de aanvankelijke vorming der Twaalven voltooid was, heeft Jezus hen als zijn gezanten oadst Israel uitgezonden, om in alle steden en vlekken den Messias aan te kondigen. Dit is het exclusief Jobdsche apostolaat. Jezus gaf hun toch dezen last mee: Gij zult niet heengaan op den weg der heidenen, (d. i. niet naar Tyrus, Sidon of Damascus), en gij zult niet ingaan in eenige stad der Samaritanen, maar gaat veel meer tot de verloren schapen van het huis Israels." Jezus had voor zich zelf dit standpunt ingenomen, toen hij tot de Kananeesche vrouw zei, dat hij „het brood der kinderkens niet mocht nemen, om het den hondekens voor te werpen, "en naar dienzelfden zetregel moestenook zijn jongeren handelen in hun eerste apostO' laat. Alles blijft bij Jezus Joodsch. Zijn moeder was een Jodin. Joden waren zijn apostelen Joodsche vrouwen hebben hem gediend van haar goederen. Onder Joden heeft Jezus èn de dertig jaren van zijn verborgenheid in Nazareth èn' de drie jaren van zijn openbare leven verkeerd. Een Jood was zijnvoorlooper, en uit de Joden waren de eerste bekeerlingen, de honderdtwintig die op den Pinksterdag in de Opperzaal saamkwamen. In geheel Jezus' verschijning is 't al van Joodschen oorsprong, en met opzet bezigen we hier het woord Joodsch, en niet Israelietisch, daar Jezus zelf er nadruk op lei, dat de zaligheid uit de Joden was. Al kan men dan ook tot op zekere hoogte zeggen, dat de eerste uitzending der Twaalven een proefzending was, ze was daarom niet minder ernstig bedoeld. Ze vormde een oamisbaren schakel in Jezus optreden. Ze was de grondlegging van de zichtbare kerk onder de Joden. Niet heimelijk, geheel in het openbaar veeleer moest dezï zending, naar Jezus bevel, toegaan. Bekleed met het gezag van Jezus' Koninklijke gezanten, moesten zt zich in stad na stad en in vlek na vlek aanmelden, twaalf in getal, naar het getal van de stammen van Israel. Als zijn gezanten was elke stad en elk vlek verplicht en gehouden hen te eeren, hun gehoor te verleenen, en hen te herbergen. Ontving men hen niet, dan bracht dat over zulk een stad of over zulk een vlek een beslissend oordeel. Zij moesten dan het stof van hun voeten tegen zulk een oord afschudden, en hiermee over zulk een plaats een oordeel brengen, erger en harder dan eens over Sodom en Gomorrha was uitgegaan. En zie maar, hoe niet lang daarna verreweg de meeste steden en vlekken in Palestina radicaal zijn verwoest. Strijd zou de discipelen daarbij wachten. Als onder wolven zouden ze uitgaan. Maar hoog zou, mits ze trouw stonden, onder dat alles hun gezag blijven. Ze zouden Jezus zelven vertegenwoordigen. Wie hen ontving, zou als 't ware Jezus zelf ontvangen. En wie hun ook maar een beker koud waters bood, zou, om hun hooge geestelijke positie als afgezanten van Jezus, een eeuwig loon inoogsten.
Ook over dit alles leest men gemeenlijk veel te licht heen. Immers voor de stichting der zichtbare Kerk op aarde was ook deze eerste uitzending van hooge beteekenis, en toen kort na den grooten Pinksterdag, duizenden en duizenden als volgelingen van Jezus geopenbaard werden en zich lieten doopen, is de vrucht van deze zending aan het licht getreden. Maar toch is Jezus voortgegaan met ook vóór den Pinksterdag dez; indienststelling van zrjn discipelen steeds meer te bevestigen. Vooral het gebeurde op den weg van Caesarea Philippi naar den Thabor, komt hier in aanmerking. Toen toch sprak Jezus niet alleen zijn eigen plan en voornemen, om een gemeente te bouwen, met zoovele woorden voor hen uit, maar tegelijk kondigde hij 't zijn jongeren aan, dat hij hun geven zou „de .sleutelen van het Koninkrijk der hemelen." Een wel beeldspreukige, maar niettemin zeer stellige verklaring omtrent de macht en het gezag, waarmee hij zijn apostelen in de zichtbare Kerk bekleeden zou. Het oud geding wat de petra was, waarop Jezus zijn Kerk zou bouwen, kan hier blijven rusten, maar niet is weg te cijferen, dat Jezus hier verklaart, aan zrjn toekomstige apostelen een zeer reëele geestelijke macht in en over zijn Kerk te zullen verleenen. Immers wat zij binden zouden op aarde, zou in den hemel gebonden wezen, en wat zij ontbinden zouden op aarde, zou ontbonden wezen in den hemel. Een gezag en macht over de zichtbare Kerk, als zich alleen laat verklaren door een gestadige en gedurige inwerking, in hun ambtelijke, eenheid als apostelen, van den Heiligen Geest. Niet aan Petrus alleen wordt deze macht toegezegd, maar aan de apostelen saam, en al is Petrus de Rotsman, die telkens het klaarst uitkomt, toch concentreert zich Jezus toezegging zoo weinig in hem persoonlijk, dat Jezus terstond daarna dienzelfden Petrus moet toeroepen: „Satanas, ga achter mij, want gij verzint niet de dingen, die Godes, maar die des menschen zijn.”
Dit groote apostolaat, niet onder Israel, maar met het oog op de wereld, werd intusschen toen nog niet verleend, maar slechts aangekondigd. Jezus zei niet: „Ik geef u de sleutelen des hemelröks, " maar ik zal ze u geven, en dit is na zijn opstanding geschied. Toen sprak Jezus tot hen: „Gaat henen in de geheele wereld en predikt het Evangelie aan alle creaturen, " of, gelijk een andere lezing zegt: „Gaat henen, onderwijst alle volken." Plechtiglijk sprak Jezus toen tot hen: „Vrede zij ulieden! Gelijkerwijs mij de Vader gezonden heeft, zoo zende ik ook ulieden, " Toen blies hij op hen, en zeide: „Ontvangt den Heiligen Gees, " en hierbij volgde nu terstond de groote geestelijke machtsverleening: „Zoo gij iemands zonden vergeeft, dien worden ze vergeven; zoo gij iemands zonde houdt, dien zijn ze gehouden, " En wel was Petrus door zijn drievoudige verloochening eerst achteruit gezet, maar bij de zee van Tiberias is ook hij in eere hersteld, en is hem het: „Weid mijne iammeren, hoed mijne schapen, " opnieuw door Jezus betuigd.
Voeg hier nu bij het herstel van het Twaalftal, dat door Judas'schrikkelijke zonde, op het elftal was teruggebracht, eerst door de aanstelling van Matthias, maar straks heel anders op den weg van Damascus door de roeping van Saulus, — en ook hierin treedt de uitvoering van een vast begrensd plan opnieuw aan het licht. Voor de onzichtbare Kerk in het mystieke Lichaam zou dat herstel van een geschonden aantal geen beteekenis hebben, maar voor de zichtbare Kerk heeft het dit wel. In het zichtbare komt het ook op nauwkeurigheid in den vorm van optreden aan. Hoe nu deze openbare wording van de Kerk als zichtbare Kerk toe zou gaan, had Jezus reeds vóór Gethsemané aan zijn jongeren aangekondigd: De Trooster, de Heilige Geest, zou komen, en die zou hen alles indachtig maken, wat Jezus hun gezegd had". Veel kon Jezus hun nu nog niet zeggen, maar de Geest zou hen in de waarheid leiden. Hij zou het uit het zijne nemen en het hun verkondigen. En vlak vóór de hemelvaart betuigt Jezus het hun nogmaals: „Gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, die over u komen zal", en gedragen en geleid door die kracht, zouden z'ij zijn openlijke getuigen zijn, zoo te Jeruzalem, als in geheel Judea en Samaria, en tot aan het uiterste der aarde, terwijl in het hoogepriesterlijk gebed Jezus niet alleen voor hen gebeden had, maar ook voor degenen, die door hun woord in Hem gelooven zouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 4 oktober 1908
De Heraut | 4 Pagina's