Vereenigingsleven.
IETS OVER HET VROUWENVRAAGSTUK.
De oude en telkens weer nieuwe quaestie van de positie der vrouw in het maatschappelijk leven is er eene, die cog wel lang de gemoederen, ook in Christelijke klingen, in beweging zal houden en de noodige btlargstelling zal ondervinden.
Een eigenaardig verschijnsel is het toch, dat, als er ergens een vergadering gehouden wordt, waarin dat vraagstuk wordt besproken, er meer belangstelling en een grootere opkomst is, dan wanneer welk ander onderwerp ook behscdeld woidt.
Dit feit valt trouwens al heel gemakkelijk te verklaren voor wie de oogen niet sluit voor den invloed van de machtige aantrekkingskracht, welke het mannelijk en het vrouwelijk geslsscht in de gewone samenleving op elkaar uitoefenen, en voor den invloed, dien de vrouwen, hetzij direct of indirect, op den gang van allerlei zaken in het maatschappelijk leven hebben.
Het zou dwaasheid zijn, te ontkennen, dat de vrouw, zelfs in die vereenigingen waartoe zij niet als hd wordt toegelaten, in tal van gevallen grooter invloed uhotfent, dan de mannen, wanneer ze bij elkaar zitten en de zaken bespreken en regelen, voor zich zelf en voor elkaar wel zouden willen weten, als men er hun naar vroeg.
Tegen dien indirecten invloed heeft catuurlijk niemand bezwaar, en iedere vrouw is zelfs geroepen, in dien zin een zoo groot mogelijken invloed ten goede aan te wenden.
Vele mannen meenen echter, dat het daarbij dan ook moet blijven, en dat ieder publiek optreden van de vrouw, zelfs haar optreden als stemhebbend lid eener Christelijke vereeniging, achterwege moet blijven,
Oas Christelijk vereenigingsleven komt uit den aard der zaak met die aangelegenheid telkens in aanraking.
Neem bijvoorbeeld maar onze politieke vereenigingen, die staan voor de vraag, of aan een vrouw politiek stemrecht mag toegekend worden ; of zij in politieke vergaderingen het woord mag voeren ; of zij — want ook dat wordt vaak in twijfel getrokken — eigenlijk wel goed doet, door het bijwonen eener politieke vergadering haar belangstelling in de publieke zaak te doen blijken.
Maar ook in tal van andere vereenigingen hebt ge hetzelfde.
Stel, ge wilt een nieuwe Christelijke school bouwen en richt eene vereeniging op, die de zaken, die school betreffende, zal behartigen. Dan komt ge, zooals van zelf spreekt, vaak om geldelijke bijdragen terecht bij tal van Christenvrouwen, die voor het Christelijk onderwijs veelal nog een warmer hart hebben dan de mannen.
Zult ge nu die vrouwen op grond van hare geldelijke bijdrage, en op grond van haar volkomen instemming met doel en grondslag der vereeniging, als Ud toelaten; en zoo ja, zult ge haar dan ook stemrecht toekennen, actieve en passieve kiesbevoegdheid, zóo dat ze ook tot bestuurslid, ja zelfs tot presidente kan gekozen worden ?
Al die vragen worden door talloos vele Christenen ontkennend beantwoord.
Vraagt ge wiarom, dan kunnen ze dat veelal niet zoo precies zeggen, en komt het er vaak op neer, dat ze een zoodanig optreden der vrouw beschouwen als een nieuwigheid in Christelijken kring; een nieuwigheid, tegenover welke men het noodige wantrouwen moet in acht nemen. Dan drijft men op het Christelijk gevoel, dat gewend is aan het innemen van een bescheiden plaats door de vrouw.
Soms echter komt men met het argument, dat de Bijbel leert, dat de vrouw in de gemeente zal zwijgen, en dat zij dus ook niet publiek heeft optetreden in allerlei Cbristelijke vereenigingen, die nauw met de Kerk verband houden.
Nu is er natuurlijk niemand in onze positief-Christelijke kringen, die niet zou erkennen, dat, als Gods Woord spreekt en zegt, dat de Ivrouw in de Gemeente heeft te zwijgen, de zaak voor dat terrein ten eeneumale is uitgemaakt.
Maar dat hetzelfde verbod nu ook zou gelden voor al wat direct of indirect met de Kerk verband hcudt, zoo b, v. ook voor den arbeid van het Christelijk onderwijs, dat de kinderen der Gemeente opvoedt, volgt daaruit nog niet.
Trouwens, ware dat wel het geval en volgde uit den tekst, die van het zwijgen in de gemeente spreekt, dat ook in onze Christelijke vereenigingen de vrouwen het zwijgen hebben te betrachten, dan zou daarmee tevens uitgemaakt zijn, dat de vrouwen zich niet zelve in een vereeniging zouden mogen organiseeien, alsb.v. in een jongedochtersvereeniging etc, en zeer zeker, dat zij daar haar eigen zaken niet zouden mogen beredderen, maar daarvoor de hulp van den man zouden hebben interoepen, om zich dan onder zijn leiding te stellen.
Daar deokt evenwel niemand aan. Alleen maakt men er maar van, dat de vrouw moet zwijgen in vereenigingen, waar de man ook zitting in heeft.
Dat daarmee de zaak echter niet beslist is, blijkt wel duidelijk daaruit, dat, hoewel niemand bezwaar maakt tegen het optreden van de vrouw in een vergadering van enkel vrouwen, — zooals we zeiden b.v. in een meisjes vereeniging—, ieder er dadelijk tegen op zou komen, als een vrouw als predikante enkel voor vrouwen optrad.
De zaak is dan ook deze, dat men hier niet te doen heeft met iets, waaromtrent Gods Woord — met uitzondering dan van het ééne bepaalde geval betreffende de gemeente van Christus — geen bepaalden, klaar geformuleerden regel geeft.
Allerminst is het nu de bedoeling, in deze rubriek „Vereenigingsleven" eens vast te stellen, welke de positie der vrouw in onze Christelijke vereenigingen behoort te zijn. Het is toch een zeer moeilijke, ja onmogelijke zaak, uittemaken, in welke vereenigingen de vrouw niet en in welke zij wel als gewoon lid, dus stemhebbend, en als bestuurslid, dus leidend, mag optreden, Dat hebben de vwesnigingen in ieder bijzonder
geval zelf uittemaken, en daarbij natuurlijk wel ter dege rekening te houden met de algemeene Lginselen, die ook te dezen opzichte door God in Zijn Woord zijn neergelegd, en^van «elke er zeer zeker één is, dat de vrouw een plaats der stilheid en der bescheidenheid heeft in te nemen.
Voor lichtvaardigheid in deze zaak moet gewaarschuwd worden, opdat de vrouw met haar eigenaardige gaven en talenten niet geweerd „orde van een arbeid, waarin zij wellicht uiterst nuttig werkzaam zou kunnen zijn, en opdat men niet kome tot dezen wonderlijken toestand, (Jat eenerzijds de vrouw van het lidmaatEchap, of althans van het stemrecht wordt mtg«sloteu, en dat anderzijds — zooals ieder oogenblik op het terrein van onzen Christelijken atbeid gejJg^, t _ wel haar hulp wordt ingeroepen voor het inzamelen van gelden, die de vereenigingeo voor baren arbeid coodig hebben.
Alle lichtvaardigheid moet worden gemeden. Er behoort klare bewustheid te zijn, waarom men van deze of gene vereecigiog de vrouw uitsluit of haar slechts beperkte rechten toekent.
De uitsluiting der vrouw van het predikambt beiust geheel alleen op Gods Woord. Dat is beslissend, al zou men daaina, ast ook nog heel wat argumenten voor die uitsluiting kunnen aanvoeren.
Neemt men het terrein der póhtie, dan kan men de uitsluiting der vrcuw verdec'igen op orondêD, ontleend aan den algemeen vrouweiijken aanleg, die niet berekend is voor handhaving van recht en wet, waarvoor de vrouw niet de noodige liefde heelt, terwijl het leven ons leert, dat de aanraking met het maatschappelijk kwade, waartpe de politiedienst noodzaakt, op de vrouw gemakkelijker en dan ook erger invloed ten kwade heeft, dan op den man, die meer dan de vrouw in staat is, de zaken objectief te behandelen.
In die lijn voortgaande, kan ook voor iedere vereeniging bij zonderlijk uitgemaakt worden, of de arbeid, waarvoor de vrouw zich beschikbaar wil stellen, en het optreden, waartoe zij zich opmaakt, haar verboden worden door Gods Woord, direct of indirect, of krachtens haar vrouwelijken aanleg ongeschikt voor haar zijn.
De zaak zóó beschouwende, zal men ten opzichte van velerlei vereenigingen erbij blijven, dat de vrouw zich op den achtergrond heeft te houden, maar zal men ook — daar valt niet aan te twijfelen — in vele gevallen tot een andere conclusie komen dan waartoe men tot dusverre uit kracht der gewoonte, uit sleur, kwam.
Maar tot welke conclusie men ook kome, - dat moet iedere scuvereme kring zelf uit maken —, zeker zal men, als de zaak zóó wordt bezien, deze winste behalen, dat men weet, wat men doet en waarom men het {ioet.
Waar de vrou wet quaestie zooveel stof opjaagt in onzen tijd, en zich ook aan onze vereenigingen zoo telkens opdringt, gaat het niet aan, nu n.aar te zeggen, dat het bij ons van ouds'aer gewoonte geweest is, dat de vrouwen uit vergaderingen hadden weg te blijvenof er minstens hadden te zwijgen, maar moet er zijn een kUre bewustheid, waarom men zoo en niet anders doet, dan men doet.
Tot het zich duidelijk rekenschap geven van djn doen en laten in deze te komje, is zeer zeker des Christens roeping.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 1 november 1908
De Heraut | 4 Pagina's