Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ook het tweede referaat,

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ook het tweede referaat,

7 minuten leestijd

Ook het tweede referaat, dat op den Schooldag te Kampen werd gehouden door Dr. G. Keizer, predikant te Tiel, behandelde een zeer actueele quaestie. Het ging over de Verhouding van Kerk en Staat in verband met art. 171 der Grondwet. Dr. Keizer heeft dit referaat uitgewerkt tot een lijvige brochure van 82 bladzijden, die in druk verscheen bij den bekenden uitgever J. H. Kok te Kampen. Metterdaad zal, wie deze brochure leest, en ze verdient dit ten volle, getroffen worden door den rijkdom van historisch materiaal, die hier verwerkt is, en de principiëele beschouwing, die hier op grond van dit historisch materiaal wordt opgebouwd. Onder de geschriften over dit onderwerp zal deze brochure van Dr. Keizer een blgvende waarde behouden. En het is ons geen geringe oorzaak van blijdschap, dat een schrijver, die zoo nauwgezet deze zaak onderzocht heeft, in hoofdzaak tot dezelfde resultaten kwam als wij.

Mogen we als proeve van betoogtrant hier overnemen, wat Dr. Keizer schrijft over het principiëele vraagstuk van Scheiding tusschen Staat en Kerk:

Mij rest derhalve nog om te bewijzen, dat onze eisch van scheiding tusschen Kerk en Staat rust op de Heilige Schrift. Waarlijk een wondere zaak! De vroegere godgeleerden, te beginnen bij Calvijn en voorts over de lijn van Beza, Bogerman, Maresius enz. betoogden allen op grond van Gods Woord, dat het verband dat door hen gelegd werd tusschen Kerk en Staat, rustte op de Schrift; de bewijsplaatsen daarvoor bijgebracht door de dogmatici en vele Cathechismus uitleggers zijn zoo bekend, dat ik die niet zal noemen. Én des te moeielijker wordt de zaak, omdat de gereformeerde vaderen, wederom op grond van Gods Woord en met heilige jaloerscheid wakende voor de rech ten der Kerk, zich verzetten tegen de opvatting over de verhouding van Kerk en Staat, gehul digd door de Zwinglianen, Erastianen en Re monstranten, en tegen de praktijk die heerschte in Luthersche landen. Eenerzijds dus handhaafden zij de rechten van de Kerk, die beschermende tegen alle Byzantisme, doch ander zijds bevreesd voor de dooperscbe excessen, g handhaafden zij toch een verband, dat door g ons kwalijk meer kan verdedigd. Een verband l noodig geacht vanwege de praktijk des levens. d Neen, zeggen onze tegenstanders onder de gere­ a formeerde broederen, uw eisch van een nieuwe verhouding tusschen Kerk en Staat is geboren s uit de praktijk. Mijn antwoord is, dat ik stellig geloof dat de ontwikkeling van klaarder begin, selen in menig stuk in de eerste instantie te danken is aan veranderde levensomstandigheden, Aan de groote beroeringen der eerste eeuwen van Cbristus' kerk is de formuleenng en het klaar en helder worden der onderscheiden dog. mata te danken. Uit de wrijving der gedachten vlamt de waarheid helder op.

Onze vaderen beriepen zich voor de verhouding van Keik en Staat zeer veel op die welke onder Israël tusschen beiden bestond. Want het is onjuist te beweren, dat onder Israël Kerk en Staat één waren. Beide waren in wetten, instellingeo, amb'en, ambtsdragers, en ten deeïe zelfs in leden duidelijk van elkaar onderscheiden. Doch in Israël is het beeld voor onze verhouding niet te vinden. De theocratische rcchtsbedeeling en wetgeving van Israel, kan niet zonder meer voor de Christelijke O/erheid io onze dagen ten regel worden gesteld, omdat daardoor de grens zou worden uitgewischt, die Oud-en Nieuw verbond scheidt. De eeuwige beginselen voor beider verhouding zijn niet te vinden door eenvoudig zich te beroepen op een wet of voorbeeld van Israels geschiedenis, wan. neer-daarbij geen rekening wordt gehouden met het principieel onderscheid, dat Israel's theocratie van de Nieuw Testamentische bedeeling scheidt. Ojk Calvijn is niet aan deze f out omkomen, en daarom bestond er zoo gereede aanleiding om te spreken van: de Theocratie onder Calvijn te Genève.

De moeilijkheid schuilt toch hierin, dat God de Heere voor deze verhouding onder de Nieuiv-Testamentische gemeente geen klaar en uitgedrukt bevel heeft gegeven. De oplossing kan dan ook naar mijn overtuiging alleen gevonden worden, doordat men acht geve op de beginselen, die in Gods Woord gegeven zijn voor het onderscheiden terrein van Kerk en Staat. Doch het is het werk der Godgeleerden, der dogmatici, om, winste doende met den exegetiscaen en historischen arbeid der Godgeleerden, de beginselen uiteen te zetten voor de regeering en het leven der Kerk. Zij hebben die te zoeken uit de Schrift, de stof, daar geboden, dogmatisch te verwerken. Allerlei omstandigheden, veranderde omstandigheden voor het leven van Staat en Kerk kunnen naar Gods voorzienig bestel de aanleiding zijn voor zulk een dogmatischen arbeid. Ook Christen-Staatslieden, winste doende met de kennis der Godgeleerden, kunnen nu voor den Staat de beginselen aangeven, waardoor van die zijde de verhouding tusschen Kerk en Staat bepaald wordt. En wanneer nu die beginselen uiteengezet worden, dan smale men niet met te zeggen, zij zijn uitgedacht voor de gedienstigheid der praktijk, want zoo zou men heel de voorzienige leiding Gods wegredeneeren bij de inleiding des Heiligen Geestes in de Schrift. De Christen-Staatsman en Godgeleerde y, \\ hebben bij het licht des Geestes uit de Schrift de beginselen op te diepen, waarnaar beider verhouding dient geregeld te worden.

Zeer verwarrend heeft in de nadere bepaling vaa de verhouding tusschen de Kerk en de 0/erheid gewerkt, dat men zich daartoe immer beriep op het Oude-Testament. Zoo deed men in de Oude Christelijke Kerk, zoo deed Calvijn en zoo deden na hem allen die in dezen Calvinistisch wilden denken en handelen. Men behoeft de vroegere Catechismus-verklaringen op Zondag XXXVIII maar eens na te lezen. Men beriep zich daarom alleen op het O. T., omdat het N. T. niet gaf, wat men daaromtent verlangde. Want in geheel het Nieuwe Testament kcmt niet één enkele uitspraak voor, die omtrent de verhouding van Staat en Kerk rechtstreeks uitsluitsel geeft. Deze verhouding komt nergens rechtstreeks in het N. T. aan de orde. Zij volgt wtl uit de beginselen die het N.euwe Testament oi-s predikt en toelicht, maar de afleiding uit dia beginselen en hun toepassing, zoo dikwijls zij met elkander in aanraking komen, ontbreekt en wordt aan ons overgelaten. In gansch deN. T. Schrift is noch van Jezus, noch van een van zijn Apostelen ook maar één enkele uitspraak opgeteekend, die rechtstreeks en in bepaalden vorm den plicht der Overheid jegens de Kerken voorschrijft. Wel wordt den Christenen gezegd, hoe zij zich jegens de Overheid te gedragen hebben, maar noch de Heiland, noch zijne Apostelen hebben ons eenig woord nagelaten waarin aan de Overheid gezegd wordt hoe zij zich jegens de kerk heeft te gedragen. Juist omdat het N. T. zweeg, zijn zoovelen heengegaan en hebben aanvulling gezocht in het O. T, Maar Israels volkstoestand kan ons den wille Gods omtrent de verhouding van Staat en Kerk niet openbaren. Wat in Israel bestond, hetzij voor hetzij na de ballingschap, kan hier geen wet of regel stellen, zelfs kan het ons niet ten voorbeeld strekken. Zoo volgt dan hieruit, dat wij de door God gewilde verhouding van Staat en Kerk niet anders dan uit de leidende beginselen kunnen te weten komen, die door de Heilige Schrift èn voor de Oveiheid èa voor de Kerk buiten twijfel zijn gesteld.

Wij komen dan tot de slotsom, dat in de Schrift niets wordt gevonden dat wijst op een nauwe verhouding van Staat en Kerk; veeleer worden in het N. T. de sfeer der Overheid en de sfeer der institutaire Kerk, als twee in aard, karakter, bestaanswijs en doel geheel onderscheiden sferen voorgesteld. De Heiland zeide zoo klaar tot Pilatus: „Mijn Koninkrijk is niet van deze wereld. Indien mijn Koninkrijk van deze wereld ware, zoo zouden mijne jongeren voor mij gestreden hebben, maar nu is mijn Koninkrijk niet van hier." Ja integendeel, ons wordt, duidelijk gezegd dat wij niet veel van de Overheid hebben te wachten, zij zal de ware belijders van Christus Kerk vervolgen. Ik zou de rectorale oratie van Prof. van Veen „de christelijke kerk en de machthebbers der wereld" een breede commentaar willen noemen op deze voorspelling van den Heiland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Ook het tweede referaat,

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1908

De Heraut | 4 Pagina's