Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Ia afwachting van de verschijning

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Ia afwachting van de verschijning

8 minuten leestijd

Ia afwachting van de verschijning der Acta van de jongste Synode mag wel op een punt de ernstige aandacht gevestigd worden, omdat het voor ons kerkelijk leven van zoo hoog belang is.

Het geldt de vraag van den doop onzer jonge kinderen.

In het bekende rapport, door Prof. Bavinck en Rutgers op de Synode te Middelburg ingediend en door de Synode te Groningen goedgekeurd, waarin gehandeld werd over de tucht over doopleden, werd terecht opge merkt, dat het zoogenaamde stelsel van „doopleden" in een Gereformeerde Kerk contrabande is. Wie door den doop in de Kerk is ingelijfd, behoort, op volwassen leeftijd gekomen, door openbare belijdenis des geloofs tot de volle gemeenschap der Kerk toe te treden. En wie, na tot jaren des onderscheids te zijn gekomen, constant weigert de belijdenis des geloofs af te leggen, kan op den duur niet als „dooplid" der Kerk erkend worden. Toestanden, zooais men met name in het Noorden van ons land vindt, dat mannen en vrouwen tot hun dood toe weigeren belijdenis des geloofs af te leggen, en toch als lid der Kerk willen beschouwd worden, zijn met elk gezond kerkbegrip in strijd. De kinderen der geloovigen, die zelf nog geen belijdenis des geloofs kunnen afleggen, mogen op grond van de belofte des Verbonds aan de ouders en hun zaad gedaan, door ëe Kerk als leden der Kerk worden beschouwd en door den doop in de Kerk worden ingelijfd; maar dat geschiedt altoos in de onderstelling, dat deze kinderen werkelijk een zaad des Verbonds zijn en daarom bij het opwassen ook openlijk hun geloof zuilen belijden. Maar als die belijdenis uitblijft en ze daardoor toonen geen „geloovigen" te zijn, mag de Kerk ze op den duur niet als „geloovigen" beschou wen. Oirer het hart kan de Kerk niet oordeelen; ze gaat af op de belijdenis en den wandel. En waar de belijdenis ontbreekt of de wandel onchristelijk is, moet daarom de Kerk wel een grens stellen, waarop ze deze „doopleden" niet langer als leden der Kerk kan erkennen. Dat is de grondgedachte van het rapport over de doopleden, dat door onze Kerk is goed gekeurd.

Gelijk wel var zelf spreekt, en door de Synode ook uitdrukkelijk verklaard is, dient bij de toepassing van dezen regel veel voorzichtigheid gebruikt te worden. Dat in de Noordelijke deelen van ons land zoovelen de openbare belijdenis des geloofs uitstellen, is vaak niet, omdat deze doopleden niet met hartelijke liefde de Kerk van Christus liefhebben, maar omdat ze nog opzien tegen de toetreding tot het Avondmaal. Ze weten, dat wie belijdenis des geloofs aflegt, ook ten Avondmaal be hoort te komen, en juist omdat de volle vrijmoedigheid hun nog ontbreekt, om ten Avondmaal te gaan, wordt de belijdenis des geloofs van jaar tot jaar uitgesteld Op hun Christelijken wandel valt dan niets aan te merken; ze gaan geregeld ter Kerk, zenden hun kinderen naar de Christelijke school, dragen trouw bij voor de armenen de kerk, gaan in het huisgezin voor in gebed en lezing der Schrift. Bij huisbezoek merkt ge van eenigen twijfel of ongeloof aan Gods Woord niets; veeleer maken ze vaak den indruk van werkelijk levende lidmaten van Christus te zijn. En de moeilijkheid zit alleen hierin, dat hun nog de volle verzekerdheid des geloofs ontbreekt en Z3 daarom nog geen openbare belijdenis des geloofs durven afleggen.

Al schuilt hierin een misstand, toch kan deze niet door hardhandige kerkrechtelijke maatregelen worden overwonnen. De schuld ligt ook bij hen niet alleen, maar is vaak voor een niet gering deel te wijten aan allerlei verkeerde opvattingen omtrent het geloof, de toetreding tot het Avondmaal, enz. die van geslacht tot geslacht zijn overgeërfd en in zulk een streek de heele publieke opinie beheerschen. Het is daarom veeleer de taak van den Dienaar des Woords, door de prediking en de catechisatie deze onjuiste denkbeelden te bestrijden en daardoor een andere overtuiging te wekken. Eerst als die arbeid vooraf is gegaan en allengs het Woord Gods weer klem op de conscientie heelt gekregen, kan de tijd komen, om degenen, die dan toch volharden in hun verkeerden weg, aan te zeggen, dat de Kerk ze dan ook niet langer als doopleden beschouwen kan of mag.

Nu doet zich echter in verschillende Kerken de vraag voor, hoe men te han' delen heeft met kinderen uit die zooge naamde doopleden geboren. Daar de ouders zelf geen belijdenis des geloofs heb ben afgelegd, kunnen ze bij den Doop niet optreden om de doopvragen te beantwoorden. Tegen het stellen van doopgetuigen heeft men bezwaar, omdat deze getuigen voor de Christelijke opvoeding van zulk een kind, naar men meent, geen genoegza men waarborg bieden. En daarom heeft men op tal van plaatsen in het Noorden besloten, dat kinderen van zulke doopleden dan maar ongedoopt moesten blijven tot tijd en wijle, dat de ouders tot belijdenis des geloofs willen komen.

Zoo vindt men gemeenten in ons land, waar thans reeds het getal der ongedoopte kinderen dat der gedoopten overtreft; waar, nïet één enkel kind uit een gansch onchristelijk gezin, maar tientallen van kinderen uit overigens christelijke gezinnen ongedoopt zijn. Naar men ons meedeelde, is er reeds een kerk, waar tengevolge van dezen maatregel meer dan honderd kinderen ongedoopt zgn gebleven. En aangezien deze ongedoopte kinderen toch de Christelijke school en de Catechisatie bezoeken, en straks belijdenis des geloofs willen doen, zal ten slotte in zulke gemeenten de kinderdoop allengs uitzondering worden en de volwassenen-doop regel.

Op de jongste Synode is naar aanleiding van een vraag over het getuigenstelsel deze misstand ter sprake gekomen, en de Synode heeft geen oogenblik geaarzeld daarover eensteihmig haar afkeuring uit te spreken. Hoeveel bezwaren ook aan het getuigenstelsel verbonden zijn, toch is deze uitweg zeker honderdmaal beter, dan dat men aan deze kinderea uit Christengezinnen den doop stelselmatig onthoudt.

De bedoeling van dezen maatregel is natuurlijk om de ouders te dwingen belijdenis des geloofs te doen. Zijn kinderen ongedoopt te moeten laten, is voor het ouderhart steeds een bittere beproeving.

Maar men vergeet hierbij tweeërlei. Vooreerst, dat deze strafmaatregel niet alleen de ouders, maar ook de kinderen zelf treft. Niet aan de ouders, maar aan hen wordt het teeken en zegel van het Genadeverbönd onthouden. En waar deze kinderen aan het gebrek hunner ouders geen schuld hebben, is reeds daarom deze maatregel onrechtvaardig. Maar ook spreekt het wel vanzelf, dat deze maatregel wel aanvankelijk als iets onaangenaams zal ondervonden worden, maar straks, als niet een of twee, maar tientallen van kinderen ongedoopt blijven en later zelfs de meerderheid van de kinderen der gemeente den doop niet ontvangt, dan gaat de „schande" van ongedoopt zijn er af en wordt het veeleer als de gewone en normale toestand beschouwd. De kinderdoop is dan een uitzondering, een privilegie voor enkele ouders; de gewone regel wordt dat het kind ongedoopt bljjft.

Reeds om deze beide oorzaken is deze maatregel niet doeltreffend, maar hij gaat ook, en dat ts voor ons het gewichtigste, beslist in tegen Gods Woord en de duidelijke uitspraken onzer Synoden. De vraag of een kind gedoopt mag worden, hangt hiervan af, of zulk een kind geboren is in het Genadeverbond. Zoo ja, dan mag de Kerk den doop aan dat kind niet weigeren. Anders zondigt men tegen het woord van Christus: Laat de kinderkens tot Mrj komen, want derzulken is het Koninkrijk der hemelen.

Zoolang nu de Kerk de ouders nog erkent als leden der Kerk, zij het dan ook als doopleden, mag de Kerk ook de kinderen, uit deze ouders geboren, niet buiten het Koninkrijk Gods sluiten. Er is hief dus een tastbare inconsequentie. De ouders, die nog niet tot belijdenis des geloofs komen, durft men niet door de tucht afsnijden. In hen draagt men dit gebrek nog, omdat men ze toch voor geloovigen wil houden, En hun kinderen, die aan dit gebrek part noch deel hebben, sluit men buiten de Kerk van Christus!

Dit nu is een meer dan stuitende onrechtvaardigheid.

Meent men op afdoende gronden, dat het oogenblik gekomen is, zulke leden, die zich niet willen onderwerpen aan den eisch van Gods Woord, om openlijk Christus te belijden, ten slotte te moeten afsnijden van de gemeenschap der Kerk, dan kan daaruit ook volgen, dat men de kinderen derzulken niet meer als het „zaad der geloovigen" beschouwt en daarom hun den doop ontzegt. Maar zoolang men aarzelt dezen uitersten maatregel op de ouders toe te passen, heeft men ook het recht niet, de kinderen, uit zulke ouders geboren, als kinderen van ongeloovige|)^.te beschouwen. En alleen aan de kindereii der ongeloovigen mag de doop worden geweigerd.

Nu de Synode over deze zaak beslist uitspraak heeft gedaan, hopen we, dat in onze Kerken met deze verkeerde practijk zal gebroken worden. Het zal de taak van de meerdere vergaderingen zijn, om hierop wel toe te zien. Bij de kerkvisitatie kan navraag gedaan worden, of men aan het besluit der Synode zich houdt. En zbo hier of daar nog bezwaar mocht gemaakt worden, zal de Classis moeten trachten zulk een Kerkeraad tot betere inzichten te brengen.

Maar in geen geval mogen onze Kerken toelaten, dat de kinderen des Verbonds ongedoopt blijven.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1908

De Heraut | 4 Pagina's

Ia afwachting van de verschijning

Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1908

De Heraut | 4 Pagina's