„Verre van hun nieren”.
Gij hebt ze geplant, zij zijn ook ingeworteld, zij gaan voort, ook dragen zij vrucht; Gij zijt wel nabij in hunnen mond, maar verre van hunne nieren. Jeremia 12 : 2.
God de Heere „bouwde" wat Hij uit Adam genomen bad, op tot een vrouw. Het lichaam is iets dat „gebouwd' wordt. Ook de apostel zegt van het verheerlijkte lichaam, dat we na de opstanding ontvangen zullen, dat ve etn „gebouw van God" zullen hebben, en zelfs spreekt hij van „een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen". In den Prediker wordt deze vergelijking van ons lichaam met sen huis zelfs nog' verder voortgeiet, daar heeten onze armen „de wachters van dit huis", de twee beenen „de sterke mannen, die zich op den ouden dag krommen", worden onze oogen „de vensters" genoemd, waardoor we naar buiten zien, en de lippen „de twee deuren naar de straat", waardoor ons woord naar buiten uitgaat.
Het is zoo, ons lichaam komt uit een kiem oPi gelijk de plant; en van een plant kan niet gezegd, dat ze naar een bestek is opgebouwd, maar het beeld van den bouw heeft het voordeel, dat het ons in staat stelt, om ons innerlijk leven in klaarder beeld te brengen.
Dit voelt men terstond, als de nieren in de Scbrift in geestelijk gebruik worden gebezigd. Is dan de mond de deur van het huis, waardoor we gemeenschap met de buitenwereld hebben, en zijn de oogen de vensters waarmee we in
de wereld inzien, dan doet het geheel zich voor als een huis, een gebouw met drie verdiepingen: het hoofd, het hart en de nieren; iets wat ge ook zóó kondt zeggen, dat het hoofd de zolder, het hart de voorkamer is, en dat de nieren de
binnenkamers zijn. Nu komen de vreemden niet verder dan de voordeur, de vrienden worden in de voorkamer toegelaten, maar God dringt door tot de binnenkamer. Hij proeft het hart ïn de nieren. Zoo drukken de nieren het diepste in ons wezen uit. Als het verlangen gewoon is, dan verlangt het hart, maar als het verlangen sterker wotdt, dan roept de Psalmist uit: „Mijn nieren verlangen". Als alles in en om ons rust, gaat toch in de nieren de werkzaamheid voort, en heet het: „Des nachts onderwijzen mij mijne nieren". Wordt iemand diep innerlijk aangegrepen, dan heet het, „dat hij in zijn nieren geprikkeld werd". Als God ons zwaar bezoekt, zegtjeremia, dat „Zijn pijlen in onze nieren ingaan", en roept Job uit: „Hij heeft mijne nieren gespleten". En als er sprake is van dien ondergrond in ons leven, waarover we zelf zoo weinig meester zijn, dan belijdt de Psalmist: „Gij, o Heere, bezit mijne nieren”.
Zooais in een groot modern huis, onder in den kelder, diep ergens in de fundamenten, èa de eiectrische inrichting, èn het verwarmingstoestel, èn de watertoevoer is aangebracht, èn de levensvoorraden in magazijnen zijn afgesloten, zoodat 't alles in dit huis uit de kelders opkomt, zoo ook is het met de nieren in dit beeld. Ons hoofd denkt en overlegt, ons hart voelt en leeft in alles in, maar de persing van het leven, de gloed van het leven, de glans van het leven, de voeding van het leven, dit alles komt op uit den diepsten ondergrond van ons bestaan, en het is die diepe ondergrond, dien de Schrift ons gedurig in het beeld van de nieren aanduidt.
Aan een ontleedkundig onderzoek naar de functien van de nieren moet ge hierbij niet denken, maar alleen daaraan, dat ze nog dieper dan ons hait liggen. Zeker, ons hart klopt in alles mee, en het bloed stroomt er door, maar er moetin ons nog ie.s anders, nog iets diepers zijn, waar de drijfkracht voor dien stroom van het bloed uit opkomt; en omdat nu de nieren nóg dieper dan het hart liggen, worden naast het hart ook de nieren als beeld aangegrepen, en dan beteekenen onze nieren dat diepste in onze levensexistentie, dat voor ons is wat de wortel is voor de plant: dat verborgen deel van ons wezen, waarin ons dieper leven schuilt en waaruit de aandrift van alle levensuiting opkomt.
Dit geldt nu natuurlijk voor ieder mensch. Bij een ieder zijn lippen en oogen de deuren en vensters, die naar buiten gemeenschap geven. Ieder heeft een denkend hoofd, of althans een hoofd dat op denken is aangelegd. We hebben allen een hart, waarin het gevoel spreekt. Maar ook heeft ieder nog iets anders dat daar achter en nog dieper ligt, en waarin het eigenlijk mysterie van zijn persoon, van zijn ik, van zijn wezen schuilt.
Alleen traar, niet ieder leeft in heel zijn huis. Ook in het gewone leven is er meer dan éen, die nooit op zijn zolders en nooit in zijn kei ders komt, en weinig anders van zijn huis kent dan de eet-, woon-en slaapkamers. £n in dien zin nu spreekt de profeet ook van menschen, die verre van hun nieren zijn. Letterlijk zegt hij wel, dat God verre van hun nieren is, maar dit komt op 't zelfde uit, want dat beduidt niet, dat God hen niet kent, maar alleen dat zij in hun nieren God niet kennen.
Zoo zijn er ook andere menschen, die zelfs in bun hart niet thuis zijn, en van wie men zeggen kan, dat ze verre van hun hart leven. En zelfs zijn er niet weinigen, die zich aan alle nadenken ontwend hebben, en verre leven ook van hun hoofd. En goed is het dan eerst met u, zoo ge zeggen kunt, dat ge leeft dicht bij uw hoofd, zoo ge thuis zijt in uw hart, zoo ga vlak bij uw nieren leeft.
Laat tu ter zijde die nietsdoende levenverslijters, die nooit verder komen dan hun voordeur en hun vensterglas, en ten eenenmale vreemdeling in hun hart zijn, hun hoofd nooit gebruiken, en nauwelijks weten dat ze nieren hebben. Neem de meer gewone menschen, die wel waarlijk nadenken en hun hart werken laten, en ook in dat hart de conscientie laten spreken; maar hoevelen zijn en blijven er dan toch, bij wie het tot een dieper indringen in hun innerlijk leven nooit komt. Die wel voelen dat er iets in hun hart werkt, en bespeuren dat er gedachten in hun hoofd opkomen, maar die zich nooit rekenschap geven van den wortel waaruit dit alles opkomt, coch van de diepe bron, waaruit dit alles opwelt. Zooais de menschen het gas in hun kamer ontsteken, en het water uit de kraan laten loopen, zoi, der zich ooit af te vragen, waar de gasleiding is, waar de gasmeter staat, op wat punt gas en water in hun huis komt, en van waar dat gas en dat water worden aangevoerd, zoo ook leven, helaas, zoo ontzettend velen in oppervlakkigheid ten opzichte van hun innerlijk wezen. De diepere ondergrond van hun bestaan iaat hen onverschillig. Ze denken er niet over na. Ze stellen er nooit een onderzoek naar in. Daardoor ontbreekt het hun ten eenenmale aan zelfkennis. En van de diepere kennis van dien God, die in het diepste van hun leven en wezen op hen aandringt, merken of bespeuren ze niets.
Ge meikt dat het meest aan hun besef van zonde. Zeker, als ze in een bepaald geval overtreden, dan weten ze dit zeer goed, en het berouw begint in hun hart te spreken. Maar is er nu een dag lang niets voorgekomen, waarvan ze voelen dat ze eiia gezondigd hebben, dan voelen ze zich zulk een dag, alsof ze eigenlijk zonder zonde waren. Van een in zonde ontvangen en geboren zijn, van een wortel der zonde in hun innerlijk wezen, van een gif dat hen inwendig telkens aansteekt, van een zondige gesteldheid in hun verborgen wezen ontwaren ze niets. Dit alles gaat in hun nieren om, en zij leven van hun nieren verre.
En niet anders is het gelegen met hun af weten van wat God in hun verborgen zieleleven werkt. Als er van buiten een machtige roepstem tot hen komt, beluisteren ze daarin het roepen Gods. Nood en angst drijft hen naar God uit. Van een prediking kunnen ze genieten. In een gebed kunnen ze zich de ziel ontlasten. Maar dat er, afgezien van al dit uitwendige, ook een verborgen werk van hun God in den ondergrond van hun zieleleven plaats grijpt, en dat dit verborgen werk in hun nieren reeds begon toen ze neg, als jong kind, ter nauwer-Bood den naam van hun God leerden stamelen, daarvan bespeuren ze niets.
Onder onze goede Gereformeerde mannen en vrouwen is dit gemeenlijk iets beter. Geheel het Gereformeerde wezen toch leert ons al zulk voor lief nemen van het uitwendige wel af. Op alle punten dringt onze heerlijke belijdenis ons naar de diepte, naar het verborgen leven, naar het mysterie daarbinnen, naar wat nawerkt uit de geslachten, naar de kiemen die eerst later kunnen uitkomen, en naar het verborgen doen van de Almachtige genade in ons binnenste. Maar toch schieten ook zij in dit diepere leven nog veelszins te kort.
Dat woorden niet genoeg zijn, dat de daad het woord verzeilen moet, en dat woord en daad geestelijk één moeten zijn, verstaan ze wel; maar nu verder. Hel leven is zoo druk en leidt zoo af. Er is zooveel in huis te doen. Er is zooveel door de vensters te zien. Er is zooveel met het hoofd te stellen. Het hart klopt zoo rusteloos door, dat er zoo dikwijls geen rust en geen tijd overblijft, om heel ons geestelijk huis eens na te zien, heel ons geestelijk huis van stof te reinigen, en ons rekenschap te geven, hoe het toch in de verborgen hoeken van dit ons geestelijk huis ge steld is.
En toch, dit mag niet, en dit moet niet. Uw innerlijk, verborgen wezen, uw dieper leven mag u niet onverschillig laten. Een auder kan niet zoo diep in u doordringen, maar gij kunt het zelf wel. En degelijke zelfkennis, ze is tot geen anderen prijs te verwerven. Uw 'va.' nerlijk leven is veel intensiever dan uw uit wendige verschijning. Ook uw verborgen wezen is een kunstgewrocht van uw God, wel door zonde bedorven, maar ook nog in dat bederf zoo overwaard dat ge het tot op den diepsten bodem onderzoekt.
Zeker, ge moet ook gemeenschap met de wereld buiten u hebben. Uw vensters moeten helder zijn, om goed in die wereld in te kunnen zien en haar juist te leeren kennen. De deuren van uw huis moeten vlot openen, als ge door uw woord op die wereld wilt inwerken. Maar hoofdzaak blijft toch voor u, u zelf, uw eigen wezen, en dat wezen tot in zqn diepte te leeren kennen. Ge moogt niet verre van uw hart leven, maar ook zoolang ge nog ver van uw nieren leeft, blijft ge een vreemdeling juist in het meest belangrijk deel van uw eigen geeste lijk huis.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 15 november 1908
De Heraut | 4 Pagina's