Leestafel.
MR, T, DÏ VRIES. Mr. G. Groen van Prinsterer in zijne omgeving. Leiden A. W. Sijthoff's Uitgevérs-Mij. 1908.
Na zijn voortreffelijke Bibliograjie, waarop ik vroeger het genoegen had de aandacht te vestigen in De Heraut, heeft MR. T. DE VRIES thans dit tweede boek, dat op MR. GROKNVAN PRINSTERBR betrekking heeft, in het licht gegeven
Het is een boekdeel van 233 bladzijden, dat mèt de Bibliografie en de nog te verwachten Biografie en Omschrijving van Groen's beginselen éen geheel zal vormen, maar tegenover deze drie andere stukken toch ook een zekere zelfstandigheid heeft en daarom afzonderlijk verkrijgbaar is gesteld.
Van uit bet geheel bezien is ook dit tweede stuk, evenals het eerste, nog slechts vöór-arbeid. Het eigenlijke moet met de Levensbeschrijving en de Beginselenleer nog komen. Vóór arbeid; maar toch vóór-arbeid waaraan veel zorg en moeite is besteed; waarbij — en ik denk hier bepaald aan de talrijke reproducties van por tretten en schilderstukken — geen kosten gespaard zijn en die bij den schrijver getuigt van een liefde voor zijn onderwerp en een 'beheerschen van zijn stof welke, ook voor wat nog komen moet, goede verwachtbgen wekt.
Op den titel afgaande, zou men verwachten, dat dit tweede stuk, waarop ik thans de aandacht van de Herautltttxi vestig, ons Mr. G. Groen van Frinsterer in zijne omgeving zou bieden. Dit is echter niet zoo en'hct wil mij dan ook voorkomen, dat met: De omgeving van Mr. G. Groen van Frinsterer als titel, de inhoud beter zou gedekt zijn. Laat mij hier evenwel aan toevoegen, dat waar de Biografie nog komen moet, het te begrijpen is, dat wij in dit stuk van GROEN zelf nog niet veel te hoorcn krijgen.
De geachte schrijver dan geeft hier in LIII schetsjes van verschillenden omvang allerlei wat op MR. GROEN VAN FRINSTERER betrekking heeft.
Hij handelt daarin over GROKN'S familiewapen waarvan hij een afbeelding geeft; over diens geboortehuis te VOORBURG, het buitenverblijf VREUGDE KN RUST, nóg het eigendom der familieleden des heeren GROEN, en ook daarvan geeft hij een af oeelding in den tekst. Dan volgen twee schetsen van GROEN'S ouders mét portretteoeene van Dr. KAPPEIJNE VAN DE COPPELLO' zijn leermeester en vriend, evenzoo met een portret; en verder een korte beschrijving bij een reproductie van een portret van GROEN zelf uit 1823.
Het gaat niet aan, den inhoud van al die 53 schetsen hier afzonderlijk te vermelden. Men kan ze verdeelén in twee groepen, waarvan de eerste ge/ormd wordt door die waarin Mr. DE VRIES een beschrijving geeft van de verschillende huizen die de heer GROEN heeft bewoond. En zoo verhaalt hij dan, op zeer onderhoudende wijïe, allerlei bijzonderheden van het huis aan den KORTEN VIJVERBERG, in 1805 door GROKN'S vader aangekocht, sedert 1838 overgegaan op den zoon en door dezen tot zijn dood bewoond.
Msar, too vraagt DE VRIES, waar heeft GROEN na in 1828 te zijn getrouwd en één jaar in BRUSSEL te hebben gewoond, van 1829—1838 te 's HAGE zijn buis gehad? Tot dusver wist niemand der thans nog levenden onder GROEKS kennissen het te zeggen. Aan den speurzia \an Mr. DE VRIES, — onmisbare eigenschap voor 'n historicus, — is het nu gelakt op deze vraag het antwoord te vinden. De heer GROEN moet toen van '29—'32 hebben gewoond aan HET VooHHOUT iu een klein buisje, „waarin hij ongetwijfeld een goed deel van zijn eerste Nederlandsche gedachten heeft geschreven”.
Bleef nog over de vraag: waar GROEN dan van '32—'38 zijn huis heeft gehad. Ook dit nu heeft DE VniESuit brieven en registers opgediept, en is zoo gekomen tot de wetenschap van de niet onaardige bijzonderheid, dat dit tweede huis moet gestaan hebben op het PLEIN ter plaatse waar nu de Witte is, „zoodat", gelijk de geachte schrijver zegt, „daar, waar nu de leden van Nederland's grootste en meest schitterende Sociëteit hun gezellige uurtjes doorbrengen, eenmaal de leider der Anti-Revolutionaite pattij woonde en er o.a. zijn Beschouwingen over Staats en Volkenrecht schreef.”
Dan volgen schetsen van de twee buitenverblijven.
Van OuD-WASSENAAR, gedurende 25 jaren door den heer en mevrouw GROEN des zomers bewoond, en van BLANKENBURG, op niet meet dan tien minuten afstand van het eerstgenoemde buiten, en waar de familie nog eens gedurende 25 jaren, van 1846—1870, des zomers verblijf hield.
Ook bij de beschrijving van deze twee buitenplaatsen , moet men hulde brengen aan MR. DE VRIES' historischen zin.
Het huis van ÖUD WASSENAAR was in 1872 afgebroken. De kjeer DE VRIES wilde er voor zijn boek een afbeelding van hebben, — ook van GROEN'S andere huizen had hij ze — maar van zeer bevoegde zijde vernam hij, dat een afbeelding van dit huis niet meer te verkrijgen zon zijn.
Toen is hij zelf getogen naar Oud-Wassenaar, vergezeld door ALBERTUS VAN DEN BERG, „den ouden Bart*' zooals GROEN hem noemde, die gedurende 30 jaren den heer en mevrouw GHOEN had gediend, „tegelijk hun arbeider, hun geestverwant en vriend." Van dezen oud-gediende kreeg MR. DE VRIES toen vele bijzonderheden, die hij daarna in zijn boek heeft verwelkt, over het verblijf van de familie op haar buiten, te hooren. En doordat BART omtrent het huis allerlei aanwijzingen gaf en er ook een platten grond van teekende, is het MR. DE VRIES gelukt aan zijn hoofdstuk over: Groen's zomerverblijf Oud-Wassenaar ook een plaatje toetevoegen waarop het huis gereconstrueerd is.
De laatste schets van het boek handelt over Groen's graf monument. Het eenvoudig gedenkteeken van wit marmer, geplaatst eerst in 1884, nabij het graf van GROEN tegen den muur van het kleine kerkhof TER NAVOLGING aan den Ouden Scheveningschen Weg bij de Duinstraat, en waarvan, naar DE VRIES herinnert, de zorg is opgedragen aan de Vereeniging van Christelijke Onderwijzers in Nederland.
Het vermelden in het boek van al deze bijzonderheden zal aan velen, die van biografische kunst geen verstand hebben, wellicht de grootste dwaasheid toeschijnen; al die moeite om tot de kennis dezer bijzonderheden te komen, op éen na de grootste.
Wie echter weet hoe juist dergelijke bijzonderheden helpen kunnen, aan een levensbeschrijving tint en kleur te geven, zal ook dezen arbeid van MR. DE VRIES waardeeren; hem voor al de moeite, die hij zich gegeven heeft, dankbaar zijn en dit zijn doen lang niet dwaas achten.
„Al de schetsen in dit boekdeeltje vervat, groepeeren zich om Groen van Frinsterer" — zoo lees ik in het laatste, het 53e hoofdstuk.
Dit geldt metterdaad ook van de schetsen der tweede groep, van die — en zij vormen het grootste deel van den bundel — va, n de personen met wie GROEN op eenigerlei wijze is verbonden geweest.
Zoo, naar ik reeds mededeelde, van zijn ouders, zijn zusters en zijn vrouw, maar ook van zijn leermeesters KEMPER, V. D. FALM en B1LDERDIJK en van tal van andere mannen met wie GROEN, hetzij persoonlijk, hetzij zooals metBuBKE en STAHL door hun geschriften, aanraking heeft gehad. Ik bepaal mij hier slechts tot het noemen van enkele namen en wel die van DE CLERCQ en DA COSTA, J. A. WORMSER, O. G. HELDRING, BEETS, J. H. GUNNING, V. OTTERLOO, KEUCHE NIUS, AENEAS baron MACKAY, DR. KUÏPÏK, JHR. MR. DE SAVORNIN LOHMAN, MR. D. F. D. FABIUS en ook THORBECKE, „aan de academie met Groen bevriend, later als leider van bet Liberalisme, de groote tegenpartijder van Groen, den leider der Anti-Revolutionaire of Christelijk Historische partij.”
Over bet geheel is, wat ik zon willen noemen, deze prosopografie of persoonsbeschrijving vrij kort; het zijn „schetsen" in den letterlijken zin van het woord. Men ziet het sommige aan, dat het bekende woordenboek van v. D. AA bij haar samenstelling zijn diensten heeft bewezen; bij andere daarentegen is blijkbaar ook studie van de bronnen voorafgegaan. Maar men zou toch ook moeilijk kunnen eischen, dat de beer DE VRIES, bezig met een biografie van GROEK, nog een goede dertig anderej biografieën zou leveren.
Bovendien is het doel dat met deze schetsen DE VRIES zich heeft gesteld, voldoende bereikt.
Dat doel is tweeërlei.
Ie Moet deze prosopografie, evenals de beschrijving van GROEN'S woonplaatsen, straks de Biografie eenigszins bekorten en baar leziog vergemakkelijken.
2e. Moet deze prosopografie van hen, die Groen's omgeving vormden, belangstelling wekken
bij velen voor GROEN zelf en daarmee voor zijn Biografie.
Maar ook afgexien van dit tweeërlei doel heeft Mr. Groen van Prinsterer in zijne omge ving de niet geringe verdienste, van het jongere geslacht wat meer vertrouwd te maken met tal van personen, die op ons volksleven in den lateren en laatsten tijd invloed hebben gehad; iets waartoe dan het bij elke schets gevoegde portret zeker niet weinig zal bijdragen.
Gaarne breng ik hier nog een woord van lof aan MB. DE VRIES voor de waardeerende wijze waarop hij over THORBKCKE spreekf. De onpartijdigheid, die eerste vereischte in den historicus, doet hier weldadig aan.
Om dit boek van MR. DE VRIES rechtse beoordeelen, moet men zich rekenschap geven van het doel dat hij er zich mee heeft gesteld.
In een recensie van: Mr. G. Groen van Prinsterer in sij'n omgeving, kort na de verschij niog van dit boek gegeven, trof mij dan ook de ietwat zonderlinge opmerking, dat het zoo niets van een biografie had, maar eer een hagio grafie moest heeten. Dat wil dan zooveel zeggen, dat 't geen levensbeschrijving was, maar eer een heiligen beschrijving.
Die „heiligen" waren, als men tusschen de tegels der recensie doorlas, de anti-revolutionaire heiligen, een gezelschap waaronder dan toch THORBECKE b.v. een wel ecnigszins vreemd figuur maakte.
Blijkbaar had deze recensent zich geen rekenschap gegeven van het doel dat de schrijver zich met dit zijn boek heeft gesteld.
Maar de opmerking gaf mij ook omtrent, laat mij DU maar zeggen, de nauwkeurigheid] van dezen recensent, geen al te grooten dunk.
Op p. 3 van het boek toch staat te lezen:
„Een Bibliografie van Groen is er thans.
De Biografie is in bewerking.
Doch vóór de Biografie thans eerst een verlevendiging van Groens nagedachtenis in geheel anderen vorm; voor een veel ruimer kring van lezers, dan die van eèn lijvige Biografie en Bibliografie.”
Duidelijker kan het al niet.
Aan een Biografie heeft MB. DE VRIES met dit zijn boek zelfs niet gedacht.
Dit zijn boek is^niet meer dan een inleiding tot GROEN'S Biografie en voor deze inleiding zijn wij hem dankbaar.
Moge het hem gegeven zijn ook de Biografie, die, naar hij zelf schrijft: „nog eischt een ge ruimen tijd van onderzoek, veel hulp van anderen in het verzamelen van de noodige gegevens, veel rustige studie en kalme overdenking" — te voltooien. Onze dankbaarheid zal dan nog grooter zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1909
De Heraut | 4 Pagina's