Uit de Pers.
Nu er een nieuwe generatie komt, die de worsteling van 1886 niet persoonlijk heeft doorgemaakt, bestaat er wel gevaar, dat de beginselen, die toen den doorslag hebbeu gegeven, allengs in het vergeetboek komen.
In ons volksleven spreekt men nog altijd van de Hervormde Kerk als //; vaderlaudsche Kerk, de groote Kerk, de Kerk, die wettig de continuatie is van de aloude Gereformeerde Kerken, en worden de „Gereformeerde Kerken" van onzen tijd als een nieuwe Kerkstichting beschouwd, die eerst door de Separatie en Doleantie ontstaan is. Niet weinig wordt die dwaling in de hand gewerkt, doordat de Synodale organisatie in het bezit bleef van de oude Kerkgebouwen, pastorieën en andere eigendommen; voor het volk, dat zoo licht aan bet stofifelijke en uitwendige hangt, ligt daarin al mee een bewijs, dat de Hervormde Kerk toch wel waarlijk de „Kerk der Vaderen" is. En zulk een onjuiste voorstelling zet zich allengs zoo in het spraakgebruik vast, dat ook in onze eigen kringen ondoordacht, vooral door jongeren, die termen worden overgenomen.
Het is daarom goed, dat Ds. De Geus in de Friesche Kerkbode nog eens helder uiteenzette, waar de historische lijn loopt:
Wij onderstellen, dat het niet overbodig is, in deze dagen nog eens te herinneren, dat de historische kerkelijke lijn niet loopt door het Hervormd Kerkgenootschap, maar door onze Gereformeerde Kerken. Indien wij met deze pretentie niet mogen optreden, is het niet de moeite waard, dat wij ons zoeken te handhaven.
De zuivere kerkelijke lijn loopt niet door het Nederduitsch Hervormd Kerkgenootschap. In 1816 zijn de menseken wel gebleven, die zij waren; maar het instituut, dat hen maakte op onderscheidene plaatsen tot Gereformeerde Kerken, is als oude rommel opgeruimd, en in de plaats daarvan is gesteld een organisatie, een instituut, ganschelijk niet ïvan vreemde smetten vrij«, en waardoor het Koningschap van Christus in Zijn Kerk op zij werd gezet. Daarmede hield feitelijk op te bestaan de Gereformeerde Kerk der vaderen.
In 1816 bleven, al was het ook in droevig kleinen gestalte, wel de menschen van gereformeerde belijdenis bestaan. Wel bleven er zeer enkele getrouw predikende Bedienaren des Woords over. Wel bleef er een geestelijke gemeenschap tusschen die getrouwen. Maar vergaderingen van hen, die bogen onder het juk van Christus, waren de plaatselijke Kerken niet meer, omdat dat juk van Christus in de opfeelegde organisatie niet te vinden was Dat was opzettelijk weggelaten. Dat juk hinderde. Men kon dat juk uit de oude institueering niet wegnemen, zonder die institueering zelve te verbreken. Daarom ging bet heele oude instituut weg, en kwam er voor in de plaats »het staatscreatuur van Willem I, « In institutairen zin hadden de Gereformeerde Kerken opgehouden te bestaan.
Het zal altgd betreurd moeten worden, dat de Gereformeerde onderdanen van Koning Jezus in 1816 en 1817 niet naar h«n ambt, het ambt der geloovigen, hebben gehandeld. Daarin list tegen het toenmalig geslacht een ernstige aanklacht, die maar weinig verzwakt wordt door het bekende protest tegen de daad van Koning Willem I.
Ons tegenwoordig geslacht zal weldoen met zich goed in te prenten, dat sinds een eeuw het Hervormd Kerkgenootschap niet is de voortzetting van de oude Gereformeerde Kerken, in institutairen zin.
Is er dan geen zuivere voortzetting van die oude Kerken? Gode zij dank, die is er wel.
In 1834 begonnen velen zich af te scheiden. Er kwam een üuitgang uit de gemeenschap met het Nederlandsch Hervormd Kerkbestuur«, een »afscheiding van het Nederduitsch Hervormd Kerkgenootschapa. Om bij de Gereformeerde Kerk te blijven, braken onze vaders met het j> reglementair e; enootschap.« Deze actie van 1834 en volgende jaren is ruim 50 jaar later krachtig gevolgd door de »doleantiea, die hierin met de iafscheiding« overeenkwam, dat zij zich richtte tegen de iSynodale organisatie», tegen de anti-gereformeerde Kerkinrichting, en bedoelde de openbaring der Gereformeerde kerken van vóór 1816 in haar oud instituut naar de Kerkenordening van 1618/19.
Door Separatie en Doleantie zijn de Gereformeerde Kerken, die in 1816. al zou het zijn geweest met de beste bedoelingen, bedekt waren tot onher kenbaar wordens toe, weer openbaar geworden in hare oude beproefde instituten.
Wij houden tegen de Hervormden ons vaandel hoog, en roepen hun gerust toe: niet gij, maar wij zijn de voortzetting der oude Vaderlandsche Kerk. De historische lijn g> iat van deSynode van 1618/19 over de Synodes van onze Gereiormeerde Kerken in de 19de eeuw, maar niet over 1816, niet door het Hervormd Kerkgenootschap. Die historische lijn is na 1816 een tijdlang afgebroken geweest. Wat op staatkundig gebied in 1810 gebeurde, gebeurde in i8i6 in anderen vorm met de Gereformeerde Kerk. Maar gelijk' Nederland in 1813, zijn de Gereformeerde Kerken van vóór 1816 in de 19de eeuw voor het grootste deel bevrijd geworden en zetten haar bestaan voort in onze Gereformeerde Kerken.
Deze pretentie laten wij ons niet ontnemen, en moeten ook onze jonge menschen zich niet laten ontnemen, al loopen zij daardoor gevaar van gescholden te worden voor kerkisten. Alleen hebben wij toe te zien, dat wij ons recht zuiïer houden en geen rechtmatige aanleiding tot klachten geven.
Wij spreken het even luide uit, dat de Gereformeerde Kerken nog veel missen. Haar ontbreken nog zoovele broeders en zusters, die in de Hervormde gemeenten hun hals nog buigen onder het Synodale juk zonder het zondige en schandelijke daarvan te beseffen. Haar ontbreken nog zoovele andere broeders en zusters, die loopen op sectarische paden, maar die toch eigenliik bij ons behooren, terwijl zij zich uit onkunde of uit ongemotiveerd vooroordeel verre van ons houden. Haar ontbreken nog de goederen, die in 1816-zonder tegenspraak aan dat nieuwe instituut, genaamd het Nederduitsch Hervormd Kerkgenootschap, of aan de nieuwe instituten genaamd de Nederduitsch Hervormde gemeenten, zijn overgegaan. Deze goederen komen den Gereformeerden Kerken toe; en dat zeggen wij aan onze jonge menschen. Haar ontbreekt, BC et schaamte worde het beleden, een groot deel van den geloofsmoed en de energieke zelfopoffering, eens het deel der Nederlandsche Gereformeerde Kerken.
Hoe hoog wij dus onze pretentie ook houden, en hoe luide en hoe dankbaar wij spreken van de voortzetting van de historische lijn in onze Kerken, toch willen wij onze fouten niet miskennen, maar is het onze bede, dat wij ons voor den Heere steeds ernstiger mogen verootmoedigen.
Dat wij het voorvaderlijk erfgoed missen, kunnen wij niet helpen. Maar dat wij otza broeders, die buiten ons wonen, zoo weinig aantrekken, zoo weinig tot jaloerschheid verwekken; dat wij hen soms veeleer afstooten door ons onhebbelijk gekijf en door ons veelvuldig zoeken van persoonlijke eer: dat moet ons in 't aangezicht vliegen. Als wij elkander, op den bodem der belijdenis staande, nog niet met rust kunnen laten, hoe z^iUen dan anderen begeerig gemaakt worden om met ons samen te wonen ?
Wij hebben noodig eene krachtige werking des H. Geestes, tot verwekking van meerderen levensernst, van meerdere getrouwheid in het belijden, van meerderen ijver om God te dienen, van meerdere Godzaligheid des levens en van meerdere hartelijke toewijding aan onzen Koning Jezus, Of wij al roepen: »wij zijn de Gereformeerde Kerk!« en wij zouden ongereformeerd leven, dan zouden wij met recht eene bespotting worden.
Als wij dan om de eere onzes Koniogs opkomen voor het goed historisch recht Onzer Kerken, en dat recht met allen ernst aan het Hervormd Kerkgenootschap ontzeggen, dan hebben wij het in alles te toonen, dat wij die eere onzes Konings liefhebben. Wij hebben dat te toonen in een leven, rijk aan vruchten des Geestes en aan goede werken.
Wee ons, als onze Koning tot ons, als tot de Kerk van Sardis, zou moeten zeggen: Ik weet uwe werken, dat gij den naam hebt, dat gij leejt en gij zijt dood. Met den besten naam kunt gij verloren gaan. Als door wereldsgezindheid, zelfzucht en ijdelheid de Gereformeerde Kerken zouden wor den overheerd, dan zou de Geest des Heeren zich kunnen terugtrekken, een geest van ontrouw in prediking en tuchtoefening zou kunnen binnensluipen, het verband met het Lichaam van Christus zou kunnen los worden, en — de historische lijn door Gods hand worden afgebroken. Dat verhoede onze God 1 Maar daarom worde er bij oud en joeg ootmoed en ernst gevonden, om waardig te kunnen volhouden: de historische lijn loopt door ome Kerken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1909
De Heraut | 4 Pagina's