„ Maar nog is het einde niet”.
Ziet toe, wordt niet verschrikt; want alle die dingen moeten geschieden, maar nog is het einde' niet. Matth. 24 : 6.
De aarde, waarop we wonen, blijft niet wat ze is. Wie niet nadenkt beeldt zich wel in, dat „dit ons huis in eeuwigheid zijn zal" (Psalm 49: z), maar God liet 't ons in zijn Woord heel anders betuigen. De ure komt, zoo getuigt de Schrift, dat eens heel de dampkring „mst een gedruisch zal voorbij gaan, en de elementen branden zullen en vergaan, en dat de aarde en de werken die daarin zijn, zullen verbranden" (2 Petrus 3:10). Zelfs wordt er ons bij gezegd, dat die eindcatastrophe zal komen met „een groote aardbeving, hoedanige niet is geschied van dat de menschen op de aarde geweest zijn, namelijk een zoodanige aardbevin en zoo groot", (Openb. 16 : 18).
£r zal dan uit wat te niet gaat, wel een nieuwe wereld opkomen, maar de aarde, gelijk wij ze nu kennen, blijft niet. Haar dagen zijn geteld. £a onze God kent de ure, waarop eens heel de aardkorst zal splijten; dat al wat op die aardkorst leefte, in de gloedmassa, die onder die aardkorst schuilt, zal wegzinken; en dat al wat voor oogen was, in dien wereldbrand zal worden vernietigd.
£n wat de Schrift alzoo reeds vooi tweeduizend jiar aan de Kerk betuigde, wordtin hoofdzaak ook door de huidige aardkenners toegestemd. Ook zij komen er voor uit, dat de aardkorst werkt, dat ze gestadig verandert, en dat eens haar inscbeuring, indeuking en algeheele verbrokkeling voor de deur staat. De Neptunisten onder hen mogen dit anders verklaren dan de Plutonisten, maar de profetie dat het vroeg of laat net onze aardkorst ten einde loopt, durft geen hunner weerspreken. Die op opbarsting of verbranding rekenen, zijn nog altoos verre in de meerderheid. En ook nu weer, nu n Zuid Italië een zoo bange inschearing in de orst der aarde dood en verderf over honderen maal duizend bracht, liet een beroemd eoloog aan de hoogeschool te Weenen zich n dezer voege uit: „We zijn getuigen van een eleidelijk in stukken breken van de aardkorst, etgeen reeds sinds langen tijd in gang is". e aardkorst zinkt in, barst dan, en niet van e vuurspuwende bergen, maar van dit krakend pscheuren, bersten en in zijn verbrokkeling erschuiven van de aardkorst komen zoo schrikijke gebeurtenissen, als waarvan we thans het geucht opvingen. Van allen kant is het dan ook pgemerkt, dat bij deze ontzettende catastrophe och de Vesuvius noch de Etna gespuwd hebben.
En nu zegt deze geleerde er wel bij, dat deze pscheuring en inzinking van de aardkorst eerst oleind zal worden, nadat de menschheid reeds oorlang van de aarde zal verdwenen zijn. Maar ier weet hij niets van. Eu Jezus, die 't wel ist, betuigt integendeel, dat deze eindcatastrophe saam zal vallen met de wederkomst van hristus onzen Koning ten gerichte en dat aan e dan nog levende menschheid „het hart tal ezwijken”, (Luk. 21:26).
Zoo tcch liet Jezus het zijn jongeren aanzegen: „Er zullen teekenen zijn in de zon, in de aan en in de sterren, en op de aarde zal er enauwdheid der volkin met twijfelmoedigheid ijn, als de zee en watergolven groot geluid ullen geven, w den menseken xal't hart bezwijken an vrees en verwachting der dingen, die het ardrijk overkomen sullen, want de krachten der hemelen zullen bewogen worden, en alsdan tullen ij den Zoon des menseken tien komen in eea wolk m«t groote kracht ea heerlijkheid”.
In gewone dagen nu lezen we dit aiiet ook wtl, maar dan lecen we er over h«eu. Het paktons
niet, en treedt niet in profetisch beeld voor ons Immers alles blijft, jaar in jaar uit, zoo als 't was, en de grond waarop ons huis staat, en waarop we wandelen, lijktons zoo onwankelbaar valt en onbewegelijk.
Maar na een rampals we nu beleefden, spreekt dit alles ons zoo heel anders toe. Geruchten bereikten ons nu, dat plotseling de schriklijkste tafereelen zijn ingetreden. Dat de zee en de watergolven groot geluid gaven. Dat de aarde scheurde en opbarstte. En dat er een aardbeving plaats greep zoo ontzettend, als bij menschenheugenis nog nimmer haar verwoesting heeft aangericht. Men kon het eerst niet gelooven. Men dacht aan overdrijving. Maar steeds werden de geruchten onheilspellender. Met gansche steden en dorpen, en met de massa's van inwoners in de woningen en paleizen, heeft de opgebersten aardkorst en de vloedgolf der opgezwollen zee, gespeeld, alsof het dorre bladeren waren, en een vernieling aangericht, waarvan vruchteloos de wederga op het historieblad gezocht wordt.
Dit heeft bij allen volk dat er omheen woonde, met benauwdheid en twijfelmoedigheid 't hart vervuld. Vrees en verwachting vaü de dingen die het aardrijk nog overkomen konden, nepen den verschrikten de keel als dicht. En het kon niet anders ot duizenden leefden plotseling onder den indruk, alsof het einde dezer aarde nabij was. Zelfs in ongeloovige kringen heeit een spannende ernst de gemoederen aangegrepen. Noch Krakatau noch San Francisco haalde hier van verre bij. En heerlijk was het te zien, hoe 't medegevoel allerwegen wakker werd, en men zich van alle kanten opmaakte om hulp te bieden. Een tegengif tegen de boosheid van het menschelijk hart, gelijk die hoonend sprak in de plunderaars, die op't oogen* blik dat zulk' een stemme Gods ook tot hen uitging, tot roof en moord oversloegen.
Vanzelf draagt onder de Christenheid die bij het Woord leeft, deze verschrikking een eigen karakter. Voor de geloovigen geschiedde er niets vreemds. Hun was voorüegd en ze geloofden, dat zulke ontzettende dingen te komen stonden. Zelfs is hun de neiging niet vreemd, om er het nabijzijn van 't einde in te vermoeden.
Door wat ook nu weer gebeurde wordt voor wie bij Gods Woord leeft, opnieuw een zegel op dit Woord gedrukt. Ze zien nu als voor oogen, dat het komt zooals het geprofeteerd was. Ze waren er op voorbereid. Alleen hecht ten ze in 't gewone leven lang niet genoeg aan die ontzettende profetieën. En nu, op eens, won ook voor hen het geloof aan dit Woord in zekerheid en overtuigende kracht.
Alleen maar, Jezus heeft ons ook aangezegd, dat zoolang zulke gebeurtenissen nog slechts plaatselijk en voorbijgaande optreden, het einde er nog niet is. We bewegen ons naar het einde toe, maar het groote zedelijke imereldproces is nog niet aigeloopen. Als eens het einde intreedt, zal het nog zoo onvergelijkelijk veel verschrikkelijker zijn. Wat nu plaatselijk bleef, komt dan algemeen, over heel de aarde. Nu was 't voorbijgaande, maar dan zal 't zijn schok na schok niet aflatend, en rusteloos doorgaande tot de algeheele vernieling.
Zij men daarom ook nu tegen verkeerd geloovige overhaasting op zijn boede. Men ziet nu voor oogen, dat zoo iets gebeuren kan. Men ziet, hoe alvernielend en ontzettend zulk een gebeartenis is. Men kan het zich nu indenken, hoe 't eens zijn zal, als Aeelde aardkorst opscheurt en inberst, en aan alle land en aan alle volk overkomt, wat nu nog slechts op een kleine plek dood en verderf aanrichtte. De catastrophe die in 't eind te wachten staat, heeft thans vorm en kleur voor ons aangenomen. Er ligt in wat plaats greep een prediking zooals God Almachtig alleenzijn stem kan doen uitgaan. Maar toch , •.. Aet einde zelf is dit alles nog niet. Eerst moet de geestelijke strijd tusschen Christus en de wereld zijn uitgestreden. En eerst als tf^zc strijd zijn hoogste punt zal hebben bereidt, dan zal het einde aller dingen daar zijn.
Ge kunt zeggen dat er een signaal van nadering van het einde in ligt. Dat het nu reeds vreeslijker was dan ooit vroeger, en dat als straks twee, drie nog heftiger aardschokken volgen, het einde als wordt ingeluid. Zelfs kunt ge beweren, dat ons nu getoond is, hoe 't einde eens zal intreden. Maar wie gelooft haast niet, en het woord zelf der Schrift blijft 't ons toeroepen: Nog is het einde niet.
En daarom, van den wereldstrijd voor onzen Koning kan en mag nog niet afgelaten. Die worsteling gaat door. Het geestelijk proces onder menschen verzelt het natuurproces in de aardkorst. Beiden loopen evenwijdig. Wereldschokken dreunen naast de aardschokken. Het is tóo beschikt, dat als in het geestelijk proces het einde daar zal zijn, gelijktijdig en op hetzelfde oogenblik ook het einde van het natuurproces zal intreden. En de wereldschokken, die in dit geestelijk proces de menschheid nog zal hebben door te staan, vinden in de aardschokken der natuur nog slechts hun flauwe afschaduwing.
Het is in de aardkorst een worsteling tusschen gloed van binnen en druk van boven. Maar banger nog is de worsteling in de geestenwereld tusschen het heilige in den Zoon des menschen, en het onheilige dat uit de diepten van satan opdoemt.
Als een dief in den nacht zal 't komen, juist omdat in die geestelijke worsteling de uitkomst ons telkens verrast. En ock nu heeft een uitbarsting als in Zuid-Italie plaats greep, dit uitnemende, dat ze ons wakker schudt, en ons uit het alledaagsche gedommel op eens doet opzien naar de machtige worsteling die gaande is, een worsteling waarin we zelf betrokken zijn, en waardoor ook ons lot voor eeuwig zal bepaald worden.
De Kerk van Christus heeft ook nu die stem des donders en der aardbeving verstaan. Machtig is haar ernst plotseling weer gericht op de dmgen die komen zullen. De bede: „Ja, kom Heere Jezus, " leeft weer op de lippen.
Maar ze blijft 't geestelijke voorop stellen. De schokken in de korst der aarde, hoe vreeslijk ook, zijn haar het bangste niet. Veel hooget beduidenis behouden voor haar de schokken in de zedelijke wereldorde.
Niet de aardschokken, maar de schokken in de zedelijke wereldorde zullen het einde brengen, en als dit einde komt, dan zal ook die aardkorst het laatste bedrijf van haar bange tragedie zien intreden. De natuur gaat niet voor, maar volgt. En daarom is voor ons het einde, niet dat deze wereld vergaat, maar dat Christus op de wolken zal wederkomen, en dat hij uit wat ondergaat, ons scheppen zal een nieuwe aarde., waarin gerechtigheid woont. De eind triomf van de Goddelijke orde èn in de geestenwereld èn in de natuur, op hetzelfde oogenblik en door eenzelfde geestelijke macht.
CORRIGENDA.
Door den spoed dien we verleden week moesten maken om de Heraut zoo vroeg verzonden te krijgen, zijn verschillende fouten in Voorstuk en Meditatie onveranderd gebleven. We laten hier een lijstje der Corrigenda volgen:
In het Voorstuk. Eerste kolom. Regel twee van boven aldus te lezen: een Kerk, of ook een lid van die Kerk enz.
Regel vijftien: een andere leer die niet overeenkomt enz.
Regel zeven en dertig: voor reformatie lees: deformatie.
Regel veertig: voor plaatselijke Kerken, plaatselijke Kerk.
Regel veertien van onderen, lees: van eenzelfde streek.
In kolom drie. Regeleen-en-dertig van onderen: hetzij in vergaderingen of op meetings.
In kolom vier. Regel vier boven de afscheiding: Wie tegen Christus koos enz.
En in kolom vijf. Zeven en twintigste regel van onderen, lees: dat zelfs de besten uit de leeraars enz.
En voorts in de Meditatie. ^Twaalfde regel van boven, binnenpagina, lees: even fijn nu gaat die bewegmg enz.
Veertigste regel van boven: dit creatuur deelt in de beweging zonder het te willen... Het leeft er in, maar leeft er niet in mee.
En den regel vóór de afscheiding: omdat uw God voor allen met wie ge saamleeft, en zoo ook voor u, dit begin uitroept.
Dan van onderen, regel vier tot acht: God zelf is het, die door dit: In den beginne uw levensweg insnijdt. En daarom kan ook van dit: In den beginne, maar al te veel voor uw loop en gang, heel dit jaar door, afhangen. Velen nu merken daar niet op.
Tweede kolom, zevende regel van boven: op dezen nieuwen weg. Eerste regel van de laatste alinea: denkt hij 't ook in. En tenslotte de derde regel derzelfde alinea: en van zijn God bidt hij, enz
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 10 januari 1909
De Heraut | 4 Pagina's