Uit de Pers.
Waar bij velen nog altoos bezwaren bestaan tegen het sluiten eener zoogenaamde „levensverzekering, " moge het antwoord, dat Ds, Ling beek te Spijk in de Gereformeerde Kerk aan zulk een bezwaarde gaf, ook hier een plaats vinden:
Stel: honderd jonge mannen sluiten eene ver zekering op deze voorwaarden : jaarlijks zal een ieder de som van /loo als premie betalen, en bij elks overliideu zal aan de weduwe onmiddellijk de som van /3000 worden uitbetaald.
Wat is nu 't geval ? Wie in het eerste jaar na et aangaan der Levensverzekering sterft, diens ezin heeft een groot voordeel, want hij behoeft lechts éénmaal de jaarpremie te betalen en de weduwe of kinderen ontvangen onmiddellijk de verzekerde som van ƒ 3000
Wie echter langen tijd in het leven gespaard blijft, diens gezin heeft geldelijk nadeel, want hij etaalt misschien veertig of vijftig malen de premie, s al de rente van dat geld kwijt en zijne weduwe f kinderen ontvangen in het einde ook slechts ƒ 3000.
Om het eerstgenoemde voordeel te behalen is et echter nagenoeg niemand te doen. De lust tot et leven is den mensch ingeschapen, en een ieder eeft dus veel liever, dat de Levensverzekering em nadeel, dan dat zij hem voordeel aanbrengt. are het anders, dan zou geen enkele Levenserzekering-Maatschappij kunnen bestaan.
Wat er toe beweegt om in de Levensverzekering e gaan, is alleen deze gedachte, dat een ieder, ok de gezondste en sterkste, vroegtijdig zou kunen sterven en zijn gezin in geldelijke moeilijkheden unnen achterlaten. Met het oog op die mogelijkeid gaat men de verzekering aan. En beloopt men ij lang leven een groot verlies, men. lijdt nog iever die kans op verlies, dan dat men, bij vroegijdig afsterven, zijn huisgezin onverzorgd zou achterlaten.
De Levensverzekerings Maatschappij vervult ierbij slechts de taak van een beheerder en boekouder, die natuurlijk voor zijne moeite en onkosten en belooning ontvangt.
Wat zullen wij nu tot deze dingen zeggen ?
Als ik wel zie, ligt aan de Levensverzekering weeërlei beginsel ten grondslag.
Het eerste is: zorg voor de aardsche toekomst, n wel voornamelijk van onze huisgenoolen.
Zulk een zorg, wel te onderscheiden van een ngeloovige bezorgdheid, die er bij ons helaas maar l te dikwijls mede gepaard gaat, is niet tegen de chrift. Abraham zorgde voor zijn kinderen.
Paulus schrijft aan Timotheüs: i Timotheüs : 3) ttZoo iemand de zijnen, en voornamelijk ijn huisgenoolen, niet verzorgt, die is erger dan en ongeloovige «
De Spreukendichter zegt: y> De goede zal zijn indskinderen doen erven, «
Groen van Prinsterer prijst het in onze vooruders uit de 17de eeuw, dat een ieder in zijn tand zóó leefde, dat hij jaarlijks wat wist over te houden.
Daartegen kan dus emaakt. m. i. geen bezwaar worden gemaakt
Het tweede beginsel is, dat niet ieder huisvader fzonderlijk de zorg draagt, maar dat tnen dien o ast gemeenschappelijk draagt, opdat dat gezin, S at t eerste en 't meeste in 7Wod komt, ook't eerste v unne worden geholpen.
In den tijd van 'Israels volksbestaan had men een Levensverzekerings-Maatschappijen, o neen! aar men had in dien tijd in het geheel^& exi aatschappijen, geen Stoomvaart-Maatschappijen n geen Spoorweg-Maatschappijen, (ieen Vereeniingen, geen Naamlooze Vennootschappen, geen rusts, en wat van dien aard thans bestaan moge, ende men toen. Ieder leefde meer op eigen grond n at zijn eigen brood.
Sinds is de menschelijke samenleving een veel unstiger samenstel geworden. Eerst bakte een eder zijn eigen brood; toen kwam de broodbaker, en nu is de broodfabriek verrezen. Wie weet f de tijd niet komt, dat één fabriek een geheele tad van brood voorziet! In één woord: wat men oorheen elk voor zich zelf deed, heeft men allengs eleerd gemeenschappelijk te doen. Dat is onder e leiding Gods zoo geschied.
Maar al is dit waar; als is 't bij de kinderen ezer wereld ongeloof, dat er toe drijft om een v M Levensverzekering aan te gaan; wij vragen toch: kan de Christen niet hetzelfde doen, door een andere beweegredenen gedreven ?
De ongeloovige, wanneer hij spaart, doet 't om voor zijn ouden dag «bezorgda te zijn. De geloovige, die erkent dat zijn toekomst in de hand des Heeren ligt, spaart omdat God een God is, die door middelen werkt en in den middellijken weg Zijne zegeningen verleent.
De ongeloovige, wanneer hij krank is, neemt een geneesmiddel in, omdat hij meent, dat dat middel hem gezondheid zal geven. De geloovige doet hetzelfde, maar in afwachting van den zegen van zijn almachtigen God en Vader.
Zoo ook hier. Wie in de Levensverzekering gaat met de gedachte: nu ben ik op alle gebeurlijkheden gewapend, die doet er zonde mede; maar kan de Christen niet, in vertrouwen op zijn God, dat nieuwerwetsche middel aanwenden, om daarmede zijn plicht als huisvader te vervullen en voor de zijnen te zorgen?
Hij pleegt er immers geen' bedrog of oneerlijkheid mede, en 't is geen woeker, dien hij najaagt!
Ik kan hier niet eindigen, voordat ik nog deze opmerking heb gemaakt: die ongeloovige, van wien ik sprak, woont in ons aller hart.
Als God ons niet bewaart, doen ook wij, die den naam des Heeren belijden, al wat wij daar opnoemden in ongeloof, en plegen daarmede dan afgoderij, even goed als de wereld, die geen God erkent. Die afgoderij zit evenwel niet in het middel dat wij gebruiken, maar in ons, die het afgodisch gebruiken.
De Heere zelf doe ons door Zijn Geest Zijn Woord betrachten:
»Ken Hem in al uwe wesren en Hij zal uwe paden recht maken.«
Dit kalme en bezadigde antwoord zal zeker wel dienen om de bezwaren uit den weg te ruimen.
Althans wanneer die bezwaren uit een waarlijk vioom gemoed oprijzen. Want wie waarlijk vroom is, wil gaarne uit Gods Woord zich laten onderwijzen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909
De Heraut | 4 Pagina's