Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

Dr. P. J. Kromsigt heeft in een brochure

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Dr. P. J. Kromsigt heeft in een brochure

8 minuten leestijd

Dr. P. J. Kromsigt heeft in een brochure onder den titel: Het hooge belang der Hervormde Kerk als Volkskerk bij een vergeten Grondwetsartikel (Art. 171 al. 2) feitelijk de herdruk van een reeks artikelen in de Rotterdamsche Kerkbode verschenen — de ernstige vraag besproken, of de Overheid niet door uitbreiding der tractementen in de behoefte aan meer predikanten behoort te voorzien.

In Artikel 171 worden „aan de onderscheidene gezindheden de tractementen, pensioenen en andere inkomsten van welken aard ook, die bij de totstandkoming der Grondwet genoten werden, ook voor de toekomst verzekerd", maar bovendien wordt daar in een tweede alinea bepaald, dat „aan de leeraars, die tot nog toe uit 's Lands kas geen of een niet toereikend tractement genoten, een tractement kan worden toegelegd of het bestaande vermeerderd kan worden". De laatste alinea, waarop Ds. Kromsigt doelt, was wel niet vergeten, maar de Regeering maakt van de bevoegdheid, daarin haar verleend, zoo goed als geen gebruik. Men betaalde de eenmaal vastgestelde tractementen uit, maar daarbij bleef het. Er was blijkbaar een zekere weerzin om uit 's Lands schatkist de tractementen te verhoogen of nieuwe uit te keeren.

Thans zal dit vraagstuk officieel in de Tweede Kamer aan de orde komen, want er wordt voor de i7öpredikantsplaatsinde Hervormde Kerk te Rotterdam rijkstractement gevraagd op grond van Art. 171 al. 2, en zoowel de Regeering als de Kamer zal l zich principieel hierover hebben uit te spreken. Gelijk wel vanzelf spreekt, zal de te nemen beslissing van verreikende gevolgen zijn. Wordt toch eenmaal toegestemd, dat de Regeering voor Rotterdam een 17e predikantsplaats bekostigt, dan zal de Regeering ook op andere plaatsen dit moeilijk kunnen weigeren. Was tot dusver het streven, het budget van eeredienst zoo weinig mogelijk uit te breiden, dan zou dit budget elk jaar met belangrijke sommen klimmen.

Nu neemt Dr. Kromsigt bij de bespreking van dit vraagstuk niet een bekrompen standpunt in. Al ijvert hij inzonderheid voor de Hervormde Kerk als de volkskerk, hij erkent, dat ook de andere Kerken rechten hebben op deze Overheidshulp en wi dat de Overheid met name aan de Gereformeerde Kerken evenzeer steun zal bieden. En evenzeer dient gewaardeerd, dat hrj niet alle geld van de Overheid verwacht, maar liefst een regeling zag ingevoerd, waardoor de Overheid een alterum tantum betaalde, d. w. z. evenveel bijbetaalde als de Kerken uit eigen middelen bijeen brachten. Gesteld dat de gemeente ƒ 2000 gaf, dan zou de Overheid er nog / 2000 bijvoegen en het tractement daardoor op ƒ 4000 komen te staan. Een zekere prikkel voor de Kerk om zelf te geven, zou er aldus blijven bestaan.

Bij de bespreking van dit vraagstuk kan men zich of stellen op het standpunt van ons thans vigeerend staatsrecht en de vraag stellen, in hoeverrre de billijkheid meebrengt, dat de Overheid, die nu eenmaal de zorg voor deze tractementen op zich nam, ook voor nieuwe predikahtsplaatsen een tractement uitkeert, of men kan principieel de quaestie aan de orde stellen, of de Overheid van Godswege geroepen is den Kerkedienst in stand te houden; -en wanneer men die vraag in bevestigenden zin beantwoordt/ daarom bij de Overheid er op aandringen, dat zij gebruik make van de bevoegdheid haar bij Art. 171 van de Grondwet verleend.

Indien Dr. Kromsigt het eerste standpunt had ingenomen, dan zou de regeling dezer quaestie grootendeels op politiek gebied thuis hooren. Men kan juist in het belang der.Kerk tegen staatssubsidie zijn, en toch, wanneer de Grondwet uitkeering van staatstractementen voorschrijft, voor een milde toepassing van dit artikel wezen. Ons ideaal is en blijft de vrije school voor heel de natie, maar nu de openbare staatsschool eenmaal bestaat, zal ook een Christelijk Ministerie te zorgen hebben, dat de onderwijzers der staatsschool behoorlijk bezoldigd worden. En al staan de gevallen in zooverre niet gelijk, dat de zorg voor de staatsschool voorgeschreven is en de toekenning van nieuwe of meerdere tractementen aan de prudentie der Regeering is overgelaten, toch zouden we daarom niet gaarne willen, dat de Overheid tegenover de Kerken in zekere schrielheid , kracht zocht. Indien de Regeering het vraagstuk van 171 eerlijk en open aan de orde stelt en door Grondwetsherziening den finan tieelen band met de Kerken doorsnijdt — natuurlijk met uitkeering van het rechtens verschuldigde aan de rechthebbenden - 7dan heeft die oplossing onze volle sympathie. Maar durft de Regeering dit niet aan en blijft Art. 171 gehandhaafd, dan zal de wijze van uitvoering nader geregeld moeten worden. Vooreerst omdat de tractementen, die bij de totstandkoming der Grondwet werden uitgekeerd, veel te laag zijn voor den standaard van ons tegenwoordig leven. Ten tweede, omdat de aanwas der bevolking maakt, dat het getal predikanten moet worden uitgebreid. En ten derde, omdat de tegenwoordige regeling grootendeels op willekeur berust en het niet recht is, dat de Overheid een deel der Kerken van deze subsidie uitsluit. Of zulk een billijker regeling mogelijk zou wezen zonder dat de kerkelijke quaestie zelve daarmede aan de orde werd gesteld, betwijfelen we. Maar dit vraagstuk laten we thans rusten.

Dr. Kromsigt grondt zijn betoog echter niet op de Grondwet alleen, maar neemt een principieel standpunt in. Hij acht, dat het de taak en roeping der Overheid is van Godswege om voor de tractementen der predikanten te zorgen. Het publiek karakter der Kerk komt volgens hem juist daarin uit, dat de Overheid de predikantensalarieert; een Kerk, die deze finantieele hulp van de Overheid niet ontvangt, wordt een secte. Er mag tusschen Kerk en Staat wel onderscheiding zijn, maar geen volstrekte scheiding. d Van beide geldt tot op zekere hoogte: wat God vcreenigd heeft, scheide de mensch niet. Een absolute scheiding degenereert èn den Staat èn de Kerk. De Overheid mag hare roeping tegenover de Kerk niet verwaar loozen ; ze mag niet zeggen: ben ik mijns broeders hoeder) Dan zou ze haar ideëele roeping prijsgeven en zich zelf „verstoffeiijken". En de Kerk mag haar recht niet prijsgeven op fiaantieelen steun van overheidswege, want dan wordt ze gedegradeerd van „publieke religie" tot den rang van „secte" (p. 16).

Zooals men ziet is dit betoog zoo principieel mogelijk. Wat alleen ontbreekt is elk bewijs uit de Schrift voor deze roeping der Overheid en dit recht der Kerk. Dr. Kromsigt neemt eenvoudig aan en stelt vast, dat dit de roeping der O/erheid en het recht der Kerk is, maar vergeet voor dez; roeping en dit recht eenig bewijs bij te brengen. Wel verwijst hij naar wat Bastingius in zijn uitlegging van den H. Catechismus bij het vierde gebod zegt, maar nog daargelaten dat een beroep op een of anderen ouden schrijver nooit afdoende is, vergeet hij, dat onze vaderen in geheel andere omstandigheden leefden; dat ze deze hulp van de Overheid vroegen alleen en uitsluitend voor de Gereformeerde Kerk, en het als een gruwel zouden beschouwd hebben, wanneer de Overheid tractementen uitkeerde aan Roomsche priesters, Remonstranten en Mennisten; laat staan dan aan openbare verwerpers van de Schrift en loochenaars van Christus Godheid. De gansch eigenaardige verhouding van een Overheid, die publiek professie doet van de Gereformeerde religie en daarom de hand houdt aan den heiligen kerkendienst, is heel wat anders dan de verhouding waarin de Overheid in onze dagen tegenover de verschillende Kerken staat. Vandaar dat elk beroep op deze uitspraken onzer vaderen niet anders dan misleidend kan zijn. Want onze vaderen hebben datgene wat Dr. Kromsigt wil, nooit gewild, maar als een zeer gevaarlijke leer veroordeeld en verdoemd. Het zou niet moeilijk zijn daarvoor tal van bewijsplaatsen aan te voeren. Nu kan men l natuurlijk wel zeggen, dat onze vaderen zich op dat eéne punt vergist hebben; dat Gods leiding in de historie nu geleerd heeft, dat de Overheid in een land van gemengde bevolking niet één Kerk als de ware Kerk erkennen kan, en dat daarom, wat volgens onze vaderen de roeping der Overheid was tegenover de ware Kerk, thans geldt tegenover alle Christelijke Kerken, maar ieder gevoelt, hoe daarmee de grond van heel dit betoog wegzinkt onder zijn voeten. Bastingius drukt het voortreüfelijk uit: de Overheid moet zorgen w«/^«»e««nen raad en oordeel des Kerkeraads, dat de Kerk voorzien zij van geleerde en bekwame mannen, — de volgende woorden laat Dr. Kromsigt weg, niettegenstaande daarop alle nadruk valt — dewelke het Evangelie rein leeren en alle tegenstrydende leer en misbruiken wederleggen en bestraffen — en dan heeft ze ook voor zulke predikanten een eerlijk onderhoud te verordineeren. Maar de gedachte, dat de Overheid aan alle predikanten of geestelijken, welke leer ze ook brengen, een eerlijk onderhoud zou moeten uitkeeren, is in het oog onzer vaderen even ongerijmd, alsof de vrome Koningen van Israel de Baaispriesters hadden onderhouden.

Tegenover dit principieele standpunt blijven we daarom onverzwakt ons protest handhaven. Uit de Schrift is hiervoor niet één bewijs bij te brengen, en het beroep op wat onze vaderen geleerd hebben, is misleidend. Al laten we de politieke zijde van dit vraagstuk rusten, we hopen, dat bij het principieele debat in de Kamer in dit opzicht klare wijn zal worden geschonken. We misgunnen aan de Hervormde Kerk niet een mildere toepassing van Art. 171, en indien de Regeering meent voor een 17e predikantsplaats te Rotterdam een staatstractement te moeten uitkeeren, zoo zullen we ons daartegen niet verzetten. Maar wel zou het ons zeer bedenkelijk toeschijnen, indien daaraan het beginsel werd vastgekoppeld, dat de Overheid hiertoe van Godswege geroepen is en de Kerk daarop een goddelijk recht kan doen gelden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909

De Heraut | 4 Pagina's

Dr. P. J. Kromsigt heeft in een brochure

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909

De Heraut | 4 Pagina's