Pro Hege.
DERDE REEKS. (Tweede gedeelte).
Christus Koningschap en de Kerk.
XX.
Maar nu heeft God de leden gezet, een iegelijk van deze in het lichaam, gelijk Hij gewild heeft. I Cor. 12 : i8.
De inzinking der Kerk op 't laatst van de i8e en in het begin der 19e eeuw, heeft op vroeger ongekende wijze ook op kerkelijk gebied het particulier initiatief gewekt. Met name drie dingen zrjn door dit particulier initiatief-in handen genomen:10. de lagere Catechisatie op de Zondagschool, 20. de uitbreiding der Kerk door de zending, en 3". de weldadigheid ten behoeve van armen en kranken. Drieërlei actie, die zeer uiteenliep en zich op zeer onderscheiden gebied bewoog, maar die toch hierin saam valt, dat zs niet van de Kerk zelve, maar van het particulier initiatief onder de leden der Kerk uitging, en liefst te werk ging alsof de Kerk er niet was. De vraag moet daarom onder de oogen gezien, welke houding de Kerk harerzijds ten opzichte van deze beweging heeft aan te nemen. Moet ze haar tegengaan.' Moet ze haar aanmoedigen.'' Moet ze haar leiden in andere banen?
Nu is 't al aanstonds opmerkelijk, hoe deze beweging schier gelijktijdig, en zonder dat men van elkaar afwist, in onderscheiden landen zich begon te roeren. Het begon, niet zonder inspiratie van den Réveil en van het Methodisme, met een actie voor de zending; alras voegde zich hier de Zondagsschoolbeweging bij; en de philanthropie wolgde als derde in bond. Louter religieus was het eerste opvonken van dien missionairen ijver niet. Er was in de tweede helft der achttiende eeuw ook op sociaal en politiek gebied een neiging om uit de gemaniereerde beschaving tot den natuurstaat terug te keeren. De bewoners derZuidzeeeilanden golden in tal van kringen als model van menschelijke onbedorvenheid. Robinson Crusoe was het veelgelezen modegeschrift. En te Londen werden genootschappen opgericht, om voor de rechten der inboorlingen in de Europeesche koloniën op te komen; genootschappen die nog bestaan, en die nog, zoowel tijdens den Boerenoorlog al nu laatstelijk bij den overgang van den Congo aan België, van zich lieten hooren. De Boeren en de Belgen, zoo schreven ze ook nu, verdrukten en mishandelden den natuurmensch in Zuiden West-Afrika, en zij voelen zich geroepen om daartegen te protesteeren. Deze voorliefde voor het gekleurde ras onder de nog bijna niet ontwikkelde natiën van Azië en Afrika zat op 't laatst der i8e eeuw toen in de lucht, maar ze leidde tot tweeërlei, geheel tegenovergestelde actie. In de kringen der Jacobijnen in Frankrijk kwam het denkbeeld boven, óf men niet het veiligst zou gaan, door ook in Europa het Aftikaansche model na te bootsen, tot den natuurstaat terug te keeren, en te breken met wat onder den naam van „beschaving" den volksgeest verzwakt en vergiftigd had. Men weet, hoe men onder de Directoire te Parijs reeds begon met de Afrikaansche broeders ook in het dragen van bijna geen kleeding na te bootsen. Vooral menige vrouw dreef dit schaamteloos. Maar diezelfde voorliefde voor de inboorlingen in hun natuurstaat kon zich ook een andere weg voor haar actie kiezen, en dit deed ze in de Zending. Heette het in de Jacobijnsche kringen, dat onze beschaving ons bedorven had, en dat terugkeer tot den natuurstaat het vanzelf geboden middel was, om onze maatschappij weer gezond en gelukkig te maken, — in de Christelijke kringen daarentegen leidde deze voorliefde tot de overtuiging, dat men misdeed door aan die goede, lieve Negers, Mooren en Indianen het Evangelie te onthouden. Beter nog dan wij, waren juist die nog niet beschaafde stammen geschikt, om in hun onnoozelen toestand, het Evangelie in zich op te nemen. Hst Evangelie was op den natuurmensch berekend, en de natuurmensch op het l!-vangelie als aangelegd. Zeer verkeerdelijk had men dusver in de meening verkeerd, alsof juist de volken van Europa schier alleen geschikt waren om in de zegeningen van Christus te deelen. Nu bleek veeleer ^t het omgekeerde het geval was. In Europa viel men van het Christendom af ö| won de geestelijke anarchie meer veld, ^Ö die inboorUngen in hun natuurstaat < «arentegen zou men juist het hart geopend wnden, en daarom moest hoe eer hoe B€ter de poging gewaagd, om den Christus aan deze inboorlingen te prediken. Van Roomsche zijde was dit ook vroeger wel geschied. Vooral de Jezuïten en Franciskanen hadden zich met zser grooten ijver tot zelfs op de kerstening van China en Japan toegelegd, maar de groote Protestantsche koloniale mogendheden waren achter gebleven. Wel hadden ze, in officieel kerkelijken zin, ook in haar koloniën haar Staatskerk pogen over te brengen. Maar dit bleef werk op uiterst kleine schaal, en van een doortastende actie was geen sprake. Veeleer was de Islam ons voor geweest, en was nog steeds doende om 't door ons braak gelaten terrein aan zich te halen. Dit moest nu anders worden, en zoo liep politiek en religieus tweeërlei actie naast elkander. Te Parijs heette het: „Wij moeten weer worden als de natuurmensch!" — te Londen: „De natuurmensch dorst naar het Evangelie, dat wij hem brengen zuilen!" En zoo is toen de Zendingsgeest ontwaakt.
Doch juist dit bracht mee, dat die Zending van meetaf een bui ten-kerkelijk, geheel particulier karakter erlangde. Ze kwam in de Protestantsche landen op als protest tegen de onaandoenlijkheid én traagheid van het kerkelijk lichaam. Van Roomsche zijde was de Kerk steeds vooropgegaan, en gesteund door de Roomsche Overheid, had ze in tal van koloniën —denk slechts aan Zuid-Amerika en aan de Philipprjnen — een volkomen triumf behaald. Geheel de bevolking van die koloniën was allengs gedoopt, en, naar het heette, zeer spoedig reeds allen gekerstecd. De Protestantsche Kerken daarentegen waren geheel achtergebleven. Ook wat de Gereformeerde Kerken in onze talrijke en dichtbevolkte koloniën hadden uitgericht, kan nauwelijks meetellen. Op Amboina, Celebes en een enkel ander eiland was men iets gevorderd, maar van een algemeene actie in onze koloniën was ganschelijk geen sprake. Onze koloniën en die der Engelschen waren commercieele ondernemingen, en niet op kerstening van den inlander, maar schier uitsluitend op groote winsten was de koopman bedacht. Zoo koud zelfs was het levensbloed in onze Kerken geworden, dat ze, bij 't opkomen van onze missionaire actie, er niet aan dachten zelf 't werk ter hand te nemen. Men voelde geen schuld, en bij gemis aan schuldgevoel ontbrak alle prikkel ter opwaking. Vandaar, dat de nieuwe Zending van huis uit een uitsluitend leeken-karakter droeg. Het waren particuliere personen, die genootschappen voor deze actie in het leven riepen, zendelingen opleidden, vormden en uitzonden, en op geheel dit terrein van Christelijke werkzaamheid beslag legden. Maar natuurlijk school hierin een tegenstrijdigheid die zich vanzelf moest wreken. Had deze Zending niet anders bedoeld dan het uitzenden van mannen en vrouwen, die met de inlanders over het Evangelie gingen spreken, zoo zou er geen strijd zijn geweest. Doch hiertoe j bepaalde men zich niet. Al spoedig stond men voor den Doop, na den Doop voor Kerkstichting, en na Kerkstichting voor de viering van het Avondmaal. Had men daarvoor toen de hulp der Kerk ingeroepen, zoo zou 't op den rechten weg zijn gebleven. Maar zoo deed men niet. En toen zijn particuliere personen overgegaan tot het aan zich trekken van wat, naar luid der Schrift, een beslist kerkelijk karakter draagt: het uitzenden van zendelingen met mandaat om de Sacramenten te bedienen en Kerken te stichten. Zelfs achtte men hieraan het voordeel verbonden, dat personen uit onderscheiden Kerken konden saamwerken, en steeds meer plaatste zich deze Zending, zonder zich er van bewust te zijn, op het in de 16 ie eeuw door de Doopers ingenomen standpunt.
Eerst van lieverlee is men de hiermee begane fout gaan inzien. De Réveil deed aanvankelijk evenzoo, en bekommerde zich om de Kerk niet. Ook zijns inziens moest alles uitgaan van het particulier initiatief. Maar ongemerkt heeft de Réveil dan ten slotte toch op den geestelijken toestand der Kerken zelve ingewerkt. Er kwam terugkeer tot het geloof, in tal van kringen zelfs terugkeer tot de belijdenis, en het kon niet anders, of dit moest tenslotte tot een actie ook in onze Europeesche Kerken leiden. Er kwam kerkelijk verzet tegen het modernisme. Er ging weer een geroep op om zuivere prediking. Dit geroep vond gehoor. En zoo is er dan in de Europeesche landen zelve een kerkelijke actie opgekomen, die er op allerlei wijze toe geleid heeft, dat de Kerk weer meer op den voorgrond trad, en dat men aan zijn Kerk weer begon te hechten. En dit nu heeft er vanzelf toe gebracht, dat ook bij de Kerken zelve weer het besef opwaakte, dat zij zalven allereerst geroepen waren om het werk der missie ter hand te nemen, en dat omgekeerd bij de zendingvrienden weer het besef opleefde, dat particulieren geen mandaat tot Doop of Sacramentshediening konden verstrekken, en dat men het mandaat hifif^^toe wed-te zoeken had bij de Kerken in haar openbare organisatie. Deze keer van zaken nu is van het hoogste belang. De particuliere Zending matigt zich aan, wat de Koning der Kerk alleen aan zijn Kerk zelve heeft opgedragen. Ze eert het Koningschap van Christus niet. Ze predikt den Heiland, maar verzaakt den Koning. En eerst door de Zending weer officieel met de Kerk in verband te zetten, is men teruggekeerd tot den weg, die, volgens de Schrift, in de eerste eeuwen der Christenheid bewandeld was, en ons door apostoüsch gezag is aangewezen. Dit is een schrede vooruit, waarvoor we dankbaar hebben te zijn, mits men maar wel versta, dat bij de Kerken de schuld lag, dat het particulier initiatief den stoot moest geven, en evenzoo nimmer vergete, dat de Kerken in Europa het recht der inlanders hebben te eerbiedigen, om een kerkelijk leven te ontvangen naar hun aard en behoeften. Wie aan de bewoners van Azië en Afrika een Kerk opdringt in den preciesen vorm, waarin de Kerk zich in Europa onder historischgeworden toestanden ontwikkeld heeft, miskent het onderscheid in aard en karakter, dat naar Gods bestel onder de natiën en volken bestaat.
De Zondagsschoolbeweging had ongeveer gelijk verloop. Ze was een onderdeel van wat men in 't algemeen de Evangelisatiebeweging noemt, en kwam op uit dezelfde aandrift, die de Zending in het leven riep. Ze was ook zending, maar zending onder de leden der eigen Kerk, niet in Azië, niet op verren afstand, maar vlak bij, in 't eigen land en in de eigen stad. Het feit viel niet iangsr to verhelen, i-a; : de wee/galooze plichtverzaking der Kerken een zeer groot deel van de leden der Kerk in volkomen onwetenheid, in ongeloof en onverschilligheid had doen opgroeien. Er waren heidenen ia het verre oosten, maar in zijn eigen Kerk had men een bevolking die in erger dan faeidenschen toestand was opgegroeid. Zending buitenaf was uitnemend, maar men mocht het terrein vlakbij en in zijn eigen Kerk niet braak laten liggen. Er moest ook onder dez3 geheel afgevallen bestanddeelen van de eigen bevolking worden geëvangeliseerd. De Kerk was, vooral in de groote steden, zoo diep schuldig. Alles was verwaarloosd. Aan tucht werd niet meer gedacht. Het huisbezoek was een formaliteit geworden, en de catechisatie was tot niets herleid. Nu poogde men op de hoogere klasse te werken door meeting's in de salons, op de volwassenen in de dorpen en armenbuürten door evangeliseeren en straatprediking. Ten slotte sloeg het heilsleger zelfs geheel eigen gekozen, militair afgepaalde wegen in. Maar toch voelde men, dat vooral op de eugd de ijverigste pogingen zich moeten richten. De massa der ouderen gaf men op, om zijn kracht op het opkomend geslacht saam te trekken, in de stille hoop en met de vurige bede, of het onzen God believen mocht, in het tweede geslacht een geheel andere stemming te doen op waken. Zelfs de latere schoolstrijd had aan dit motief zijn opkomen te danken, maar het was vooral de Zondagsschoolbeweging die uit deze aandrift opkwam. .De Zondag was vrij, op Zondag kon men de jeugd om zich vergaderen. Door allerlei lokmiddelen kon men de kinderen aantrekken. En wel waren de predikanten op Zondag bezet, maar predikanten had men voor de Zondagsschool niet noodig. Elk eenigermate geoefend belijder kon hier als onderwijzer of onderwijzeres optreden. Zoo kreeg men toegang tot de jeugd, en toegang tot de gezinnen waaruit deze kinderen opkwamen. En al kon men ze op de Zondagsschool niet geheel opleiden voor het doen van belijdenis, men kon ze dan toch zoo ver brengen, dat men met een korte na-catechisatie, heel deze schare weer als levende ledematen in de Kerk tot openbaring zou kunnen brengen.
Ongetwijfeld moet geheel deze actie als uitnemend geslaagd worden toegejuicht, ook al had ze het nadeel, dat ze zich in hoofdzaak tot de jeugd der behoeftige bevolking richtte. Want v/el zijn er herhaaldelijk pogingen aangewend, om ook onder de hoogere klassen der maatschappij meêdeze actie door te trekken, maar dit faalde, minder nog in Amerika, dan in ons land; , en al zijn er ook ten onzent zeer enkele Zondagsscholen, waarop men kinderen uit de meer gegoede klassen om zich heen verzamelde, in hoofdzaak werkt de Zondagsschool ten onzent onder de kleine burgerij en onder den arbeidersstand. Doch al heeft dit zijn schaduwzijde, de zegen dien de Zondagsschool ook aan dien beperkten kring bracht, dient toch hoogelrjk gewaardeerd te worden. Er is Schriftkennis door verspreid; men heeft er toegang door gekregen tot de gezinnen; het geloof is er door voortgeplant; en zelfs zij die er onderwezen, hebben er een zegen van weggedragen. Maar dit neemt niet weg, dat ook hier de Christelijke actie In conflict met de Kerk kwam. Het was de taak der Kerk, die het particulier initiatief overnam. Ook zeer zeker een deel van de taak der ouders; doch ook de nalatigheid der ouders was op de Kerk te verhalen. Het was de Kerk die den toestand geduld en bestendigd had, dat duizenden gezinnen op haar boek stonden ingeschreven, zonder dat zij er naar omzag, of ook maar een poging aanwendde, om in die gezinnen de ouders er toe te brengen, dat ze den plicht der christelijke opvoeding bij hun kroost zouden nakomen. De Kerk stond zoo onbegrijpelijk schuldig. Ze had in alles Gods water over Gods akker laten loopen. Met een kleinen kring van meer gegoede families leefde ze op intiemen voet en voor haar kinderen zorgde ze, maar de groote massa liet ze gewetenloos aan haar lot over, en bij elk nieuw geslacht dat opgroeide, nam de verwildering steeds meer toe. Van een pogen om aan dezen schadelijken misstand een einde te maken, was bij de Kerk als Kerk geen sprake. Een enkel predikant, denk slechts aan Adama van Scheltema, mocht van onvolprezen ijver blijk geven, de Kerk ais Kerk deed niets, en reeds dit rechtvaardigde op zich zelf het optreden van de particuliere personen.
Ook het ernstigste bezwaar, dat tegen het Zondagsschoolv/ezen rees, hierin bestaande, dar onbevoegde personen Schriftonderwijs gaven, hield met het oog op hetgeen de Kerk deed, geen oogenblik steek. Immers de Kerk zelve alleen kon bevoegd verklaren, maar naar weiken maatstaf ging de Kerk hierbij tewerk.' Naar welken maatstaf verleende zij zelve n^ndaat tot prediking aan de dienaren en tot catechiseeren aan de catechiseermeestere .^ Bood die maatstaf waarborg, dat geen 01; zuivere prediking op den kansel zou komen, of geen aan de Schrift afbreuk doend onderwijs op de catechisatie zou worden gegeven.' Natuurlijk in het minst niet. Veeleer stonden en staan er nog eiken Zondag honderden predikanten op den kansel, die de waarheid niet alleen verdonkeren en vervalschen, maar openlijk bestrijden, en tot zelfs den Christus in zijn persoonlijke waardigheid aantasten. En dan levert deze zorgeloosheid en keurloosheid nog het tweede gevaar op, dat wie alzoo op den kansel zich uitlaat, dit doet in officieele qualiteit namens de Kerk, en op haar verantwoording. Wat recht zou een Kerk, die alzoo met het verkenen van haar mandaat omsprong, dan kunnen doen gelden, om het optreden van door haar niet gekeurde personen af te keuren en tegen te gaan.' Z3 zou dit alleen kunnen afkeuren, omdat het haar kerkelijke hoogheid aanrandde, maar onderwijl zou het particu'ier initiatief juist strekken kunnen om den eerbied voor Christus onzen Koning, dien zij prijs gaf, bij het opkomend geslacht te sterken.
Zelfs kan men nog verder gaan. Indien er onder dezs Zondagsschoolonderwijzers zijn mochten, die een averechtsche leer predikten en op dwaalspoor leidden, aan wie zou de schuld zijn.' Of is het niet de Kerk, die deze leden beoordeeld en goedgekeurd heeft, toen zij hen toeliet tot het Heilig Avondmaal; op wie ze, verder geen acht sloeg en bij wie ze, zoo er dan dwaling insloop, noch door toezicht, noch door vermaan, noch door tucht tegen de voortwoekering van het kwaad gewaakt heeft.' Heeft eerst de Kerk zelve zich hersteld uit haar inzinking, is ze weer tot zuivere belijdenis gekomen, en buigt ze zelve weer in eerbied en ootmoedigheid voor Christus als haar van God gezalfden Koning de knie, laat ze dan toezien, of ook hier geen kwaad insloop, en laat ze pogen dit te keeren, zonder het goede dat er in schuilt, te verderven. Staat ze zelve uit haar geestelijken dood op, dan zal 't eerste wat ze doet, zijn, zelve schuld te belijden, en God te danken, dat langs dezen ongeordenden weg, toch onder 'sHeeren zegen nog zooveel behoudenis is aangebracht. En vat ze dan haar eigen taak weer zoo ernstig op, dat eerlang eik vader en moeder, onder haar leiding, weer de Christelijke opvoeding van het kroostin het gezin ter hand neemt, en dat zij, als 't kon, weer van jongs af aan alle kinderen der gemeente een goed en degelijk godsdienstonderwijs waarborgt, dan zal de Zondagsschool overtollig zijn geworden en haar taak weer aan de Kerk overgeven. Maar hoe ver zijn we zelfs in de best ingerichte Kerk van dien idealen toestand nog af?
Maar zelfs dan nog worde nooit vergeten, dat in de Gereformeerde Kerk nimmer het beginsel gold, alsof het leven alleen uit het kerkbestuur tot de leden afvloeide. Veeleer gold steeds onder ons de heilige gedachte van het algemeen priesterschap der geloovigen. Ook op elkander moet men werken, en naast de kerkelijke tucht loopt het toezicht en vermaan der broederen onderling. De ouders zelve worden geroepen, om hun kind, dat ze ten doop presenteerden, ja, te doen onderwijzen, als ze zelve onmachtig zijn, maar zoo toch, dat het zelf-onderwijs in de doopbelofte voorafgaat en als regel geldt. Het lezen en saam bespreken van de Heilige Schrift is steeds onder ons in zwang geweest. Aan ieder staat het vrij, in den kring van zijn vrienden, onder zijn werkvolk, onder zijn kantoorpersoneel en wat dies meer zij, een woord ter vertroosting en tot stichting te spreken. Het voorgaan in het gebed is onder ons regel, zelfs in openbare vergaderingen. Wie niet spreken kan, kan schrijven, en de vrijheid van uitgave van zijn op schrift gebrachte denkbeelden blijft een ieder onverlet. Het beginsel waaruit onze Kerken leven, spoort alzoo de leden der Kerk tot zelf-optreden veeleer aan, dan dat het.hun den mond zou stoppen. En wat zou er dan op zich zelf tegen zijn, dat iemand op den Rustdag eenige kinderen, éiz anders op straat slenteren, om zich verzamelt en ze van de heilige historie verhaalt .' Gevaar schuilt hier te minder in, daar zij, die zich hiertoe opmaken, in dit feit zelf het bewijs leveren, dat hen zekere ernst bezielt, en dat ze er lust in hebben, zich met de heilige dingen bezig te houden. En werpt men ten slotte tegen, dat juist sommige sectarische geesten er vooral op uit zijn, de Zondagsschool als middel te misbruiken, om de jeugd voor hun sectarische denkbeelden te winnen, dan ligt het antwoord gereed, dat de Kerk deze sectarische geesten niet in haar midden moet dulden en zï aan de gemeente signaleeren moet.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909
De Heraut | 4 Pagina's