Geheugen van de VU cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van Geheugen van de VU te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van Geheugen van de VU.

Bekijk het origineel

„Van kracht tot kracht.”

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

„Van kracht tot kracht.”

9 minuten leestijd

Zij gaan van kracht tot kracht; een iegelijk van hen zal verschijnen voor God in Sion. Psalm 84 : 8.

De Bedevaart was alle eeuwen door gezocht en geliefd, en nu nog oefent de pelgrimstocht op wie aan heilige plaatsen gelooft, hooge bekoring uit. Het voor heilig houden en heilig verklaren van een oord, een plek, een huis of wat ook, omdat er heilige herinneringen aan verbonden ziJD, komt vanzelf uit den drang van het hart op; en hoe zou 't anders kunnen of wie aan het bestaan van zulke plaatsen gelooft, verlangt ze te zien, er te zijn, en persoonlijk er den machtigen indruk van te ondergaan Ea hecht zich dan bovendien nog aan zulke plaatsen het geloof, dat er wondere krachten worden geoefend, of ook, dat het bezoek van zulke plaatsen gebedsverhooricg bevordert of althans verdienste met zich brengt, dan verstaat men het, hoe onder alle volken en bij alle godsdiensten de Bedevaart een rol van beteekenis heeft gespeeld, en, wel verre van uit den tijd te geraken, nog steeds in beteekenis wint.

Zoo hadden de Heidenen in alle hemelsstreken hun bedevaarten, zoo trokken de Mohammedanen op bedevaarten uit, en wat hooge beteekenis de pelgiimstocht naar het Heilige Land eens voor de Christenheid bezat, toonen ons de kruistochten; pelgrimstochten, niet naar één enkel heilig oord, maar naar een geheel Heilig Land, waarin de wonderen des Heeren zich als hadden saamgetrokken.

En wat vooral de Bedevaart ook in het gekerstend Europa ingang deed vinden, was het lied Hamniadlbth, de Psalm van den Opgang van' Israël, van den opgang driewerf 'sjaars naar den Tabernakel eerst, en toen naar den berg Sion en naar den tempel, die op Sions top de openbaring van Gods heerlijkheid deed schitteren.

Van den hartstocht waarmee een Jood van het echte stempel, in de dagen van Israels bloei, naar het betreden van het heilig erf smachtte, geeft psalm na psalm ons nog getuigenis. De tocht was vaak lang; de wegen waren niet geëffend; soms zengde de hitte, zonder dat loover of rotswand schaduw spreidde; dorheid prikkelde den dorst; er was wild gedierte dat 's nachts rondsloop; en ook menschen-overlast was vaak van roovers.te duchten. Maar dit alles deerde niet; door niets van dit alles liet men zich afschrikken. Naar de Voorhoven des Heeren strekte zich aller begeeren uit, en eerst op Sion vond de vermoeide pelgrim rust.

Vanzelf is hierdoor Israels pelgrimstocht naar Sion, toen 't zinbeeldige der schaduwen wegviel, voor ons 't beeld van onzen pelgrimstocht naar het Jerusalem daarboven geworden. Heilige plaatsen vonden onze vaderen een bedenkelijke uitvinding; tegen bedevaarten in eigenlijken zin hadden ze om 't misbruik ernstige bedenking; maar als beeldspreukige afschaduwing van onze bedevaart naar het Sion dat boven is, bleef't hed Hammaaloth steeds hun voorliefde behouden, En als ': in onze bedehuizen werd aangeheven: „Zij gaan van kracht tot kracht steeds voort; elk hunner zal in 't zalig oord van Sion haast voor God verschijnen", dan werd de biddende ziel als vanzelf in dit lied opgeheven, en werd heel 't leven als een pelgrimsreis naar 't Vaderhuis doorwandeld.

Bunyan’s meesterwerk dankt aan dit overdrachtelijk opvatten van het leven als een pelgrimsreis'^ al den zegen, dien zijn in alle talen overgezet, en telkens weer gedrukt en verlucht meesterwerk, aan rijk en arm heeft geschonken.

Nu ligt in dat „voortgaan van kracht tot kracht" juist om de pelgrimsreis, waarbij 't gezongen wordt, een tastbare tegenstrijdigheid, wier oplossing in hoogere harmonie ten heiligen leven prikkelt.

De zin toch van dit „van kracht tot kracht" is, dat ds pelgrim, hoe verder bij op den pelgrimstocht komt, al minder door het gevoel van matheid en moeheid gedrukt wordt. Op zichzelf zou men' zich dit omgekeerd denken. Als ge van huis optrekt, voelt ge u sterk en friscU. Den eersten dag loopt ge met volle kracht. Maar na die eerste verspilling van kracht moet zeker gevoel van moeheid u den stap doen vertragen. Den derden dag moet dat gevoel van moeheid nog toenemen. En als ge eindelijk het doel van uw tocht bereikt, moet al uw kracht zijn uitgeput.

Maar bij den pelgrimstocht naar Sion, zoo zegt de psalmist, is dit alles omgekeerd. Met half loomen tred wordt de lange tocht aangevangen, maar hoe verder men komt, hoe makkelijker de pelgrim voortschrijdt. Hij voelt, hoe verder hij komt, zijn kracht niet afnemen, maar toenemen. Hij gaat van kracht tot kracht. Steeds voelt hij zich sterker en is in staat zijn pas te versnellen.

En komen eindelijk de bergen van Jerusalem in 't zicht, dan is 't of het heimwee naar Sion hem vleugelen leent, en komt al 't optrekkend volk blij en jubelend onder de schaduwen van Gods voorhoven aan.

Nu ligt hierin op zichzelf niet vreemds in. Al wie een voetreis van een zestal dagen onderneemt, ervaart steeds dat hij op den zesden dag beter loopt dan toen hij pas begon. En ook, al wie ooit tochten door een bergachtig land ondernomen heeft, weet hoe 't met zwoegen en diep ademhalen begint, tot het gaan en klimmen zelf de spieren spant en sterkt, en in het eind het loopen als vanzelf gaat, soms twaalf en meer uren achtereen.

Komt daar nu bij, dat het zielverterend verlangen „ora voor God te verschijnen" den pelgrim prikkelt en als voortstuwt, dan is het geen wonder, dat de schijnbare tegenstrijdigheid, van steeds minder moe te worden, hoe verder men trekt, zich voor het geloofsbesef in heilige harmonie oploste.

Maar nóg schooner wordt dit, zoo ge het overbrengt en loepast op onze pelgrimsreis naar het eeuwige leven, op onze bedevaart naar 't Sion dat boven is, op onzen tocht naar het Vaderhuis. En heerlijk is het, zoo een kind van God zó mag afsterven, dat 't nog op zijn stervensponde zijn blijde uUroep is: „Mijn voeten zijn staande in uw poorten, o, Jeruzalem!”

Eens Christens leven is niet een blijven zitten van de ure van zijn bekeering tot aan de ure van zijn sterven op dezelfde plek, maar moet althans zijn een steeds verder komen, een gestadig voortschrijden, een van Sabbath tot Sabbath almeer naderen van hst vaderland dat boven is. Ejn eerst ver afstaan, dan een gestadig zich iu de richting van het Jerusalem dat Boven is, voortbewegen, om eindelijk, als onze stervensure slaat, de poorte van het nieuwe Jeruzalem binnen te gaan.

Alleen maar, die weg is geestelijk. Het is een weg die tiet bij kilometers, maar met den maatstaf van het heilige gemeten wordt. Die weg ligt niet buiten ons, maar in ons hart. Het is een geheel inwendig proces dat we door moeten maken. Eerst ligt ons hart van he heilig ideaal nog verre gescheiden. Gaandeweg moet die afstand tusschen ons hart en dit heilig ideaal inkrimpen. En al zal degroote overgang eerst in het sterven zelf gemaakt wordep, als eindelijk de onheilige gifplant der zonde met lak en wortel uit ons hart wordt uitgerukt, de verhouding tusschen zonde en heiligheid maet toch reeds in den tijd van dit ons leven gedurig wijziging ondergaan. Eerst zwak tegenover de zonde en zwak in het heilige. Dan het ritselen van de geestelijke kracht die in ons begint op te komen. Daarna een allengs wassen van die geestelijke kracht, tot ze een gestalte in ons aanneemt. En is dit heerlijk punt eenmaal bereikt, dan een gestadig gaan van kracht tot kracht, tot we zelfs in het sterven niet inzinken, maar met heiligen moed en me zielverterend heimwee den laatsten gang naar het Vaderhuis tegengaan.

Zoolang ge als verloste door uw Heiland blijft'rusten bij het eerste punt van uw bekeering, op dezelfde plek stand houdt, niet vooruit komt en niet vordert, is uw geloof een slapend geloof, een dorre plant die geen bloesem toont en geen vrucht kan dragen. Zoolang ge als kind van uw God uw leven op die wijs rekken wilt, en geen begeerte kent om ontbonden te worden en met Christus te zijn, ontbreekt u het heimwee, om voor God te verschijnen. En zoolang ge als geroepene ten leven niet gestadig wint in heiligen zin, in geestelijke opgewektheid, en in kracht om uw zonde als een giftige adder van u te werpen, wordt ge als eea onwillig slachtoffer naar uw stervenssponde gesleurd, en is het rijk der heerlijkheid daarboven voor u nog nimmer uw Vaderhuis geweest.

Toch zijn er, helaas, maar al te velen, die op die manier hun overgang naar de eeuwigheid tegemoet gaan. Ze hebben zich tot op zekere hoogte den ernst van een Christelijk leven aangewend, maar daarbij blijft 't dan ook. Ze vorderen niet, en komen niet vooruit. Zs verstaan het „voortvaren" niet. Ze laten hun karakter wat het was. Door altoos dezelfde boezemzonde laten ze zich verzoeken. In altoos dezelfde kleine zonden vervallen ze. En steeds blijft het bij de oude loomheid en traagheid, als er weer een stuk van den pelgrimsweg moet worden afgelegd.

En de alleszins begrijpelijke oorzaak hiervan is, dat juist de eerste schreden op dezen weg het moeilijkst vallen. Bij hun bekeering deden ze, als we het zoo mogen uitdrukken, een geestelijken sprong, als waren ze uit hun vroeger wereldsch leven plotseling op den heiligen weg overgezet, en waanden nu er te zijn. Er te zijn, nu de weg niet voleind was, maar pas begon. En toen ze nu op dien langen weg de eerste schreden voorwaarts wilden doen, heeft dit hen geestelijk vermoeid en afgemat. Ze waren wat men in 't sportleven noemt, geestelijk nog niet getraind. Het viel hun o, zoo bitter tegen, en toen schuifelden ze nog wel voort, maar om 't al spoedig op te geven, en zoo bleven ze jaar in jaar uit moedeloos voorttobben. Als ge hen n tien jaren terugziet, vindt ge ze juist op 'tzelfde punt, waarop ge ze voor tien jaren verliet.

En daarom nu komt de Schrift ons op de pelgrimsreis naar het aardsche Sion wijzen. Ook die Sionpelgrims waren eerst loom in hun gang. en voelden zich spoedig o, zoo moede. Maar ze zetten 't door. En toen kwam alras de zalige ervaring, dat hoe verder ze kwamen, hoe meer de moeheid week. Toen ging 't van kracht tot kracht, en viel het voortschrijden op den weg hun steeds lichter.

En zoo nu, komt de Schrift u betuigen, zal 't ook uw ervaring op den geestelijken weg zijn. De eerste schrede 't moeilijkst. , Maar als ge voortvaart, doorzet en volhardt, zal ook bij u al spoedig de geestelijke loomheid wijken, en zal het ook bij u worden een gaan van. kracht tot kracht, onder een steeds sterker heimwee naar het hemelsche vaderland.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909

De Heraut | 4 Pagina's

„Van kracht tot kracht.”

Bekijk de hele uitgave van zondag 7 februari 1909

De Heraut | 4 Pagina's