Buitenland.
Duitscbland. Uitspraak van den Opperkerkeraad over den modernen predikant Traub.
Op den tweeden Paaschdag van 1907 hield de predikant Traub in de Reinoldikerk te Dortmund een preek die veel ergernis in de gemeente gaf. Bij het koninklijk Consistorium van Westfalen kwam daarover een aanklacht in, en in zijne zitting van 17 Maart 1908 besloot dit bestuur een „Vertahren" wegens dwaalleer tegen den predikant bij den Opperkerkeraad voor te stellen. Dit laatste lichaam, het hoogste kerkbestuur in de Pruissische landskerk, oordeelde in zijne vergadering van II Nov, 1908. dat er geen vervolging wegens dwaalleer kon plaats hebben, omdat het reeds zoo lang geleden was sedert de Paaschpreek gehouden werd en uit het getuigenverhoor datgene, wat Traub uitgesproken tiad, niet met zekerheid kon vastgesteld worden. Toch was uit hetgeen door de getuigen gezegd was, gebleken, dat zij allen den indruk gekregen hadden, dat de prediking van den beschuldigde zonder piëteit geweest was en dat de bespreking van het Paaschwonder kwetsend moest genoemd worden voor het Christelijk gevoel. Ook bleek uit het getuigenverhoor, dat de prediker door zijn uitlatingen aanleiding gegeven had tot het ontvangen van dien indruk. Daarover sprak de Opperkerkeraad zijn ernstig misnoegen uit.
Daaraan wordt dan een niet minder ernstige vermaning vastgeknoopt.
Volgens zijn _ eigen bekentenis had Traub in zijn prediking zich twee dingen tot taak gesteld, ten eerste een critisch onderzoek in te stellen naar de berichten over de opstanding des Heeren, om daarna in de tweede plaats aan te toonen, lat men tegenwoordig nog met recht het Paasch feest viert. De gemeente komt, volgens het oordeel van het bestuurs college, niet op Paschen samen om omtrent de historische berichten van het Paaschwonder critisch onderwezen te worden, of om te hooren dat men nog tegenwoordig recht heeft Faaschfeest te vieren. Dit geloof is gelijk van zelf spieekt, de „voraussetiung" van haar Paaschfeest. Het is hare be iioefte, in het Paaschwonder gesterkt te worden en opnieuw gewis te worden van? zijn wereld overwinnende kracht. Aan deze behoefte te voldoen, naar de mate van het eigen geloof, is de plicht van haar leeraar.
Men verzuimt echter zijn roeping wanneer men de gemeente zoekt in te leiden in de „moeilijkheden" der critiek en haar tracht voor te houden, welke onderscheidene meeningen de verschillende Taeologische richtingen over de berichten omtrent de Opstanding zijn toegedaan. Wanneer men er zich op beroept dat het verledene, dat tot de geschiedenis behoort, voor het tegen woordig geloof en de vroomheid van dezen tijd niets meer kan beteekenec, zoo staat vast, dat bet Christelijk geloof zijn grond heeft in het bistorische Evangelie van Jezus Christus, dat daarmede staat of valt; om niet er van te spreken dat de gestelde theorie in tegenspraak IS met alle ervaring.
Voorts wijst de Opperkerkeraad er Traub op, dat het hem niet verborgen kan zijn, dat de Evangelische landskerk niet eene instelling is om zeker godsdienstig leven te wekken en aan te kweeken, maar dat haar voornaamste doel is, de verkondiging van het historisch Evangelie van Jezus Christus en het aankweeken van het geloof, dat daarop gericht is. Wel heeft de pre diker vrijheid in de wijze van verkondiging van bet ééne Evangelie, maar die vrijheid kan in geen geval de vrijheid om het Evangelie en de daarop rustende belijdenis der kerk te bestrijden, insluiten. Die vrijheid is daardoor zonder eenig voorbehoud beperkt, dat de prediker ge houden is het Evangelie van de geloofsbelijdenis der kerk te verkondigen. Alleen onder deze voorwaarde kan de Godsdienstoefening een levensbron voor de geheele gemeente worden, daar anders de ondragelijke toestand geboren zou worden, dat hetgeen voor den een onderwijs en geestelijke opwekking is, voor den ander een zware ergernis en niet te dragen last wordt. De overtuiging, dat men onmogelijk in dezen dn de geheele gemeente in hare onderscheidene deelen en richtingen, het Evangelie dat men zich innerlijk tot zijn eigendom gemaakt heeft, krachtig en stichtelijk kan verkondigen, moest den prediker de vraag voor de conscientie leggen, of hij nog onder die omstandigheden het recht heeft in de kerk een ambt te bekleeden. Daarbij spreekt het van zelf, dat elk ernstig predikant er op uit zal zijn, om ook zijne redevoeringen, die hij niet ambtelijk uitspreekt, met ziin amb» telijken arbeid ia overeenstemming te brengen.
De Opperkerkeraad eindigt met het uitspreken van de verwachting, dat Traub zich aan het bovenstaande zal honden. Wanneer het blijkt, dat hij zich daarnaar niet gedraagt, dan zou hij het aan zich zelven te wijten hebben, wanneer er ernstiger maatregelen tegen hem werden genomen.
Iemand die de Ouitsche toestanden goed kent, Spreekt als zijn gevoelen uit, dat men van het hoogste kerkbestuur niet meer kan verlangen, met het oog op de omstandigheden waarin men verkeert. Men gaf den modernen predikant een mBmim "mm consilium abeundi, een raad om weg te gaan. Jammer dat dit bestuur zich er op beroept of er zich achter verschuilt, dat het 200 lang geleden is, dat de geincrimineerde prediking plaats had en dat de getuigenissen niet overeenstemden. Traub is een beslist moderne, die er geen geheim van maakt, dat hij de heüsfeiten die de kerk gelooft, loochent. Voortaan zou men stenografen in de kerk moeten plaatsen, om met juridische juistheid te kunnen constateeren wat een predikant al dan niet gesproken heeft; eerst dan kwam men voor het kerkbestuur goed beslagen ten ijs. Als echter de Opperkerkeraad op de manier die hij nu volgde, blijft besturen, dan is de gemeente weerloos tegenover de wolven die in de schaapskooi van Christus dringen.
Is het te verwonderen, dat het volk dat de verkondiging van het Evangelie lief heeft, zich in „Gemeinschaften" vereenigt?
Engeland. De schoolstrijd.
Het is niet gemakkelijk, een goed inzicht te krijgen in den schoolstrijd die in Engeland gevoeld wordt. Om onze lezers in staat te stellen, zich een oordeel te vormen over die worsteling, diene bet volgende.
Oorspronkelijk ging in Engeland de volksschool van de kerk uit. Doch gelijk in andere landen, kwam het onderwijs onder den invloed van de overheid, al ging dit proces door de eigenaardige verhoudingen in dit land, slechts j langzaam voort. Reeds lang ondersteunde de staat de vereenigingen, welke zich het stichten en onderhouden van volksscholen ten doelstelden, tot men in 1870 een wet uitvaardigde waarbij bepaald werd, dat in alle gemeenten volksscholen moesten zijn. Door de wet van 1870 werden vele gemeentelijke scholen gesticht (board schools), die door de burgerlijke overheid gesticht, ook door haar onderhouden werden, en als machtige concurrenten der kerkelijke scholen, die eerst „national schools" en daarna „voluntary schools" genoemd werden. In deze j gemeentescholen, die geheel onder de burgerlijke d overheid staan, wordt een soort van keikelijk neutraal godsdienstonderwijs gegeven; het was de bedoeling om de jeugd Bijbelsch onderwijs te laten mededeelen, zonder dat dit onderwijs een kerkelijke kleur heeft. Door velen wordt dit onderwijs voor waardeloos en onvoldoende gehouden.
Ook daarna kregen de kerkelijke scholen — in de eerste plaats gaan deze van de Angli kaansche staatskerk uit, maar ook We& leyanen, Roomschen en Joden hebben ze — belangrijke subsidiên uit de staatskas, naar het aantal leerlingen dat zij hadden, en tot het begin van deze eeuw bezocht het grootste deel van de kinderen in Engeland de kerkelijke scholen (Schotland, waar de verhoudingen eenigszins anders zijn, blijft hier buiten bespreking); zelfs was in duizenden dorpen de kerkelijke school de eenige. Maar inmiddels wonnen de zuiver burgerlijke scholen steeds terrein, en op den huldigen oogenblik hebben zij de kerkelijke scholen reeds oveivleugeld. Het werd toch vooi de laatste scholen hoe langer hoe moeilijker, om aan de eischen die in den tegenwoordigen tijd met betrekking tot leermiddelen en hygiene gesteld worden, te beantwoorden, en daarvoor de noodige middelen uit de lage schoolgelden en vrijwillige bijdragen bijeen te krijgen. Het Toryministerie van Balfour kwam deze scholen door zijn wet van 1902 te hulp. Volgens deze wet moesten ook de kerkelijke scholen door de belastingbetalende burgers onderhouden worden; alleen het stichten en het onderhoud der schoolgebouwen bleef voor rekening van hen, die de kerkelijke scholen bestuurden.
Daartegen kantten zich de Dissenters, dat wil zeggen zij die tot vrije kerkgemeenschappen behooren, met alle macht. School belasting betalen voor eene school, waarover zij niets te zeggen hadden, dat ging niet aan. De kinderen der Dissenters, op het platteland onderwijs doen genieten van onderwijzers, die met den geest der hoog-kerkelijken of ritualisten behepi zijn, dat wilde men niet. Men begon met passieven tegenstand te bieden; duizenden weigerden dat deel hunner gemeentelijke belasting te betalen, dat dienen moest tot onderhoud van de kerkelijke scholen; liever liet men beslag op zijn goederen leggen, of zich zelfs in de gevangenis sluiten.
Vooral in Wales was deze tegenstand sterk; hij werd een tijd lang gebroken tengevolge van de opwekking die daar door het optreden van E'/an Roberts ontstond, a^aar kwam opnieuw weer op toen genoemde beweging verflauwde.
De tegenzin dien men in de bestaande schoolwetgeving had, bracht in 1905 het tegenwoordige liberale ministerie aan net bewind. Nu heeft dit ministerie al drie jaar het roer van zaken in handen, maar het is het niet mogen gelukken eene oplossing van de schoolquaestie te vinden. Een schoolwet werd voorgesteld, die door het Hoogerhuis verworpen is. Een tweede wetsvoorstel moest het ministerie terugnemen. In de laatste weken van bet jaar 1908 werd weder een voorstel gedaan, dat door voormannen van verschillende partijen met sympathie is begroet; doch ook deze poging is als mislukt te beschouwen. Ditmaal had de minister van onderwijs zich tegenover „de kerk van Engeland" (de Anglicaansche staatskerk) veel toe schietelijker betoond, dan zijn ambtsvoorganger geaaan bad, en de aartsbisschop van Canterbuiy, Davidson, en de an^iere bisschoppen, gaven te kennen, dat zij zich daarin wel zouden vinden.
Volgens dit voorstel zouden alle scholen die met gemeentelijke belastingen worden onderhouden, uitsluitend onder controle van de overheid staan; den onderwijzers die daarbij aangesteld werden, zou men niet vragen tot welke godsdienstige richting zij behooren of van welke kerk zij lid waren. Terwijl alzoo de kerkelijke scholen haar karakter verloren^ zouden de kerken, ook zij die niet tot de Staatskerk behooren, bet recht krijgen, aan de gemeentelijke scholen, tot aanvulUng van het daar gegeven bijbelsch onderwijs, godsdienstig onderwijs te geven naar hare belijdenis, waaraan zulke leer lingen konden deelnemen, wier ouders dit verlangden. De kerkelijke scholen zouden echter ook weder geheel vrije scholen kunnen worden en daarbij nog onderstand uit de kas der overheid ontvangen.
Door de mannen van „de kerk van Enge b land" werd deze poging om het schoolvraag-g stuk op te lossen, met zooveel weerzin begroet, k dat de regeering besloot het terug te nemen. m Zij, die de kerkelijke scholen voorstaan, vinden z zich beter bij de bestaande wet. De aartsbis m schop van Canterbury is van oordeel, dat men r door wat toe te geven, het Christelijk karakter b van het onderwijs handhaven kan, doch de w leden zijner kerk zijn van een ander oordeel.
Niet gelukkiger was de regeering met hare poging om het misbruik van alcoholisch dranken tegen te gaan, door beperking van het aantal drankgelegenheden. Het wetsvoorstel werd door het Hoogerhuis verworpen, al pleitten zij, die in , .de bank der bisschoppen" gezeten waren, er voor.
Volgens statistieke opgaven over het jaar o 1907 is het ledental der Baptisten 'vx Wales, gelijk ook in 1906, met 9000 verminderd. Deze vermindering is voornamelijk geconstateerd in het graafschap, waarin het brandpunt was van de opwekkingsbeweging. Maar het staat toch vast, dat trots den teruggang van velen, de kerken van die beweging blijvende winst hebben mogen boeken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 7 maart 1909
De Heraut | 4 Pagina's