Naar aanleiding van wat
Naar aanleiding van wat we onlangs schreven over het gevaar, dat door den lagen stand der predikantstractementen niet alleen het aantal candidaten op den duur vemiinderen zal, maar ook het gehalte, omdat de ouders uit de hoogere burgerij aarzelen zullen hun zonen te laten studeeren voor een ambt, dat hen tot fatsoenlijke armoede veroordeelt, vraagt men ons, of het bezwaar wel zoo ernstig is. Vooreerst, zoo merkt men ons op, is het gevaar van rmoede lijden lang niet zoo groot voor onen, wier ouders bemiddeld zijn en wier inderen dus van het tractement alleen niet ehoeven te leven. En ten tweede oordeelt en, dat een jonge man, die zelf geen K v h r w d K A middelen heeft om t^ studeeren ea 11151 'veel rnoeite en hulp van anderen erko^i : en 'moet, veel meer waarborg biedt, dat óo rechte begeerte tot het ambt hem drijft dan een zoos van bemiddelde ouders di' zonder eenige finantieele moeite zijn gtü^j»^ voltooien kan.
Deze opmerking zou ten deele juist zijn waanter we gesproken hadden van bemii, dslde ouders, maar hiervan was jn ons betoog geen sprake. Standsverschil is Bjg» hetzeUde liezif als verscnu schil in m tiaar-tieeie fnieeie middelen Predikanten, rechters, leeraren aan gymnasia en hoagere burgerscholen vormen in dg inaatschappij een boogeren stand inkvensvormen en usantiën, dan een winkelier of boer, hoewel de iaatsten dikwijls over meer kapitaal beschikken kunnen. Voor een zoon van rijke ouders, uit weiken stand dan ook behoeft het lage predikantstractement wel geen be3waar te wezen, want hij weet, dat hij van zijn tractement alleen niet behoeft te leven. Maar onxe opmerking sloeg op die ouders, die desnoods wel in staat zijn uit eigen middelen hun zoon te laten studceren, doch die daarom nog niet in staat zijn jaarlijks een surplus aan het levensonderhoud hunner volwassen kinderen toe te voegen.
En wat de zaak zelf aangaat, or.ze vaderen hebben het steeds van hoog belang geoordeeld, dat ook zonen van deftigen stand zich aaa den Dienst des Woords gaven, We zeggen dit niet, om daarmede eenigen stand of beroep gering te achten. God de Heere heeft menigmaal zonen uit zeerattne en geringe ouders willen gebruiken tot Zijn dienst en door hen zeer rijk Zijn Kerk ge. êcgend. Maar toch neemt dit niet weg, dat de opvoeding en kring waarin men geboren is, ook voor het predikambt beteekenïs heeft. Amos, de ossenherder van Thekoa, en Jesaja, de prins uit vorstelijken hu'za, zijn beide door God als profeet gebruikt, maar wie voelt niet het onderscheid tusschen beide? Niet ten onrechte heeft Ravensteijn in zijn Nasireër Gods, waar hij de vereischten voor het predikambt bespreekt, er op gewezen, dat in degenen, die zich voor het predikambt voorbereiden, ook geeischt wordt een „welgeschikte gemanierdheid of wellevendheid". Door een boersche plompheid en slordigheid maakt de predikant, zoo zegt hij, zich onaangenaam bij lieden van 'aanzien en geboorte, en stelt zich bloot aan bespotting en verachting, waardoor zijn dienst zelf last lijdt en in kleinachtïng komt. En al blijft v/aarachtige vroomheid des harten en innerlijke drang des Geestes om God in het ambt te dienen, de eerste vereischte, toch behoeft daarom de^e ondergeschikte eisch niet uit het oog te worden verloren.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1909
De Heraut | 4 Pagina's