Uit de Pers.
Ds. Van Andel schreef in de Bazuin enkele rake opmerkingen aan het adres van onze predikanten, onder den titel voor, onder en na de preek.
Uit de binnenkamer naar den predikstoel, zoo behoort het. Vele vrienden van den prediker schijnen er anders over te denken; zij plegen hem, als hij des avonds prediken moet, des middags tot kort vóór dien tijd te bezoeken, en over aller lei dingen met hem te spreken. Zulke vrienden vergeten dat zij huns ondanks, ook als zij over goede dingen met den prediker spreken, hem zeer hinderlijk zijn: want zij brengen hem dikwijls uit de stemming, waarin hij behoort te verkeeren, als hij den predikstoel beklimt; ook leiden zij ïijne aandacht van zijn onderwerp af, brengen verwarring in zijne gedachten en verzwaren hem het werk der prediking. Er zijn uitzonderingen, voorzeker; zeer geoefende predikers zullen er misschien geen last van hebben, maar jongeren in de bediening te meer, tenzij dan dat men behoort onder de predikers, die hun hart hij hunne prediking niet noodig hebben.
Maar de verzoeking volgt den prediker soms op oen voet, ook als hij in de beste stemming kerkwaarts gaat. Op sommige plaatsen is het gewoonte, dat ouderlingen en armverzorgers zich om den leeraar scharen, even vóór de dienst begint, om *oof hem te bidden en hem naar het gestoelte te geleiden. Maar als de stemming der broederen ? «en peil houdt, zijn één onvoorzichtig woord, «o alledaagsch gesprek, soms voldoende om ook «es predikers stemming te bederven, tot schade Oer gemeente. Zelfs het gebed, waarmede dit kort «meniijn besloten wordt, kan ontstichtend werken, ais het Inplaats van eene bede voor den prediker te zgn, vooruit grijpt öp het gebed dat deze nameas de gemeente bidden zal, of als het door lengte of droogte vermoeit; niet het minst als de bidder den prediker min gunstig gezind is, en zijn gebed gebruikt om hem zulks te laten gevoelen.
Hoe de leeraar naar den predikstoel gaat is niet hetzelfde. Vlieg niet en kruip niet; in beide gevallen zou uw ernst in verdenking komen. Gaat gij te vlug dan hebt gij geen ernst genoeg, en gaat gij te langzaam dan is uw ernst gemaakt. Ook hier is de middenweg de veilige.
Als gij uw werk op den predikstoel begint, kom dan niet te spoedig in vunr. Het vuur der voorafspraak heeft menige preek verteerd. Wie zijn vers te hoog inzet, komt ten laatste stem te kort; men beginne dan beneden aan den berg, opdat er gelegenheid zij om op te klimmen.
Gaat de prediker over tot het gebed voor de predikatie, dan spreke hij anders tot God dan tot de menschen. De prediker moge onder het gebed op zijn predikstoel blijven staan, deze is zoolang hij bidt geen predikstoel, maar een bidgestoelte. Thans toch vertegenwoordigt hij de gemeente; hij moet haar tolk, haar mond tot God zijn, geen voorbidder, maar een, door wien zij zelve bidt. Dat worde nooit uit het oog verloren, Hi: r dale de toon, zooder echter klagend en slepend tewor den, als ware men een slaaf inplaats van een kind. Men brenge geene prediking in zijn gebed, door Gode iets te zeggen, dat eigenlijk gezegd wordt met de bedoeling om het de gemeente te laten hooren; O prediker! verwar gebed en prediking niet. Bedenkt dat men tot God spreekt, dan zal men van zelf kort zijn, en zich niet aanstellen alsof wij den Heere iets zeggen moesten, dat Hij niet wist. Evenzeer zal men niet naar zichzelven luisteren: want God hoort niemand die zichzelven hoort. Mag dit bij hen, die op taal en stijl moeten letten, aanleiding tot fouten op dit gebied geven, men bekommere zich hierom niet; een gebed zonder fouten in taal en stijl teekent óf den volleerden taalkundige of den kunstraatigen bidder. Slechts zorge hij dat er geene wanorde of herhaling in zijn gebed zij; want dan kan de gemeente niet mede bidden.
Er is een gewichtig iets, waarop de gemeente wel eens, vóór men tot het gebed overgaat, gewezen mag worden, 't Is deze, dat God het gebed der twistenden en toornigen niet verhoort. Indien er enkelen in de gemeente zijn, die verdeeld zijn tegen elkander, zal dit de verhooring des gebeds niet verhinderen, zoo de gemeente het hare doet, om hen tot elkander te brengen. Maar als partijzucht de gemeente verteert, dan heeft het gebed zijne kracht verloren. Mogelijk heeft God nog enkele voorbidders in zulk eene gemeente over gelaten, die in gemeenschap met en door den Geest van den hemelschen Voorbidder niet té vergeefs harer gedachtig zijn; maar op het gemeenschappelijk gebed waarin de prediker haar vertegenwoordigt, mag zij alsdan geene verhooring verwachten.
Nu volgt de predikatie. Wat een voorrecht voor een hoorder als zijn prediker spreekt. De spreektoon is de ware preektoon. Hier komt geen galmen, geen schreeuwen te pas; een weinig verheffing van stem, zoo noodig, mag voldoende geacht, 't Is waarlijk niet hetzelfde hoe men spreekt; wie meent door galmen en schreeuwen grooteren indruk te maken, vergist zich; een zachte regen dringt het diepst in den grond. Daarom behoeft men niet alles op éénen toon te zeggen; de prediking zij geen wiegelied. Slechts zorge de prediker dat zijn spreken niet denken doe aan iemand die een tocht maakt over bergen en door dalen, daardoor dat hij zich het eene oogenblik onverstaanbaar maakt door zijne stem al te hoog te verheffen, en het andere oogenblik door zijne stem al te diep te doen dalen. Spreek niet te snel, opdat uwe hoorders u kunnen bijhouden, en zich niet genoodzaakt^zien om achter te blijven, maar ook niet te langzaam, opdat uwe hoorders in hunne harten uwe drijvers niet worden. Ga met hen een rechten weg. Keer nooit op dien weg terug, want herhalen is vermoeien. Wandel niet met hen in duisternis, maar geef heldere gedachten, opdat uwe rede hun geen doolhof zij. Ban de vreemde woorden uit uwe prediking ; zij bebooren op den katheder, niet op den predikstoel. Wilt gij een verhaaltje in uwe preek inlasschen, zorg dan dat het een nieuw zij; want christelijke anecdoten verliezen na het eerste gebruik hunne kracht.
Bewaar uwe kracht voor het slot uwer rede. Indien gij deze afbreekt door het opgeven vaneen zacgvers, laat dit dan gedaan worden met de bedoeling om de harten der hoorders te beter te stemmen tot wat men van den predikstoel nog van u hooren zal. Volg niet het voorbeeld van hen, die de gemeente verzoeken om tot verpoozing harer aandacht te zingen; want niet alleen zijn de psalmen ons niet gegeven om onze hersenen wat ontspanning te geven, maar gij zoudt den indruk geven dat gij de aandacht van uwe hoorders dermate had weten te boeien, dat hun een weinig ruste noodig werd.
Is de preek ten einde, vermijd dan alles wat den indruk van het gesprokene verstoren zou. Ook om die reden schijnt een kort nagebed, dat zich bepaalt tot de bede dat de hemelsche Landman zegen op het gezaaide doe nederdalen, ver kieselijk boven een lang, waarin de aandacht van allerlei bijkomstige dingen wordt afgeleid. Men vermijde om gelijke reden zooveel mogelijk afkondigingen van den predikstoel te doen; ach! er vliegen buiten de kerk vogelkens genoeg om het gestrooide zaad op te pikken, dan dat men ze in de kerk zei ven loslaten mag. Zie vooral toe, prediker, dat gij zelf zulk een vogelke niet zijt. Vooral als het gemoed tijdens het prediken in geestelijke spanning is geweest, dreigt het gevaar, dat er eene vleeschelijke ontspanning volgt, die zich bij humoristisch aangelegde naturen, in ijdele scherts lucht geeft, of anders in gesprekken van alledaagschen aard. Dat kon hen, die er getuige van zijn, geestelijke schade toebrengen; het maakt het gewicht van het gesproken woord lichter, waar ernst na de prediking het zijne zwaarte ten volle liet behouden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 14 maart 1909
De Heraut | 4 Pagina's