Belijdenis des Geloofs.
Nu straks het Paaschfeest weer aanbreekt, nadert ook de tijd, dat in onze meeste kerken de jonge lidmaten in het openbaar belijdenis des geloofs zullen afleggen, om tot het Avondmaal te worden toegelaten.
Nottuurlijk is dat niet bedoeld in dien zin, alsof ons Paaschfeest in bijzonder ver band met deze belijdenis des geloofs zou staan. Voor iedere Avondmaalsviering behoort gelegenheid te worden gegeven aan ieder, die belij'denis des geloofs wil afleggen En het Avondmaal, dat op Paschen gevierd wordt, is op zich zelf niet heiliger dan elk ander Avondmaal. In de Kerkenorde van Calvijn werd dan ook bepaald, dat op eiken Zondag voor het Avondmaal dit aan de gemeente zou worden meegedeeld, opdat ieder, die aan het Avondmaal wilde deel nemen, in staat zou zijn belijdenis des geloofs afteleggen.
Toch willen we daarom tegen deze usantie, om bepaald bij het Avondmaal op Paschen belijdenis des geloofs af te nemen, niet ijveren, mits deze gewoonte maar niet tot superstitie aanleiding geeft, In de oude Christelijke Kerk werd de doop der volwassenen gewoonlijk tot Paschen of Pinksteren uitgesteld. Een zekere Symboliek werkte daartoe mee. De doop beeldde af en verzegelde, hoe men met Christus begraven was in zijn dood en opgewekt was tot een nieuw leven, en daarom scheen het Paaschfeest inzonderheid voor de doopplechtigheid zich te eigenen. Ook het Pinksterfeest, het feest van de uitstorting des Heiligen Geestes en van de „eerstelingen", leende zich uitstekend voor de doopplechtigheid. Later werd in de Wes' tersche Kerk het vaststaande gebruik, dat ieder althans met Paaschfeest ten Avond maal moest gaan. Dan vierden de kinderen der gemeente ook het meest hun eerste communie. En zoo sloop deze gewoonte ook in onze Kerken in. Op zich zelf is hiertegen ook geen bezwaar, mits hiervan maar geen dwingende regel worde gemaakt en alle gedachte worde afgesneden, alsof het Avondmaal op Paschen meerdere heiligheid zou hebben dan elk ander Avondmaal. Beteekenis kan deze gewoonte dus alleen hebben, omdat de Dienaar des Woords met zijn catechisatie-onderwijs er eenigermate op rekenen kan, dat tegen Paschen de catechese tot zekere afsluiting komt.
Hoofdzaak blijft echter bij deze belijdenis des geloofs, dat bij de jonge lidmaten der gemeente de overtuiging gevestigd wordt, dat deze belijdenis niet een soort examen is aan het einde van een leeronderricht, om, wanneer ze toonden een voldoende mate van kennis gekregen te hebben, nu van de catechisatie als „volleerd" ontslagen te worden, maar dat ze belijdenis hebben af te leggen van hun. geloof. Dat geloof nu is, naar luid van onzen Catechismus, niet alleen een zeker weten van alles wat ons God in zijn evangelie geopenbaard heeft, maar ook een hartelijk vertrouwen^ dat de Heilige Geest door het Evangelie in mijn hart werkt, dat God mij om Christus wil al mijn zonden vergeven heeft. Dat en dat alleen is een waar en oprecht geloof. Elk ander geloof is geen echt geloof, geen geloof dat de keur der heiligheden doorstaan kan. En al kan de Kerk niet over het inwendige oordeelen, omdat God alleen een Kenner der harten is, toch mag de Kerk nooit aflaten van den eisch, dat ieder die haar lidmaat wil zijn, tot de belijdenis van dat oprechte geloof zal komen. De Kerk is de vergadering der ware Christ-geloovigcn, en ieder, die tot haar gemeenschap behoort, moet daarom ook een ware geloovige zijn.
Niet ernstig genoeg kan hierop bij de belijdenis des geloofs nadruk worden gelegd. Zeker, de vraag of men waarlijk gelooft wat men belijdt, behoort aan ieders conscientie te worden overgelaten. Al heeft de Synode van Dordrecht terecht er op aangedrongen, dat de Dienaren niemand zouden opwekken tot de belijdenis des geloofs, in wien ze niet eenige merkbare teekenen van godzaligheid zagen, en al hebben de predikanten als trouwe herders der zielen wel ernstig toe te zien, dat ze niet lichtvaardig hierin handelen, — ten slotte kan de Kerk aan iemand, wiens leven onberispelijk en wiens geloofskennis voldoende is, de belijdenis des geloofs niet weigeren. Hypocrieten en huichelaars weert de Kerk ook bij het strengste onderzoek toch niet. Maar nooit mag dit er toe leiden, dat dé Kerk op welke wijze ook den indruk geeft, alsof bij de belijdenis des geloofs het alleen aankwam op zekere mate van kennis, een zedelijk gedrag, een zoogenaamd historisch geloof. Want dit alles heeft met de belijdenis des geloofs nog niets te maken. Gods Woord voegt beide saam: wie met het hart gelooft en met den monde belijdt. Aan de belijdenis der h'ppen moet het geloof des harten voorafgaan. Dat is de eisch van den Heere onzen God. Ea de Kerk mag niet scheiden, wat God vereenigd heeft.
Natuurlijk wordt daarmede niet bedoeld, dat bij die belijdenis des geloofs alleen en uitsluitend gevraagd zal worden, of men Christus als zijn Zaligmaker erkent en aanneemt. Wat God ons geopenbaard hseft in Zijn Woord en wat we daarom gehouden zijn te gelooven, is veel meer, reikt veel verder, gaat veel dieper. Van een zoogenaamd kolenbrandersgeloof, een geloof, dat methodistisch van aanleg, tevreden is met een Evangelie op een stuivertje, wil onze Gereformeerde Kerk niets weten. Voor het geloof is kennis noodig, kennis van den vollen raad Gods, gelijk die door de Kerk in haar belijdenis wordt beleden op grond van Gods Woord. Maar al heeft de Kerk daarom het volle recht, te eischen, dat wie belijdenis des geloofs in haar midden wil afliggen, ook toonen zal dat hij naar de mate zijner jaren en ontivikkeling met de geloofswaarheden metterdaad bekend is, — hoe zou hij kunnen belijden te gelooven wat hij niet kent.' — toch mag het nooit zoo voorgesteld, alsof het kennen alleen voldoende zou wezen. Al kende ik, zegt de Apostel, alle talen der menschen en der engelen en ik had de liefde niet, zoo ware ik een klinkend metaal of een luidende schel. En zoo kan ook hier gezegd: al kende ik alle waarheden, die de Kerk belijdt, en ik had het waarachtige geloof niet, zoo ware het mij niet nut.
De onderzoeking, die aan de belijdenis des geloofs voorafgaat, mag daarom niet bloot intellectualistisch worden opgevat, gelijk nog maar al te veel geschiedt. Kennis, dege en grondige kennis van de belijdenis der Kerk is als vrucht van het catechetisch onderwijs eisch. Niet diep genoeg kan het betreurd, dat sommige predikanten meenen op hun catechisatie met het Kort Begrip te kunnen volstaan, en al tevreden zijn, wanneer hun leerlingen dit van buiten kennen. Mijn volk vergaat, klaagt God de Heere bij Hosea, omdat er geen kennis is. Als een opgroeiend geslacht niet beter gefundeerd wordt in de heerlijke geloofswaarheid onzer Kerk, loopen we gevaar, dat straks allerlei wind van leering hen zal meevoeren. Zelfs bij hen, die zich voorbereiden voor het ambt van Bedienaar des Woords, merkt men maar al te vaak, hoe gebrekkig het catechetisch onderwijs is geweest. En wanneer soms bij de kerlijke examens geklaagd wordt, dat de candidaten de eenvoudige geloofswaarheden niet voldoende kennen, dan ligt dit wel voor een goed deel daaraan, dat het fundament ontbrak, waarop het akademisch onderwijs kon voortbouwen.
We wijzen daarop met nadruk, om elke gedachte af te sngden, alsof we het peil der kennis zouden willen doen dalen. Integendeel, onze overtuiging is veeleer, dat de catechese veel meer en veel beter dan tot dusverre geschiedt, zorg moet dragen, dat het opkomend geslacht de Gereformeerde belijdenis leert kennen. Maar de onderzoeking vóór de belijdenis des geloofs mag daarom niet ontaarden in een dogmatisch examen, waarbij het alleen op kennis van het hoofd aankomt. Wie belijdenis des geloofs doet moet het weten, weten zoo klaar en duidelijk, dat zijn conscientie hem geen rust laat, dat van hem niet gevraagd wordt een van buiten geleerde les, maar of hij gelooft, waarlijk gelooft voor zijn eigen hart, wat hij als belijdenis der Kerk met zijn lippen naspreekt.
Natuurlijk is daarbij teedere voorzichtigheid eisch. Op den leeftijd, waarop men belijdenis des geloofs aflegt, is een sterk en ten volle verzekerd geloof uitzondering. De Schrift zelf onderscheidt tusschen kinderen, jongelingen, mannen en vaders in het geloof. Ook in het geloofsleven is er wasdom, groei en vooruitgang. En te eischen van een jongeling, wat eerst op rijper leeftijd, als vrucht van dieper iogeleid worden in de genade, in de ziel ontluiken kan, zou èn psychologisch onjuist èn in strijd zijn met wat Gods Woord ons zegt. Maar hoezeer met dat verschil in mate en graad van geloofszekerheid rekening moet worden gehouden, , toch blijft voor elk die belijdenis des geloofs zal doen, evenals voor den moorman van Candace de vraag: gelooft ge waarlijk, dat Jezus Christus, de Zone Gods) uw Zaligmaker is.'
Indien de belijdenis des geloofs zoo wordt opgevat, dan zal er ook geen twijfel meer bestaan, of wie zulk een belijdenis des geloofs heeft afgelegd, ook gerechtigd is om aan het Avondmaal des Heeren deel te nemen. Belijdenis des geloofs dient niet om lidmaat der Kerk te worden, want j als gedoopte is men lid van Christus Kerk, En evenmin dient die belijdenis des geloofs om straks te kunnen trouwen en zijn kinderen ten doop te kunnen presenteeren. Want het huwelijk heeft met de belijdenis des geloofs niets uitstaande, en al kan alleen een belijdend geloovige zelf over den doop zijner kinderen staan, toch mag men geen belijdenis des geloofs afleggen met het oog op zijn kinderen, maar heeft men dat in de eerste plaats voor zich zelf te doen. Het genadeverbond met de kinderen loopt over de ouders, en wanneer de ouders voor zich zelf niet in het verbond der genade staan, hoe zullen ze dan in wettigen weg
het tceken des verbonds voor hunne kinderen zoeken?
Onze Gereformeerde Kerk heeft daarom in de belijdenis des geloofs nooit anders gezien dan de ontsluiting van den weg om tot het Avondmaal te kunnen toetreden. Beide, belijdenis des geloofs en toelating tot het Avondmaal, zijn onafscheidelijk verbonden. Wie vraagt om belijdenis des geloofs af te leggen, vraagt dit, omdat hrj tot het Avondmaal wil toegelaten worden, of die belijdenis des geloofs heeft geen zin en bedoeling.
Ook daarop hebben onze Kerken bij da belijdenis des geloofs wel toe te zien. Niet alsof de Kerkeraad ieder, die belijdenis des geloofs heeft afgelegd, zou kunnen dwingen om telkens ten Avondmaal te gaan. Er kunnen verborgen redenen wezen, alleen aan de ziel en God den Heere bekend, waarom men het Avondmaal moet verzuimen. Maar daarover gaat het hier niet. De toestand in onze Kerken, vooral in het midden en in het zuiden van ons land; is zoo, dat van degenen die belijdenis des geloofs afleggen, soms de helft nooit ten Avondmaal gaat. Nu kan men zulk een misstand niet in eens uit den weg ruimen. Vooral tegenover de oudere leden der gemeente behoort men geduld te gebruiken. Maar wat niet mag, wat aan de belijdenis des geloofs alle kracht en beteekenis zou ontnemen, zou zijn, wanneer de Kerkeraad zelf, die deze belijdenis afneemt, verklaren zou: met die belijdenis zijt ge nu wel een mondig lidmaat der Kerk, maar zoolang God niet een krachtig werk Zijner genade aan uw ziel verricht heeft, moogt ge niet ten Avondmaal gaan. Want daardoor werkt de Kerkeraad zelf in de hand, dat de belijdenis des geloofs een onwaarheid, een leugen worden zou.
Nu stemmen we gaarne toe, dat het veel moed en karakter eischt van een Dienaar des Woords om, wanneer de ligging der gemeente zoo geheel anders is, tegen die geraeene overtuiging in te gaan. Wanneer degenen, die belijdenis des geloofs hebben afgelegd onder zijn leiding, straks ten Avondmaal gaan, treft hem zoo licht het verwijt, dat hij den ernst van het Avondmaal zijn leerlingen niet genoeg op het hart gebonden heeft. Om in zijn conscientie tegenover die aanklacht vrij uit te gaan, is zeker eisch, dat hij met elk zijner leerlingen als voor het aangezicht Gods het gewicht van de belijdenis des geloofs heeft besproken, en hen vermaand heeft om toch geen belijdenis des geloofs te doen, wanneer die belijdenis hun geen heilige ernst was. Wat dikwijls de ernstige vromen ontrust en aanstoot geeft, is dat met de belijdenis des geloofs zoo weinig ernst wordt gemaakt, en wanneer jongelingen en jongedochters, wier levenswandel en uiting in gesprekken zoo bitter weinig godzaligheid verraadt, toch maar tot de belijdenis worden toegelaten, dan ergert het hen, wanneer straks die belijdende leden ook aan den heiligen Verbondsdisch durven toetreden. Maar al moet aan dit zeer ernstige bezwaar worden tegemoet gekomen, door strenger toezicht op hen, die belijdenis des geloofs willen doen, toch mag aan den anderen kant nooit uit vrees voor menschen het gebod Gods worden krachteloos gemaakt. De scheiding tusschen uitwendig en inwendig genadeverbond, tusschen belijdenis des geloofs en vondmaal, tusschen degenen, die alleen krachtens historisch geloof lidmaat der Kerk ijn, en hen die door waarachtig geloof ten vondmaal mogerr toetreden, is ongereforeerd, gaat tegen Gods Woord in, verbreekt de vastigheid van het Genade-verbond, ndermijnt het wezen der Kerk.
Al kan bij een ouder geslacht, dat in eze verkeerde voorstellingen is opgegroeid, deze dwaling gedragen worden, mits daarbij oortdurend uit Gods Woord ds onjuisteid dier opvatting worde aangetoond, — met het opgroeiend geslacht is dit geheel anders. De toelating tot het avondmaal, die eenaal geschied is, kan moeilijk worden teruggenomen, maar des te meer heeft de Kerk toe te zien, dat ze voortaan niet eer tot de belijdenis toelaat, wie zelfverlaart niet ten Avondmaal te willen gaan. Op vele plaatsen heeft men daarom reeds de oede gewoonte ingevoerd, bij de openbare elijdenis des geloofs de belofte af te vragen, f degene, die belijdenis doet, getrouwelijk an de Sacramenten gebruik zal maken. Uit e gewilligheid om die belofte af te leggen, an dan blgken, of iemand waarlijk bereid s aan den eisch van het Verbond-Gods e voldoen. £n wie, na zulk een belofte te ebben afgelegd, toch van het Avondmaal wegblijft, staat voor zijn eigen conscientie eoordeeld. De schuld kan dan nooit op e Kerk worden geworpen, dat zij omtrent e beteekenis van de belijdenis des geloofs em heeft misleid.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van zondag 21 maart 1909
De Heraut | 4 Pagina's